De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Der zonde dood, maar Gode levende

7 minuten leestijd

Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onze Heere. Romeinen 6 : 11.

Moet de vermaning van de Apostel, dat Gods kinderen het daarvoor zullen houden, dat zij der zonde dood zijn, geen gevoel van verwondering in ons oproepen ?

Hoe kan dat nu gezegd worden : der zonde dood ?

Is het juist niet de levenservaring en de levenssmart van allen, die God vrezen, dat zij der zonde niet dood zijn ? Denk slecht aan wat Paulus zelf in het volgende hoofdstuk zegt, dat er in hem, dat is in zijn vlees, geen goed woont, zodat het willen wel bij hem is, maar het goede te doen in hem niet wordt gevonden en hij gevangen ligt onder de wet der zonde, die in zijn leden is. Hoe kan die zelfde Apostel dan de gelovigen toeroepen dat zij het daarvoor zullen houden, der zonde dood te zijn ?

Zullen wij de betekenis van deze opwekking verstaan, dan zullen wij moeten letten op het woord, waarmee zij aanvangt, het woord : alzo.

Dit „alzo" brengt onze tekst in verband met het voorafgaande vers.

Daar, in dat voorafgaande vers, wordt ons gesproken van de Christus Gods : „dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode".

De betekenis daarvan is, dat Christus, Die zelf geen zonde gekend heeft, de zonde van Zijn volk op Zich genomen heeft. Die zonde is Hem toegerekend; opdat Hij in de voldoening aan de gerechtigheid Gods verzoening zou teweeg brengen. En wanneer Hij dan voor de verzoening van de zonde sterft aan het kruis van Golgotha, dan is Hij daarrnee voor ééns en voor eeuwig der zonde gestorven. Want met één offerande heeft Hij volmaakt al degenen, die door Hem geheiligd worden.

Maar die Christus blijft niet in het graf. Hij staat uit de doden op en leeft. En wat Hij nu leeft, dat leeft Hij Gode. Niet, alsof dit van Zijn aardse leven niet gelden zou. Ook toen heeft Hij geen andere begeerte gehad dan om de wil des Vaders te volbrengen. Maar toch. Hij is gekomen in de gelijkheid des zondigen vleses. Hij heeft moeten dragen de last van de goddelijke toorn tegen de zonde. En daaraan is door Zijn sterven een einde gekomen. Opgewekt door de heerlijkheid des Vaders, is Hij opgenomen in de heerlijkheid des Vaders en verkeert Hij als Middelaar Gods en der mensen in de eeuwige, volzalige gemeenschap des Vaders.

Nu is die Christus echter niet voor Zich zelf gestorven en niet voor Zichzelf opgestaan. Daar is een band der gemeenschap tussen Hem en Zijn volk, waardoor Zijn volk in Hem gerekend wordt.

Als Hij sterft, sterven zij met Hem. Als Hij opstaat, staan zij met Hem op.

Daarom ontwaren zij in zich zelf wel de macht der zonde en des doods. Daar is bij hen een klagen over de ongerechtigheid, die ondanks de verkregen verlossing nog in hen is overgebleven. Maar toch zijn zij met Hem verrezen in nieuwigheid des levens. En op grond daarvan mogen zij het daarvoor houden, dat zij der zonde dood zijn, maar Gode levende in Christus Jezus, hun Heere.

Gods kinderen zijn derhalve niet Gode levend in zich zelf, maar in Christus Jezus.

Want van nature zijn wij allen dood in zonde en schuld. Wij hebben de levensbron verlaten en het waarachtige leven, dat alleen in de gemeenschap Gods gevonden kan worden, wordt bij de natuurlijke mens gemist. Doch door de Christus Gods zijn voor een schuldig mensenkind leven en onverderfelijkheid aan het licht gebracht. Hij leeft, en daarom mag van al de Zijnen gezegd worden, dat zij met en in Hem leven. De opgestane Christus laat de kracht van Zijn Heilige Geest tot hen uitgaan. En door die kracht van de Heilige Geest worden zij tot het nieuwe leven wedergeboren, zodat daar in hen wordt gewekt een droefheid over en een vlieden van de zonde en een lust en begeerte om naar de wil van God in alle goede werken te wandelen.

Dat wil niet zeggen, dat zij, zolang zij nog op aarde verkeren, de zonde reeds geheel te boven zijn.

Hoe menigmaal kan de zonde weer in hen levend worden.

