Samuël, een zoon der Wet
FEUILLETON
EEN VERHAAL, UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA
96)
De officier was weer omgekeerd en riep de gendarmes aan, die met niet al te grote haast de vervolging ter hand namen. Maar toen bekeek hij Mandel met nieuwe opmerkzaamheid, en deed hij hem nog allerlei vragen. Hij beval hem half-luid om, als hij de kast in het rijtuig gezet had, hem thuis in zijn woning eens alle bergplaatsen open te doen. Mandel stond een ogenbhk als versteend, maar toen deed zijn ontzetting over de verdenking, die uit deze maatregelen bleek, een rilling over zijn lichaam gaan. Ook dat ontging de man van het gerecht niet.
Samuel wachtte voor de deur. Toen er een half uur verlopen was, kwam de officier druk pratend weer naar buiten, maar liet toch uit welwillende overwegingen zijn stem dadelijk Weer wat zachter worden. Achter hem aan kwam Mandel met jas en muts, — met een moedig en haast opgewekt gelaat, net alsof bij daareven beproefd had met dat gezicht Rea te troosten. Op die zelfde wijze knikte hij ook Samuel toe, en steeg toen met de beambte en een der gendarmes in het eerste rijtuig, dat dadelijk wegreed.
Geheel verslagen ging Samuel naar binnen. Rea, die zich voor haar man goed had gehouden, zonk nu op een bank ineen. De schrik over de ongehoorde verdenking en het smadelijke van de huiszoeking waren haar te veel geworden. De ambtenaar had aanstoot genomen aan de betrekkelijk ook wel wat grote som, die Mandel nog van de verkoop van de gerst en na aankoop van die sieraden had overgehouden. Hij had niet willen geloven, dat de jonge boer deze eerste zomer reeds zóveel graan zou hebben geoogst, en had daartegen geprotesteerd. De verdenking moest zonder twijfel op niets uitlopen, en kon ook door niemand, die Mandel kende, ook maar één ogenblik worden volgehouden, maar — Rea had al eens meer iets daarvan gehoord, hoe langzaam Turkse processen worden gevoerd. Zij vreesde dus voor hem allerlei lijden en ontbering, zij vreesde voor zichzelf de eenzaamheid, vooral hier op dit afgelegen erf, en voor hun bedrijf de afwezigheid van zijn grote werkkracht.
Dat er ook nog op hem geschoten was, had men haar niet verteld. Graag zou Samuel haar de troost hebben gegeven, dat Mandel zelf, doordat hij was meegegaan, voor een groot gevaar werd gevrijwaard, maar nu vreesde hij, dat hij haar door een schildering van het gedrag der Tirers nog meer bang zou maken. Hij ging dus de tijding aan zijn ouders brengen, die misschien in deze dingen beter raad zouden weten.
Sinaï Tulpenbloesem nam de boodschap met uiterlijke kalmte op. „Zij zullen wel spoedig inzien, dat zij de verkeerde hebben gevat, en — zij zijn ons overigens niet ongenegen ! Laat die Turken maar eens een poosje gericht houden, mijn jongen. Daarna komt weer de tijd, dat de Thora ons zal richten, ook in het burgerlijke leven. En eerst dan wordt de wereld volmaakt !" Het viel Samuël op, toen zijn pleegvader zo sprak, zulke grote, rustige ogen als hij al had gekregen inplaats van die kleine, schuwe en vlugge van vroeger, in Rusland.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's