MEDITATIE
De gewisse weldadigheden Davids
En Ik zal u geven de gewisse weldadigheden Davids. Jesaja 5 vers 3.
De Zondag vóór Pasen wordt gemeenlijk herdacht de koninklijke intocht van Jezus te Jeruzalem. Hoe de Christus naderde tot de poort van de aloude koningsstad, rijdende over op de weg gespreide klederen en palmtakken, omjubeld door 'n geestdriftige menigte. Palmpasen! Het scheen een ogenblik een hoogtepunt te worden van de aardse omwandeling. Als niets minder dan „de Zoon Davids" begroette de schare Hem, dat betekent als de Messias, de Vorst, die uit Davids geslacht komen moest. Uit echt-Oosters snel ontvlamd gemoed wordt liet Hem toegeroepen, „Hosanna den Zone Davids". Een zegenbede, die letterlijk vertaald wil zeggen: „help toch", „o God in de hemel, help toch de Zone Davids in Zijn werk !"
Een vele eeuwen oude verwachting uit zich hier. Had de Heere, door bemiddeling van de profeet Nathan, aan David zelf al niet de wondere belofte gegeven : „Uw stoel en uw Rijk zal vast zijn tot in eeuwigheid" (2 Sam. 7). De macht van David en zijn nakomelingen was reeds lang verdwenen, maar God had gesproken van een eeuwig Rijk; daarom moest er een hersteller van de troon komen. Hadden de profeten in deze ook niet een duidelijk woord laten horen ? „Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik David een rechtvaardige Spruit zal verwekken ; die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde ; in Zijn dagen zal Juda verlost worden en Israël zeker wonen". (Jeremia 23). Een Spruite Davids, die zou opstaan tot zegen van het volk, dat was het heil, dat inderdaad op grond van Gods onfeilbaar Woord Israël ten verwachting mocht zijn.
Of wel, anders gezegd (en dan verstaan wij ook het tekstwoord, dat boven deze meditatie staat) : er lagen zekerlijk-komende gunstbewijzen in Gods Raad en profetie besloten, die God zou uitstorten door bemiddeling van Davids huis, dat huis als werktuig van de zegen gebruikend : de zekere, gewisse weldadigheden Davids.
„Nu komt hij, de Vorst, de Zone Davids", juichte het volk. — Ach, wij weten het, de jubel was een korte tijd. Vijf dagen later, op de Vrijdag, klonk slechts het wilde „kruis Hem !" Misschien wel niet van nauwkeurig dezelfde mensen, maar toen was er toch niemand, die Jezus voorsprak. Het Joodse volk als geheel heeft uiteindelijk déze Messias toch niet gewild. — Waarom niet ? Och, het is altijd 't best weer zo samen te vatten : omdat Hij inging tegen het vlees. De grote massa enerzijds wilde slechts een uitwendige Koning, en had voor geestelijke gaven geen oog. Terwijl nog scherper de tegenstand van het vlees zich toespitste bij de Farizeen. Jezus tastte hen in het hart, door hun vroomheidswaan aan te vallen.
Schrikkelijke sprake, ook nog tot ons : juist ook uit pure godsdienstigheid en vanwege eigen ideën van de dingen Gods, kan een mens voor zijn ware heil blind wezen.
Beklagenswaard Israël, gij hebt niet willen zien. Gij zei tenslotte : neen. Hij is het niet, de beloofde Davidszoon. En toch was Hij het. de heilbrenger, die komen zou. Alleen, zijn wijze van doen in het brengen des heils gaat dieper dan gij, Israël, dacht.
Zie, daar staat Hij op de Donderdagavond in het midden van Zijn discipelen. Daar heft Hij de beker met wijn, dat rode ten zinnebeeld gebruikend, op, en spreekt: „Dit is Mijn bloed, het bloed des nieuwen verbonds, dat voor velen vergoten wordt". — „Het nieuwe verbond", wat beduidt dat ? Dat is een terugslag op het oude woord van Jeremia : „Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik met het huis Israels en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken, namelijk Ik zal mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven, en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn ; en zij zullen niet meer een iegelijk zijn naaste en een iegelijk zijn broeder leren, zeggende: Kent den Heere; want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de Heere ; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken".