Hoe moeten zij zelf belijden, dat het in hun binnenste dikwijls nog zo dor en doods is.

Hoe vaak vergeten zij de heilige roeping, waartoe zij zijn geroepen.

Maar deze droeve werkelijkheid des levens, waardoor zij gedrukt worden en waarin blijkt, dat de volle heerlijkheid hun nog niet geschonken is, mag hen niet uit het oog doen verliezen, welke verandering er in hen heeft plaats gevonden.

Want de kracht van de verrezen Christus is in hen werkzaam. Zij hebben door het geloof aan Hem en Zijn verlossing deel. Daarom zullen zij de moed niet laten zinken. Zij zullen verstaan, dat hun leven met Christus verborgen is in God. En bij alles, wat daarmee in strijd schijnt te zijn, zullen zij het dan daarvoor houden, dat zij der zonde gestorven zijn en Gode levende.

Zo is in Christus Jezus voor al de Zijnen de beslissing over hun innerlijk leven gevallen.

Er is een oude mens in hen gestorven. Er is een nieuwe mens in hen opgestaan.

Maar die oude mens is nog niet geheel en al weggedaan en die nieuwe mens is nog niet geheel en al in hen opgericht.

Daarom zal er in de toepassing van de heilsweldaden van Christus ook een voortdurende vernieuwing van de inwendige mens bij hen moeten zijn.

Zij zullen, na door het geloof gerechtvaardigd te zijn, in de weg der heiligmaking veranderd moeten worden van heerlijkheid tot heerlijkheid als van des Heeren Geest.

Vandaar dat de Apostel dan ook de vermaning tot hen richt, dat de zonde in hun sterfelijk lichaam niet heersen zal en zij hun leden niet der zonde zullen stellen tot wapenen der ongerechtigheid, maar Gode tot wapenen der gerechtigheid, (vers 12, 13).

Hoe rijk de troost ook moge zijn voor al degenen, die op de Christus Gods hun hoop hebben gesteld, dat zij in Christus der zonde zijn gestorven en Gode levend zijn, daarmee is hun geen vrijbrief voor de zonde gegeven. Zij zullen niet, naar de valse aantijging, die tegen de prediking van Paulus werd ingebracht, in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde. Het leven der genade, dat door de Heilige Geest in hun hart is ingeplant, zal zich naar buiten moeten openbaren in een leven van waarachtige dankbaarheid, waarin zij de bevestiging ontvangen, dat hun oude mens met Christus gekruisigd is, opdat het oude lichaam der zonde te niet wordt gedaan en zij niet meer de zonde zouden dienen, (vers 6).

Doch dan komt het, om de kracht en de heerlijkheid van dit woord te leren kennen, er voor ons op aan, dat ook wij in Christus Jezus levend zijn geworden.

Het daarvoor houden, waarvan Paulus hier spreekt, is niet het voeden van een waan, berustend op de inbeelding des harten, gelijk de natuurlijke mens in het zelfbedrog van zijn verduisterd hart het er ook nog wel voor houdt, dat hij straks gezaligd zal worden, zonder dat hij aan het verlossingswerk van Jezus Christus deel heeft.

Dat is een daarvoor houden zonder grond. Een daarvoor houden, waarmee de mens zich misleidt. En daarom een daarvoor houden, dat op de ontzaggelijkste teleurstelling en beschaming moet uitlopen.

Maar het daarvoor houden, waartoe ons tekstwoord ons opwekt, dat is het daarvoor houden, dat gefundeerd is in de zaligheid, die Christus voor de Zijnen tot stand heeft gebracht. Het daarvoor houden, waardoor de mens leert verstaan dat er in hem zelf geen hope des behouds gelegen is Maar ook een daarvoor houden, waardoor hij door de werking van de Heilige Geest de Christus ingeplant, weten mag, dat hij één plant met Christus is geworden in de gelijkmaking Zijns doods, om ook één plant met Hem te zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding.

Die wetenschap mag allen, die de Christus leerden kennen in oprechtheid des geloofs, tot troost en sterkte zijn in de strijd, die hen omringt. Want het daarvoor houdend, dat zij der zonde dood zijn en Gode levende in Christus Jezus, de Heere, mogen zij ook verzekerd zijn, dat zij in Hem meer dan overwinnaars zijn en dat daarom ook hun arbeid, niet ijdel zal zijn in de Heere.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's