De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Opnieuw beginnen!

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Opnieuw beginnen!

7 minuten leestijd

Ds. Wesseldijk, de president der Generale Synode, schrijft in „De Hervormde Kerk" dd. 17 April een hoofdartikel: „Traagheid des harten" (ondertitel: de kerk vandaag). Vooreerst wijst hij er op, dat er nog bidders zijn voor ,,het herstel en de gezondwording der kerk". Dan spreekt hij over de bezettingstijd. Daarna vraagt hij : „Hoe staat het nu ? "

„De bijna onoplosbare moeilijkheden zijn er nog : het richtingsvraagstuk, de kerkorde, de prediking, de catechese, het pastoraat, de enorme geestelijke en organisatorische achterstand in onze kerk, de ontkerstening".

Vervolgens : ,,Het kerkelijk gesprek". ,,Het kerkelijk gesprek stokt, zo het al begonnen is. Men weigert of ontvlucht de ontmoeting met elkander rondom de Heilige Schrift. Men wanhoopt aan de vrucht van een confrontatie van zichzelve en van de kerkelijke groeperingen met Jezus Christus en Zijn Woord. Men trekt zich terug op de oude frontstellingen der kerkelijke partijen. Men gelooft niet meer in de mogelijkheid van een radicale bekering en zelfherziening der kerk".

Over de kerkorde sprekende, wijst de schrijver er op, dat deze vrucht moet zijn ,,van een zich voltrekkende reformatie in de kerk zélve".

Men ziet: de sympathieke toon van het stuk in zijn geheel verbergt niet het pessimisme, dat in de aangehaalde zinsneden doorklinkt. Het benauwende is echter, dat er bij alle groeperingen aanleiding is tot pessimisme, als men op de uitwendige verschijnselen ziet. Zowel bij hen, die hoge verwachtingen hebben gekoesterd, als bij hen, die van meet af gereserveerd hebben gestaan of een afwachtende houding hebben aangenomen.

Het is dan ook volstrekt geen wonder, dat men zich terugtrekt op de oude groeperingen, en wij voegen er bij, dat de nieuwe-koers-mensen eigenlijk nog weer een nieuwe groepering hebben gevormd, welke daarbij komt.

Een wonder is het niet, omdat het nieuwe, dat men nastreefde of mogelijk nog nastreeft, klaarblijkelijk geen centraal gezag heeft kunnen verwerven en velen niet beter voorkwam dan wat zij bezaten of meenden te bezitten.

De ontwikkeling der moderne theologie is hopeloos vastgelopen en als degenen, die zich daarvan bewust worden, hun hoop hebben gevestigd op de z.g.n. nieuwe Theologie, begint het meer en meer gevoeld te worden dat ook dit op een teleurstelling moet uitlopen.

Wie een kerk wil bouwen op een theologie, zet de dingen op hun kop. Theologie komt uit de kerk op, maar theologie maakt geen kerk en zeker niet een theologie, welke zo weinig kerkelijk is als die van Karl Barth. Waar een kerk is, daar wordt zij openbaar in haar belijdenis en die behjdenis is wederom de veronderstelling en het draagvlak van haar theologie. Het confessionele karakter ener theologie is immers: haar kerkelijk karakter.

En hoe men ook over de oude groeperingen denkt, men kan niet ontkennen, dat zij zich zelf aandienden als orthodox of vrijzinnig. Van gereformeerd tot en met ethisch wilde men orthodox zijn, zij het dan ook, dat de rekkelijkheid bij sommigen bedenkelijk ver van de preciesheid werd verwijderd. Ook de preciesheid kan wel eens bedenkelijke vormen aannemen. Doch voorzover men dan terecht aanspraak op de waardering orthodox kan maken en zich van de vrijzinnigheid wilde onderscheiden hebben, bewoog men zich nog op het draagvlak van het kerkelijk geloof.

Men mag ook niet voorbij zien, dat de vrijzinnigheid voor een niet gering deel heeft geleefd uit de negatie van kerkelijke geloofsstukken en in deze contra-houding merkwaardigerwijze nog kracht ontleende aan de aanwezigheid en werkzaamheid der orthodoxie.

Is het nu wonder, dat men zich terugtrekt op de oude stellingen, nu de hoop op het nieuwe, dat in het leven der kerk geen wortel heeft, wordt beschaamd ?

Ds. Wesseldijk spreekt van onvermogen om het geheel der kerk te zien. Van zulk een onvermogen kan mogelijk terecht sprake zijn, maar dan schuilt dit in een geestelijk tekort, n.l. dat men de kerk niet ziet onder het geestelijk gezichtspunt, hetwelk ons in de Heilige Schrift wordt geopend.

Op het verstaan der Heilige Schrift als Gods openbaring aangaande de dingen, die des Geestes Gods zijn, komt het aan. Daarin echter zullen wij elkander alleen vinden, indien wij één zijn in het Schriftgeloof en buigen onder het gezag des Woords, omdat wij weten, dat God tot ons spreekt.

