MEDITATIE
DE POORT DES HEEREN
Johannes 18 : 28. Zij dan leidden Jezus van Kajafas in het Rechthuis. En het was 's morgens vroeg; en zij gingen niet in het Rechthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het Pascha eten mochten.
Hebt ge u wel goed voorgesteld, wat hier gebeurd is, lezer ? Komende van Kajafas, hebben de Joden, vroeg in de morgen, de Heere Jezus naar Pilatus gebracht. Haastig en weinig scrupuleus hebben zij Hem over de drempel van het Rechthuis geduwd, en bij Pilatus binnen geschoven. Zelf zijn zij echter buiten gebleven. Waarom gingen zij niet mee naar binnen ? Wel, uit vroomheid. Zij vreesden zich te verontreinigen.
't Paasfeest was nog niet ten einde. Als zij nu onrein werden voor de Wet, zouden zij verder niet meer als voluitgerechtigden het Pascha kunnen meevieren.
Wat toch was het geval ? De Heere zelf had in Zijn Wet geboden, dat 't zuurdesem met Pasen uit der Israëlieten huizen moest zijn weggedaan, 't Allesdoortrekkende zuurdeeg was een beeld van de gistende werking der zonde. En de Heere wou Zijn volk leren, dat Hij hen niet uit Egypte's diensthuis had verlost om de zonde te blijven dienen. De genade der verlossing moest vruchtdragen in een leven, dat Gode in oprechtheid en waarheid was toegewijd. Daarom, waar 't Paaslam werd gegeten, moesten ook ongezuurde broden zijn, om zo den Heere feest te houden, in waarheid en oprechtheid.
De Joden namen 't nauw met dit gebod des Heeren. Zij hebben Gods gebod bewaard. Ja, zij hebben het op hun manier nog wat willen stutten door te verklaren, dat een Jood ook onrein werd door 't betreden van een heidenhuis, waar 't zuurdeeg niet was weggedaan. Zelfs achtten zij het getrouw om het huis van een heiden nooit of te nimmer binnen te gaan. Dit was hun "veiligheidszone", die zij beschuttend legden om 't heilig erf van 's Heeren inzettingen.
En om al deze redenen gaan zij niet in Pilatus' huis, opdat zij niet als onreinen zich 't reine Pascha zouden zien ontgaan.
Zij willen Pascha vieren als reine kinderen Gods.
Maar ach — 't Pascha dat zij zoeken, is een Pascha zonder de reine Jezus. Voordat zij verder kunnen gaan, zal Hij eerst moeten sterven. Terwijl zij zelf angstvallig buiten blijven, stoten zij de reine Jezus als één klomp ongerechtigheid het rechthuis van Pilatus in. Doch hoe wordt dan juist hieraan hun godsdienst openbaar als louter schijn.
De letter der ceremoniële Wet hebben zij veruitwendigd, en op menselijke wijze gecultiveerd ; maar Hem, om Wie die Wet er is en naar Wiens werk die Wet slechts henenwees, werpen zij smadelijk in het rechthuis. Hij is de ware heiliging van 't volk voor God; maar Hem stoten zij weg uit het lichaam van hun volk, aldus openbarend, dat zij ondanks hun begeerte naar reinheid voor de Wet, toch in waarheid mensen zijn met bloedbevlekte handen en een onrein hart. Zij vrezen Pilatus' huis, opdat zij niet verontreinigd zullen worden; maar zij schromen niet zich met Pilatus' hulp te vergrijpen aan Gods heilig kind Jezus.
Welk een verblinding, zegt gij wellicht, en welk een gruwelijke vormendienst. Inderdaad! Maar, blijven wij niet bij de Joden staan. Onderzoeken wij ons eigen hart en leven ! De mug uitzijgen en de kemel doorzweigen, is dat kwaad dezer mannen, dat zich aan Jezus voleindigt, misschien ook nog de levenswerkelijkheid bij ons ?
