De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

HEBT GIJ MIJ LIEF?

8 minuten leestijd

Johannes 21:17b

In het leven van Jezus' discipelen en discipelinnen komen ogenblikken voor, die ze niet vergeten kunnen, die van blijvende betekenis zijn voor hun geloofsleven en dat korter of langer tijd geheel beheersen.

Ik denk aan Simon Petrus, toen hij zich aan de zee van Tiberias voor het liefdesgericht des Heeren geplaatst zag. Daar stelde Jezus hem de eenvoudige en toch zo zeer belangrijke vraag : „Hebt gij Mij lief ? " Denk daarbij even na over de Persoon, die hier vraagt, over de persoon die gevraagd wordt, wat de vraag inhoudt, en hoe die gedaan wordt — en ge stemt 't onmiddellijk toe, dat dit ogenblik voor Petrus onvergetelijk geweest is voor zijn verdere leven. Het is bij een belangrijke vraag lang niet hetzelfde, wie die doet. Hier is de Vrager geen mens, die aanziet wat voor ogen is, neen; het is de Heere, die naar Zijn Godheid weet, wat in de mens is en Die ook hier naar waarheid in het binnenste vraagt. Daar is ook Petrus van overtuigd. Hij doet straks een beroep op de alwetendheid des Heeren en belijdt daarmee, dat Jezus Christus de Zoon van God is. Zelf God, eens-wezens met de Vader en de Heilige Geest. Petrus predikt in zijn antwoord de alwetendheid van de Middelaar en Verlosser, van die barmhartige Hogepriester, Die in alle dingen verzocht geweest is als wij, doch zonder zonde — en Die daarom behoorlijk medelijden kan hebben met de zwakheden van Zijn volk.

De klem en de nadruk, waarmee de vraag gedaan wordt, moet Petrus wel tot nadenken hebben gebracht, dat de Heere een bijzondere tedoeling er mee had. Dat blijkt ook wel uit de omstandigheden, waaronder hij zich voor die vraag geplaatst ziet. Petrus had n.l. een voorval achter zich, dat hem veel strijd en tranen had gekost. Hij had zijn Heere en Heiland tot driemaal toe verloochend; en dat nog wel onder de meest verzwarende, omstandigheden. Niet aan Thomas, noch aan de zonen van Zebedeüs doet de Heere deze vraag, doch bepaaldelijk en uitsluitend aan Simon Petrus. „Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief ? " Simon, die het toch nog niet vergeten zijt, dat gij tot driemaal toe hebt verklaard, dat gij Mij niet kent!

Petrus behoeft daaraan niet herinnerd te worden. Zijn eigen geweten beschuldigt hem telkens dienaangaande. Hij behoeft ook niet te denken of Jezus daarvan wel kennis draagt — hij denkt aan Diens waarschuwing, aan Diens blik, toen de haan kraaide. Nu de Heiland hem voor de derde maal de ontdekkende en belangrijke vraag doet, met bijvoeging van zijn oude naam en afkomst: „Hebt gij Mij lief ? ", blijkt uit het bedroefd worden van Petrus, dat die vraag, voor de derde maal gedaan, hem zeer aangreep.

Petrus weet het — hij heeft vergeving gezocht en gevonden, maar o, wat zijn de wonden nog teer. En daarbij - alles is nog geen oprechte, hartelijke liefde, wat daarop gelijkt! Petrus had ook de schijn tegen. Hij weet het, Jezus vraagt hier niet naar schijn, maar naar werkelijkheid. Liefde bestaat niet in woorden, maar in daden.

Vele mensen spreken van liefde, terwijl zij van het beoefenen der liefde afkerig zijn. Bij de ernstige vraag des Heeren : „Hebt gij Mij lief ? ", komt het op die liefde aan, die maar niet wortelt in ons verstand, maar in ons hart. Een natuurlijk mens bezit die liefde niet. Hij is een vijand van God en van alles, wat uit God is. Als Johannes ons de oorsprong der ware liefde verklaart, zegt hij : „Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad". Liefde, uitgestort in onze harten door de Heilige Geest, wekt alleen wederliefde. Zulk een liefde bezat Petrus, hoezeer ook zijn zwakheid en wankeling openbaar was geworden. Die liefde doet hem ten laatste ook zeggen, met een beroep op 's Heeren alwetendheid : „Heere, Gij weet alle dingen. Gij weet, dat ik U liefheb !" Gij weet, dat ik U liefheb boven alles en allen !'

Petrus legt zijn hart in waarheid en oprechtheid open voor Jezus. Dat heeft elk oprecht gelovige te doen, zowel de zwakkere als de sterkere in het geloof. Als het op het beginsel aankomt, moet de liefde branden als een vuur, ook al durft men op andere vragen nog niet zo beslist met een toeëigenend geloof te antwoorden. Het liefdevuur Iaat zich niét verbergen — dat moet zich openbaren, zij 't ook op verschillende wijze. Liefde is het wezen van het Christendom en naar Paulus' woord is de meeste van die — de liefde, meer dus dan geloof en meer dan hoop.

