DE BELIJDENIS IN DE KERKORDE
Referaat van Prof. dr. J. Severijn, gehouden in de Jaarvergadering van de Geref. Bond, op 21 April te Utrecht.
I)
Het onderwerp voor deze jaarvergadering was aangewezen. De verhouding van het ontwerp Kerkorde tot de belijdenis is uit de aard der zaak één der voornaamste punten, die onze bijzondere belangstelling hebben. Dit niet, omdat de verhouding van een kerkorde tot de belijdenis in het algemeen een probleem behoeft te zijn. Een kerkorde toch is de orde van het kerkelijk handelen en het ligt voor de hand, dat het kerkelijk handelen zijn regel en richtsnoer heeft in de belijdenis, zijnde het grondvlak des geloofs, waardoor al dat handelen wordt gedragen.
Uit dien hoofde reeds moet de belijdenis ook in de kerkorde functioneren en kan daarin een volkomen regelmatige interpretatie van de bovengeschreven titel gegeven zijn. De kerkorde onderstelt de belijdenis, zowaar de kerk niet zonder belijdenis kan zijn. En aangezien de belijdenis ook van de aard en het wezen der kerk spreekt, van de ambten, van haar regering en dienst, spreekt het vanzelf, dat de orde der kerk door dit alles gericht wordt.
In die zin kan er dus volkomen terecht sprake zijn van de belijdenis in de kerkorde. Dit heeft dan de zin van de functie van de belijdenis in de kerkorde. De kerkorde op haar beurt regelt dan weer het functioneren van de belijdenis in het kerkelijk leven en handelen.
Niemand zal dus ontkennen, dat er een innerlijk verband is tussen belijdenis en kerkojrtie. Zij moeten op elkander passen. Een episcopale kerkorde past niet op een presbyteriale belijdenis aangaande de regering der kerk.
Daarom behoeft de belijdenis der kerk nog geen plaats te vinden in de kerkorde, gelijk dit in het ontwerp het geval is. Men kan zelfs het standpunt verdedigen, dat de belijdenis in de kerkorde niet thuis hoort. Immers, wijl al het handelen der kerk belijden behoort te zijn, spreekt de kerkorde in alle artikelen in de grond der zaak over het belijden der kerk.
Het zou inderdaad niet zinloos zijn, de kerkorde te verstaan als orde van het belijden der kerk in woord en daad. En als men in deze zin wil voortgaan, zou het niet ongeschikt zijn in de kerkorde op te nemen een artikel, waarin wordt uitgedrukt, dat men in alle handelingen en regelingen aan de belijdenis der kerk is gebonden.
Dan kan men daaraan desgewenst toevoegen een opsomming van de belijdenisgeschriften. Zo komt men dus tot een andere uitlegging van de titel : de belijdenis in de kerkorde, met een onmiddellijke betrekking op artikel X van het ontwerp, omdat daarin de belijdenisgeschriften genoemd worden.
Alzo zijn wij van het algemene tot het bijzondere gekomen en liggen de verschillende aspecten voor ons, die onze belangstelling vragen.
Wij ontveinzen ons niet, dat die belangstelling gepaard gaat met een gereserveerde en critische houding. Beide, reserve en critiek, vinden aanleiding in de gesteldheid van het kerkelijk leven en in de ervaring der laatste jaren. Dat er veranderingen hebben plaats gevonden, die verwachtingen hebben gewekt, zal niemand weerspreken. Algemeen werd in de dagen der bezetting het inzicht, dat de organisatie van 1816 in de weg stond aan de ontwikkeling van een gezond kerkelijk leven en algemeen werd de wens om daarmede te breken en tot een nieuwe kerkorde te komen.
Niemand zal zich er over verwonderd hebben, dat een commissie, reeds gedurende de jaren der bezetting, daarmede belast en aan het werk getogen, bij de bestudering van he vraagstuk tot de conclusie is gekomen, dat de kerkelijke toestanden niet toelieten om in één stap tot een nieuwe kerkorde te komen. Benoemd om zo mogelijk een ontwerp daartoe voor te stellen, heeft zij gemeend, dat de zaak beter gediend kon worden door het scheppen van een soort overgangstoestand, waarbij in beginsel de synodale organisatie werd doorbroken, (de z.g.n. doorbraak). Zij ontwierp geen kerkorde, maar een werkorde, waarbij een Generale Synode zou worden gevormd door degenen, die daarheen door de classes zouden worden afgevaardigd. De voornaamste taak van deze interim-Synode werd aangewezen in de voorbereiding van een nieuwe kerkorde, en wel een presbyteriale, terwijl zij haar arbeid zou verrichten in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en op de grondslag der belijdenisgeschriften".