„Doorgrond mij o God, en ken mijn hart, beproef mij en ken mijn gedachten, en zie of bij mij een schadelijke weg zij, en leid mij op de eeuwige weg".
Als 't geldt het gevaar van vormendienst, wetticisme, veruitwendiging van de geestelijke dienst des Heeren, wie kan dan zeggen : Ik ben rein ? Moeten wij niet allen, ook na ontvangen genade, het hoofd buigen en mee ons schuldig weten en belijden wegens zoveel dat ondanks schone schijn voor 't oog des Heeren niet kan bestaan ?
De blik van Hem, die harten kent en nieren proeft, houde ons vast, zodat wij daaronder beschaamd worden en oprecht, en met smart belijden leren : „o, Heere, ik was er ook bij, ik stond mee vooraan die morgen, — ik met al mijn dubbelhartigheid, halfheid en vormendienst, waarbij voor U geen plaats kan zijn".
Ziet, als ons door 's Heeren Woord en Geest al het onzuivere van ons bestaan bij alle uiterlijke godsdienst wordt ontdekt, dan blij ven wij niet de reinen in eigen oog, maar dan worden wij onrein; dan verfoeien wij onze godsdienst-zonder-God ; dan gaan wij 't inleven met een bewogen, schuldverslagen hart, dat wij verwerpers zijn van God en vijanden van onze zaligheid; dan rijst er alleen maar hope, als 't hart mag horen van Hem, de Man van Smarten, Die 't ware Paaslam en in Wien de ware heiliging is ; door Wiens bloed en genade goddelozen nog gerechtvaardigd, en onreinen nog geheiligd kunnen worden.
De Man van Smarten. Hoe komt Hij ook hier als zodanig openbaar. Aan Hem acht men niets meer te bederven ! Zijn eigen volk, Gods volk stoot Hem uit, ontzegt Hem de privilegiën van ceremoniële reinheid. Het is immers. een gevloekte. Hij is één stuk zonde. Gistend zuurdeeg, dat haastig moet worden weggedaan uit Israels huis. Weg met Hem, de verworpene. Wij stoten Hem uit, het oordeel tegemoet. Hij is ons als de heiden en tollenaar. Wij aan deze kant van de drempel van Pilatus' huis, als zuivere vierders van Gods heilig Pascha — maar Hij aan gindse kant, de onreinheid in, die bij Hem past als zijn allerwezenlijkst element.
O, welk een diepte van zonde, onder vrome schijn !
Maar ook, welk een diepte van lijden voor Immanuëls reine ziel.
Versmaadheid breekt en scheurt Hem 't hart vanéén ; Hij is zeer zwak; de lasteringen snijden Hem door de ziel; Hij wacht naar medelijden. Naar troosters, maar helaas. Hij vindt er geen! Hij gaat te grond.
Hij heeft geen recht van aanzijn meer onder Gods geheiligd volk. Hij hoort er niet meer bij. De grenswachters, die gezeten zijn in Mozes' stoel, bannen Hem uit in Mozes' naam.
Israël weet van Hem niet meer, en Mozes kent Hem niet meer.
De Wet, die wezen heeft en zegen spreidt alleen door Hem — die Wet roept uit: Wat heb ik meer met u te doen, wat gemeenschap is er tussen Mozes en Belial (een nietsnut).
Zullen wij nu tranen vergieten om de pijn van Zijn versmaadheid ?
Maar Hij zal zeggen : weent niet over Mij, maar weent over uzelf en over uw kinderen.
Ziet aan 't oordeel over het verbondsvolk Israël, wat het met zich brengt om Gods heilig kind Jezus weg te stoten als een nietsnut.
Die de Zoon ongehoorzaam is, die zal 't leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem.
Allen, die Hem haten hebben de dood lief. Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij, ondanks alle tranen, Christus in onbekeerlijkheid blijven wegstoten, dat Hij niet heerse in ons hart en leven met Zijn genade en Geest!