Er zijn mensen, die altijd vragen en zoeken naar kenmerken der genade, doch het daarbij nooit hebben over de liefde tot Christus. De liefde moet de bron, het beginsel zijn, waaruit de belijdenis voortkomt. Want men kan de talen der mensen en der engelen spreken en alle verborgenheden kennen en een geloof, dat bergen kan verzetten, maar — zou daarbij de liefde ontbreken, dan is men niets ; slechts een klinkend metaal en een luidende schel. Om Jezus lief te hebben, moet Hij worden gekend. Die kennis moet een zaligmakende kennis zijn. Wie deze kennis door genade bezit, kan alleen een antwoord geven op de vraag, waarom ge Jezus liefhebt. Dan is dat geen napraterij van anderen, doch levenswerkelijkheid, door de Heere Zelf geleerd en beleefd.

De ware liefde is liefde des geloofs. Liefde, die Jezus kent als de Gegevene des Vaders, als de Verzoener der zonde, als de Zaligmaker van zondaren. Ware liefde ziet in Hem de grote Profeet en Leraar, de enige Hogepriester en de eeuwige Koning. Die liefde doet met Thomas zeggen : „Mijn Heere en mijn God".

De lamp der liefde brandt niet altijd even helder, doch zulke liefhebbers worden in des Heeren kracht bewaard tot de zaligheid, die aan hen zal geopenbaard worden. Als die liefde echter beproefd wordt — zie het hier bij Petrus - dan komt zij tot openbaring en spreekt zij zich uit! Dan is het onmogelijk haar te ontkennen ! Dan brengt een dergelijke vraag des Heeren al de snaren van het hart in beweging. Dat zou niet het geval geweest zijn, als er bij Petrus geen aanrakingspunt geweest was. De Heiland had de wederliefde in zijn hart gelegd. Zo doet Petrus een beroep op 's Heeren eigen werk, op Zijn eigen liefde, als hij straks antwoordt : „Gij weet, dat ik U liefheb".

Vele waren de bemoeienissen des Heeren met hem geweest. De laatste was toch wel, toen de Heere Zich omkeerde en met een zieldoorborende blik Petrus aanzag. En het is die blik, die hem ontdekt en die hem zijner liefde tot Christus herinnert.

„Hebt gij Mij lief ? " — dat blijft de vraag voor ieder, die gelooft, voor ieder, die weet, dat er geen andere naam onder de hemel is gegeven, waardoor wij moeten zalig worden.

Draag de naam van rechtzinnig belijder der waarheid te zijn, leef voor het uiterlijke onberispelijk, weer ijverig in alle goede dingen, laat uw leven toegewijd zijn aan alles, wat wèlgevoegelijk is en wèlluidt — met nog veel, wat daarboven gaat — maar, wat beslissen zal voor de eeuwigheid, is, of ge de Heere Jezus Christus liefhebt. Ontzettend is het daarom, wat Paulus schrijft aan het einde van zijn eerste Corinthenbrief : „Indien iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking. Maranatha !"

Liefde, die door genade in het hart uitgestort is, gelijk bij Petrus, doet zeggen: „Heere ! Gij weet alle dingen. Gij weet, dat ik U liefheb". Dat is een bewijs, een waarborg, dat de Heere het goede werk des geloofs in u begonnen heeft. Al zullen er aanklachten genoeg over blijven, al zal de oprechtheid van het geloof genoegzaam aangevochten worden, al moet ge getuigen : mijn geloof is niet groot genoeg, mijn liefde is niet innig, niet trouw, niet sterk genoeg - toch zult gij niet mogen ontkennen, dat de wortel der zaak bij u gevonden wordt. En daarbij, gij moogt u verlaten op 's Heeren liefde, op Zijn werk, op Zijn trouw en op Zijn alwetendheid. Hier is het alles onvolkomen en onvolmaakt. De volmaaktheid viracht in het hiernamaals. Daar zal het ten volle worden verstaan, wat liefde is, wat 's Heeren liefde is. Wat het zegt, dat uw Heere en Heiland u duur gekocht heeft met de losprijs van Zijn dierbaar bloed. Daar zal de ziel verzadigd worden met Zijn goddelijk beeld.

„Hebt gij Mij lief ? " — Nóg doet de Heere u deze vraag. Aan deze zijde van het graf moet daar het antwoord op gegeven worden. Maak ernst met die vraag, maak haast met uw antwoord, doe het om uwer ziele zaligheid wil, doe het nu!!

Zo gij Zijn stem dan heden hoort, gelooft Zijn heil- en troostrijk woord, verhardt u niet, maar laat u leiden !

(Rotterdam)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's