Daar wordt het heil, zoals God dat van oude tijden af had voorzien, in zijn gehele diepte voorgesteld. Let er maar eens op, want hier handelt het om wat wij allen, stuk voor stuk, nodig hebben. God belooft hier vierderlei te geven. Ten eerste: een wet, geschreven in het binnenste van het hart. Dat wil zeggen, dat, als wij dit ontvangen, de wet niet meer van buiten af op ons zal afkomen als iets, wat door onze boze gezindheid toch onvervulbaar is; maar dat integendeel de wet in ons binnenste geschreven zal zijn, in ons hart zal léven, zodat de vervulling naar buiten vanzelf komt.
Ten tweede belooft God te willen schenken een kennen van Hem. Dat betekent in Bijbelse taal: het gevoelen van een directe inwendige gemeenschap met Hem. Verder, in de derde plaats, belooft God hier ons zondevergeving te willen schenken, zonder dat er (lees maar in de tekst in Jeremia) Van enige tegenprestatie of verdienstelijk werk gesproken wordt. — Terwijl, in de vierde plaats, de Heere als kroon de alles-omvattende belofte geeft: „Ik zal hun een God zijn", d. w. z. Ik zal Mij in al hun noden als de grote Voorziener betonen.
En dit gehele nieuwe verbond nu, zegt Christus, ligt in Mijn bloed. Deze beloften worden, in hun onbegrijpelijke vrijheid en rijkheid, mogelijk gemaakt door Mijn bloed.
En waarlijk, zo is het. Als Gods Zoon lijdt, dan wordt voor een iegelijk schuldenaar de vrije vergeving mogelijk van alle schuld, om de plaatsvervanging, die Hij volbracht heeft.
Als Gods Zoon sterft, dan verwerft Hij door Zijn sterven de Heilige Geest, die door èen verzoend God weer kan worden uitgezonden tot de schuldige wereld. En die Heilige Geest is het juist, die de goddelijke wet in het hart schrijft, en die de gemeenschap met God ons doet gewaarworden en smaken.
Evenzo is het alleen door de dood van Gods Zoon, dat God tot een verloren volk het zeggen kan : "Ik ben uw God", en dat Hij dan al hun noden, inplaats van verzwaren, kan lenigen.
Zien wij er tezamen iets van, hoe het ganse heilsplan berust alleen op de Christus ? Hoe het ganse heil Gods in de wereld hangt aan Zijn dood ?
Is Christus de beloofde Davidszoon, die zal heersen tot heil van Zijn volk ? Ja, Hij is het. Alleen, de grondslagen van het gebouw des heils, dat Hij optrekt, liggen véél dieper, dan het Joodse volk zich dacht. Christus begint bij de ganselijke schuld en verdorvenheid des mensen, en legt de grondslagen van het heilsgebouw in de vergeving der zonden, en in het schenken van de door Hem verkregen Heilige Geest. Zaken, waaraan de Joden in het geheel geen behoefte hadden. Zaken, waarnaar ook de grote schare van onze dag, buiten de Kerk, en helaas ook in de Kerk, geen ware begeerte heeft. Maar legt Hij alzo de grondslagen, dan zie' ik de toppen van het heilsgebouw, dat deze Davidszoon optrekt, tot duizelende hoogte oprijzen. Hij is het, die door Zijn bloedstorting voor Zijn volk God weer tot een verzoend Vader maakt, een Vader, door Wien zij dan voorzeker wel door het leven heen geholpen worden, in alle uiterlijke en innerlijke nood. En daarmee is, wat Hij schenkt, niet afgelopen. Na hun sterven neemt Hij de Zijnen tot Zich. Dan zet Hij hun hart, dat hier in beginsel vernieuwd werd, gans om tot de liefde Gods. Dan zullen zij eeuwig met Hem leven, in ganselijke toewijding aan God, dan ook zich verlustigend in de uiterlijke openbaring van de heerlijkheid van het oude Davidsrijk.
Wat verbleken hierbij ook de schoonste idealen van de Joden uit Jezus' tijd. Wat zou de herstelling van Davids Rijk betekend hebben zonder vernieuwde mensen ? Zou dat ware gelukzaligheid geworden zijn ?