In dit verband mogen wij niet nalaten te wijzen op een verzuchting van de schrijver van het genoemd artikel, waar hij over het kerkelijk gesprek handelt. „Men weigert of ontvlucht de ontmoeting met elkander rondom de Heilige Schrift". Wij laten in het midden, of ds. W. zich rekenschap heeft gegeven van deze uitdrukking „rondom de Heilige Schrift". Hij houde ons echter ten goede, als wij er op wijzen, dat van een ontmoeting „rondom de Heilige Schrift" ook niet anders dan onvruchtbare discussie kan worden verwacht. Dat is juist de kwaal van onze tijd, een instelling op de Heilige Schrift, welke in de weg staat aan de erkenning van haar goddelijk normatief gezag, zodat wij een laatste beroep op haar hebben.

Men wil wel „rondom de Heilige Schrift"' staan, maar dan wordt daarin reeds uitgesproken, dat men haar in het menselijk vlak heeft getrokken. Men discussieert over wat mensen, zij het dan ook profeten en apostelen, hebben gezegd. Doch men zet zich niet „onder" de Schrift, zijnde het Woord, dat God door de apostelen en profeten gesproken heeft. Men huivert voor het doctrinaire, voor het leerstellige, en wil ook van een leer der apostelen en profeten niet weten. Men schijnt er ook geen oog voor te hebben, dat men in zijn strijd tegen een gewraakte leerstelligheid aan een veel gevaarlijker dogmatisme onderworpen is, als men het gezag van de hoogste Leermeester veracht en weigert de hemelse leer aan te nemen.

Indien men zich met de kerk, die in de belijdenis aan het woord is, onder het gezag des Woords wil buigen en van die kerk leren, hoe zij in het geloof werd geleid, zou er klaarheid komen in de verhoudingen.

Wij kunnen ons niet confronteren met Jezus Christus en Zijn Woord, zoals de schrijver wil. Als wij dat zo stellen, komt het er op neer, dat ieder zich confronteert aan een beeld van Jezus Christus, dat hij zichzelf heeft gemaakt en wellicht met behulp der Schrift zal trachten te rechtvaardigen.

De kerk kent echter geen andere Christus dan die welke ons in de Heilige Schrift wordt voorgesteld. Gaarne willen wij aannemen, dat de schrijver het ook zo heeft bedoeld, maar dan moet het duidelijker worden gezegd. Christus zelf noemt ze toch de Zijnen, die Zijn Woord bewaren.

De grondslag van het reformatorisch geloof dient onderstreept : het Woord, het Woord en altijd weer het Woord. Uit het Woord wordt de kerk geboren, bij het Woord wil de kerk geleerd zijn, uit het Woord leeft de kerk.

Een kerkelijk gesprek „rondom de Heilige Schrift" leidt tot academische beschouwingen of verloopt. Het gaat hier echter niet over academische vragen, maar over de werkelijkheid van het geloof in de Christus der Schriften, over de Waarheid, waaruit de kerk leeft.

De zwakheid van 't kerkelijk gesprek schuilt o.i. veel meer in de vrees om van meetaf onze confessie tot uitgangspunt der bespreking te maken. Dat zou zeker kerkelijk verantwoord zijn en als het niet alleen vrees om stukken te maken is geweest, dat weerhield, wat kan daarbij nog meer van invloed zijn geweest dan vooroordeel of vooropgezette meningen tegen de belijdenis. Ook dit is een zwak punt.

Een radicale bekering der kerk — waarin men volgens schrijver niet meer gelooft — zou toch moeten zijn een terugkeer naar haar belijdenis. Wij hebben daarop reeds eerder gewezen. Een bekering naar haar belijdenis, allereerst naar haar belijdenis omtrent de Heihge Schrift. Men kan echter op zulk een bekering niet hopen, als men met name dit laatste juist niet wil.

Het pessimisme, waarvan het aangehaalde artikel getuigt, is wel begrijpelijk en kan op zichzelf tot bezinning vermanen, doch de oorzaak moet veeleer worden gezocht in de ongegronde verwachtingen, die men gekoesterd en de methode, die men gevolgd heeft, dan in de afwachtende houding van velen en in de critiek dergenen, die daarop steeds hebben gewezen.

Gelet op de verwarring, op het terrein der theologie ontstaan door allerlei vreemde bijmengselen en invloeden, kan er maar één weg zijn. Een nieuw begin. Terug naar de vaste grond der reformatorische theologie. Heel eenvoudig en practisch uitgedrukt: terug naar de Catechismus. Alleen op de vaste grond van het reformatorisch geloof zal wederom een kerkelijke theologie kunnen worden gebouwd, die bij machte is een antwoord te geven op de vragen van onze tijd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Opnieuw beginnen!

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's