Leren wij door 's Heeren Woord en Geest het lijden van de Heere Jezus recht betrachten, dan leren wij 't rechte wenen, niet maar als een meewarig toeschouwer, die ergens terzijde staat, maar als een deelgenoot, die hartdoorwondend weet: Ik heb Zijn smaadheid geformeerd door mijn gruwelijke zonden ; ik vulde Zijn beker, ook daar, in die vroege morgen !
Maar in die weg leren wij dan ook, dóór onze tranen heen, verwonderend zien, dat, blijvende de verantwoordelijkheid der mensen — het toch de hand des Vaders was, die Hem het rechthuis binnenbracht.
„Dien, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde gemaakt voor ons, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem".
En de drinkbeker die Hem de Vader gegeven heeft, — ook in die smadelijke wegstoting in Pilatus' huis zal Hij die niet drinken ? Daarom zwijgt Hij, laat Hij zich verwerpen en de ban aan zich voltrekken. Achter Israels wachters heeft Hij immers de hand in 't oog van die grote Wachter Israels, die waakt voor Zijn heilig recht, en Die van Sions Borg komt afvorderen, wat de Zijnen hebben verdiend en schuldig zijn. De Zijnen, een volk van Godversmaders, heiligschenders, die naar 't heilig recht waardig zijn de eeuwige wegwerping buiten de poort van Gods gemeenschap, waar Hij Zijn heiligen vergaart.
Zulk een volk, een onrein, schuldig en helwaardig volk, schaamt Hij zich niet het Zijne te noemen ; voor hen komt Hij in deze ure, en in onuitsprekelijke liefde, tot dat volk en in heilige gehoorzaamheid aan de wil Zijns Vaders spreekt nu Zijn ziel : Vader, hun vloek, zoek die aan Mij, delg Mij maar uit Uw boek, werp Mij maar uit buiten de poort, de plaats der onreinheid en des oordeels in, maar laat hen binnengaan onder de scharen, die eeuwig feest houden voor Uw aangezicht om Uw Naam en grote deugden te eren !
O, welk een afgronden van recht en van oordeel, maar ook welk een diepten van gena. Hij verworpen. Hij veracht. Hij weggestoten door God en mensen, nu in Gabbatha, straks buiten Jeruzalem, uiteindelijk op Golgotha buiten alle poorten van gunst bij God of mensen — en dat alles, opdat voor een onrein Sion zouden worden ontsloten de poorten der gerechtigheid.
Maar welk een diepten dan ook van vertroosting !
Niet voor de reinen in eigen oog.
Niet voor degenen, die, bij 't zien op 't zuurdeeg hunner zonde, niet leerden wanhopen aan eigen behoud.
Ach, zodanigen hebben geen vertroosting nodig.
Wie weinig of niet bekend gemaakt is met de diepten van eigen hart, acht het toch eigenlijk de meest natuurlijke zaak, dat hij een Christen is en hij bij het volk van God behoort. Maar als wij licht ontvangen over onszelf, dan kunnen wij, ziende op onszelve, op onze schuld en onze onreinheid, niet denken, dat wij tot het volk des Heeren behoren. Ieder ander kan dan eerder zalig worden dan wijzelf. O, die zuurdeesem der zonde, die zelfs de heiligste Verrichtingen doortrekt! „Hoe zal ik nog ooit in Uwe tent verkeren. Heer' der Heeren voor Uw oog in eeuwigheid".
Ja, 't is wel smartelijk en vernederend, al uw aanspraken te moeten verliezen ; uitgeleid te worden uit al uw vermeende zekerheden en veiligstellingen ; de grond te verliezen onder uw voeten en steeds minder te vinden bij uzelf, wat u de poorten der Godsstad zou kunnen opendoen om daarin te treên; met de heiden en de tollenaar nog rechtvaardig weggeworpen -— dat te leren, is wel zeer vernederend, maar ziet toch, hoe de H. Geest juist in die weg uw hart inwint voor de uitnemendheid en gepastheid van : de Heere, onze gerechtigheid.