God is wonderlijk van raad en machtig van daad. Het is goed, dat Zijn raadsplan niet door mensen veranderd kan worden. God had besloten, dat de Davidszoon zou komen in een weg van lijden, en zo de Heilsbrenger zou worden. En nu, „komt allen, ziet Gods wijze wegen". De verwerping van de Christus door Israël moet nog medewerken in het raadsplan des Heeren. Israël bracht de Christus aan het kruis, en zo juist werd Hij de ware Davidszoon, de Vredevorst.
"De gewisse weldadigheden Davids". Zeker: de voor honderden jaren gegeven belofte van het heil, dat door Davids huis zou komen, betoonde zich gewis. Dat heil kwam, zelfs tegen de wil der mensheid in. En toen het tussen Kerstmis en Pinksteren zijn beslag kreeg, toen betoonde het zich als weldadigheden. In het meervoud. Ik geloof dat de verst-ingeleide nog maar iets doorziet van de onuitsprekelijke rijkdom der gaven, ons in Christus geschonken.
En nu, lezer en lezeres, gaan wij het alles op onszelf betrekken. Wat is er nu voor ons nodig ? Te leven uit die Christus. „Ik zal u geven de gewisse weldadigheden Davids", — spreekt de Heere. Weet u, wat voor een woordje er bij „geven" behoort ? „In ontvangst nemen". Als God het beloofde heil in de Zone Davids schenkt, dan hebben wij aan te nemen, anders niet. Dat heeft het doorgeleide volk des Heeren uit de ganse Nieuw- Testamentische dag geleerd, om te putten, ja, waarlijk alléén maar te putten uit de volheid van heil, in Christus neergelegd. Om de dorstende mond altijd weer in die heilsfontein te leggen.
Dat is wel gemakkelijk, zegt ge. O neen, voor het vlees allerminst gemakkelijk. Om van eigen vroomheid af te komen, om niet te steunen op eigen braafheid of inspanningen, om bevindelijk in te leven, hoe het heil, door Christus' dood verworven, ons redt, hoe de weldadigheden Davids alléén zaligen, dat is geen kleine zaak.
Zijn er misschien onder ons, die gevoelen, dat zij in die Christus vrede moeten vinden, dat ze het buiten Hem nooit vinden zullen ; die er ook iets van gevoelen, dat zij zichzelf daarbij in de weg staan, dat de eigengerechtigheid en het zelfvertrouwen van het vlees hen van de Zaligmaker verwijderd houden ; o, dat die in deze lijdensweek hun knieën eens buigen mochten, en mochten zeggen : „Heere Jezus, ik heb vaak gehoord, dat al het heil door U verworven is, in U ligt en uit U vloeit; neem nu Zelf maar eens uit de weg (daar Gij ook dat toch moet doen), hetgeen bij mij voor U in de weg staat".
Weet ge wel, dat ge zo moogt bidden ? „Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en. Ik zal u rust geven". Welgelukzalig, die die rust van de Zone Davids vinden. Die het leren doorzien dat er, juist bij een als hopeloos besefte armoede en ellende, in het heilsplan Gods plaats is voor hen. Die vrijmoedige ontvangers leren worden van de van-God-gegeven weldadigheden Davids. Die in de daarbij gesmaakte vrede ontvangen de verzegeling van de Heilige Geest.
En dan, om daarmee te eindigen, voor degenen die leren drinken uit die heilsfontein, is voor die daarmee het eindpunt gekomen ? O neen, het leven van Gods volk blijft in actie. Weet u hoe het gaat, om iets te noemen ? Wie waarlijk bij de Zone Davids kwam, die leerde ook iets ontvangen van de liefde, die Hij door de Heilige Geest in het hart uitstort. Iets van liefde tot God en de naaste. En die liefde, hoé weinig er van is, zal toch maken, dat wij ons het heil van anderen aan gaan trekken. Dan wordt het nog een begeren van de Heilige Geest en de kracht van de Davidszoon, een begeren namelijk, dat die uit mogen gaan tot bekering van anderen. O, dat wij tezamen bidden, juist in deze lijdensweken : „O Zone Davids, breid de in U verschenen weldadigheden maar uit, breid ze uit over onze Kerk, over ons volk, over velen in deze wereld.
(Opheusden)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's