Samuël, een zoon der Wet
FEUILLETON
EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA,
94)
Inmiddels was Samuel, die zo juist de Synagoge had aangeveegd, er ook bij gekomen; hij keek ook in het boek en werd nu vlammend rood. Hij vroeg of hij het hebben mocht, hij wou het eens doorkijken en dan zou hij het daarna de herbergier teruggeven om het door hem te laten vernietigen. Onder Mannia's gespannen opmerkzaamheid begon hij er al in te lezen, terwijl hij naar huis liep. — Plotseling werd hij echter door een hard geschrei in het Arabisch uit zijn gedachten opgeschrikt, en hij zag Said Abbud met verscheiden andere Fellahs daar staan. Hun opwinding had ogenschijnlijk niets uit te staan met die tentreizigers. Hij ging er dichter naartoe, en vernam toen, dat bij een van de uitlopers van de Karmel een man was gevonden, die vermoord en beroofd was, — een Arabisch handelsman. Zijn geld was hem afgenomen, al zijn koopwaar was doorzochten naar alle kanten verstrooid. Reeds een paar uur geleden was een bereden bode uit Tire naar de stad vertrokken om de moord te berichten en de Turkse officier van justitie met de dokter en de gendarmes zouden wel spoedig hier zijn.
Samuel schrok erg in een dadelijk opkomende aandoening van zuiver menselijk meegevoel, en hij deed enige snelle vragen, zonder daarop eigenlijk een antwoord te ontvangen. Pas toen hij doorliep, werd hij zich de scherpe blik bewust, waarmede Said Abbud zijn gezicht had bespied, — en een somber vermoeden in zijn ogen, die hij nu over de Joodse huisjes in de nabijheid liet dwalen. Deze blik maakte hem ongerust, net alsof er iets aan die zaak was, dat hen, de kolonisten, meer van nabij betrof!
Maar het ontvangen tractaatje trok weer opnieuw zijn aandacht; hij wou dat in ieder geval nu eerst uitlezen. En toen hij de laatste regel had verslonden, moest hij in de Schrift een hele verzameling plaatsen naslaan, om de beweringen van dat geschriftje tenminste spoedig enigszins te kunnen nagaan. Daar was weer een lange tijd mee gemoeid, gedurende welke hij niet meer aan die vreselijke gebeurtenis dacht. Eerst een roepen van Suze, die hij voor de bereiding van het middageten wat moest aangeven, wekte hem weer uit zijn overpeinzingen, en nu verborg hij het geschriftje in z'n borstzak en kon hij het eerst later aan de herbergier terugggeven.
Na het middageten liep hij naar Mandel en Rea, die het dichtst bij de plaats van de misdaad woonden. Verscheiden Arabische mannen, vrouwen en kinderen zag hij zich naar de plek van het misdrijf begeven. Toen hij nog wat dichter bij kwam, hoorde hij, dat zij klaagden, schreiden en vloekten. Hij ging bij Rea binnen. Ook Mandel was gauw naar liuis gelopen. Zij was ontzet en beangst, toonde hem de halsketting en vertelde, dat deze verkoop zeker de laatste handel was geweest, die de koopman had gedreven. Zij zou het moeten opbergen of maar weer weggeven, in ieder geval had zij er nu helemaal geen genoegen meer aan. De beambten waren daareven al hier geweest, hadden haar en haar man ondervraagd en de versierselen bekeken.
Nu liep Samuel zijn zwager na. Hij zag twee wagens uit Haïfa halt houden. De autoriteiten waren uitgestegen en klauterden over de stenen. Spoedig zag hij de plek van de misdaad.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's