Opdat gij in 't geloof 't ware Pascha eten zoudt, en er voor u doemwaardige, nog verlossingsfeest zou zijn, liet Hij zich leiden in het Rechthuis. Ja, Christus, Hij is het ware Pascha. Hij, als één stuk zonde veroordeeld en weggeworpen, opdat Hij voor u, die u met uw onrein en schuldige hart moet buigen onder Gods recht, verzoening aan zou brengen, en vrede en vrijheid ; ja, door Woord en Geest u zou verzegelen, ook bij brood en beker: "Die Mij eet, dezelve zal leven door Mij".
Hij is. Hij is de Poort des Heeren.
Nooit kunt ge groot genoeg denken van uw zonde en oordeel, maar nooit ook kunt gij, onwaardige, met te grote verwachting komen tot die Poort des Heeren, dat ware Paaslam, Sions Borg en gewillige Zaligmaker, die voor helwaardigen, om hun schuld te boeten, zich liet uitwerpen, opdat.zij in Hem zouden vinden de Poorte hunner gerechtigheid.
Meen niet, dat gij de Heere eert door in ongeloof die Poort te kleineren, en de grootheid van uw schuld aan te voeren als een reden om verre te blijven van die Poort.
Als waarlijk uw grote schuld u drukt, laat dat dan maar daarin uitkomen, dat gij die Poort onmisbaar acht, en den Heere daarvoor uw gedaante toont en uw stem laat horen, dat Hij afdale met de Geest des geloofs om in dat grote heilgeheim u in te leiden, en de Christus te doen omhelzen als uw Borg, achter Wien de poort is toegedaan, opdat voor u de eeuwige deuren zouden worden geopend.
Dan wordt het wel in diepe ootmoedige verwondering : „Ontsluit Gij, Gij voor mijne schreden de poorten der gerechtigheid", maar, ziende op die Poort des Heeren, kunt ge dan toch de Heere niet verdenken, maar zal 't wezen : " Door deze zal ik binnentreden en loven 's Heeren majesteit".
Zalig het volk, dat de Heere verwaardigt om met het bloed des Lams aan de deurposten, 't geslachte Lam op tafel en 't Hallel in 't hart, 't uitzicht geopend te zien op 't eeuwig Kanaan. Wel is er nog een reis te reizen, waarin na 't Hallel nog wel telkens bij vernieuwing het „uit de diepten" wordt geleerd. Maar de Heere is getrouw, 't Mag een dagelijks tegenvallen zijn van, zichzelven, maar de Heere houdt vast en vol. Die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd, en die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt.
Israels Ontfermer zal niet rusten, voordat Hij al Zijn ellendigen vergaderd heeft in 't land, door Zijne sterke hand bereid, opdat zij daar zouden zingen het lied des Lams : "Want Gij zijt geslacht en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed".
Daar is 't eeuwig feest, en daar is ook de levensheihging volmaakt, daar zijn de ongezuurde broden van 't zonder zonde den Heere dienen, eeuwig en altoos,
Zullen we daar binnengaan, dan zullen we hier de eerste beginselen van Zijn geestelijke dienst moeten leren, door de genade van Hem, die Zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zoude verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken".
Christus kan niet gedeeld worden. Komt Hij in met Zijn bloed, dan wil Hij ook regeren, door Zijn Geest, opdat er een wandelen zij in ootmoed, smekende : Verberg Uw geboden voor mij niet.
Waar 't Paaslam is, daar zullen ook de ongezuurde broden zijn !
Heere, waar dan heen ? Midden in onze nood en aanvechting der zonde, dagelijksweer ? Voere ons Uw Geest midden in die nood en aanvechting naar Gabbatha en Golgotha om het te schrijven in onze harten : "Want ook ons Pascha is geslacht, namelijk Christus. Zo laat ons dan feesthouden niet in de oude zuurdeesem, noch in de zuurdeesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde broden der waarheid en oprechtheid".
(Barneveld)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's