Met schier algemene stemmen werd dit ontwerp aangenomen, zodat in het najaar van '45 de interim, toestand kon intreden. Sedert dien toog de Commissie van de kerkorde, inmiddels benoemd en aangesteld, aan de arbeid en bracht het ontwerp, dat thans in discussie is.
Wie van het artikel van de tegenwoordige voorzitter der Generale Synode, ds. Wesseldijk, predikant te Eindhoven, in het laatste nummer van ,,De Hervormde Kerk" heeft kennis genomen, heeft kunnen opmerken, dat de gespannen verwachtingen, door sommigen gekoesterd, wel ietwat zijn geluwd en plaats maken voor een zeker pessimisme, mede wegens de afwachtende houding, door zovelen aangenomen en het terugvallen op de oude partijverhoudingen.
Het kerkelijk gesprek — waarvan sommigen ook zo hoge verwachtingen hebben gehad — „stokt", volgens deze schrijver, „zo het al begonnen is". „Men weigert" — zo vervolgt hij — ,,of ontvlucht de ontmoeting met elkander rondom de Heilige Schrift".
Het is geen geheim, dat wij met zovele orthodoxen, die ons nastaan of wat verder verwijderd zijn, van ouds op de bezwaren des synodale organisatie hebben gewezen en hartelijk verlangd hebben naar een kerkelijk leven in overeenstemming met onze belijdenis. Het is ook uit dien hoofde, dat wij de onzen steeds hebben vermaand tot medewerking, zij 't ook, dat wij van meet af niet zonder reserves en in verschillend opzicht zelfs critisch gestaan hebben en nog staan.
Wij menen, dat daarvoor gegronde aanleiding is en verheugen ons, dat desondanks in onze kringen grote belangstelling en eensgezindheid is. Verreweg de meesten onzer zijn bereid aan de sanering van het kerkelijk leven krachtig mede te werken, wij zouden het trouwens niet kunnen verantwoorden, indien dat niet het geval ware, doch men zal het ons ook mogelijk moeten maken. Al te gemakkelijk spreekt men van oude partijverhoudingen, alsof daarmede alles gezegd zou zijn.
Wij stemmen toe, dat de strijd voor de confessie in de kerk aanleiding is geworden tot groeps- en partijvorming en dat helaas degenen, die schouder aan schouder behoorden te staan, door bijkoniende kwestiën verdeeld ter eenre en andere zijde de kenmerken van partijgeest vertonen. Nochtans is het onjuist de z.g. kerkelijke partijen over één kam te scheren. Wie werkelijk kerkelijk wil denken, is schuldig ook die partijschap met een kerkelijk oog te bekijken. Dit zou tot het resultaat voeren, dat men een partij, die zich beroept op de belijdenis en haar grondslag, niet zonder meer in de hoek der partijstrijd mag zetten. Zij mag aanspraak maken op een betere waardering. De nadruk mag niet op partij of groep vallen, maar het accent moet gelegd op het kerkelijke. En dat wel in onderscheiding van die groepen, die het confessioneel standpunt hebben prijs gegeven, of zelfs anti- of contra-confessioneel zijn.
De klacht over het terugvallen in de oude partijverhoudingen, door de voorzitter der Synode geuit, kan ons dan ook niet verwonderen. Zij hangt samen met de zo juist gewraakte beoordeling der „partijen" of richtingen. Kerkelijk gedacht immers zou men zich immers op het standpunt der belijdenis moeten gesteld hebben en dit zou ook het oordeel over de richtingen moeten bepalen. Geen enkele richting kan, kerkelijk gedacht, bezwaar maken, als men haar beginselen toetst aan de kerkelijke confessie, inzonderheid aan de grondslag der belijdenis, omschreven in de artikelen over de Heilige Schrift. Ook de confessionele, of, zo men wil, de orthodoxe richtingen, zullen krachtens haar aard alle gegronde critiek van uit haar belijdenis moeten aanvaarden en ter harte nemen. Deze groepen zouden zich daaraan niet kunnen onttrekken en zij zouden moeilijk kunnen volhouden, dat zij in alle opzichten hun belijdenis in ere houden.
Het terug vallen op de oude richtingen, indien althans van terugvallen kan sprake zijn, is intussen ook een critisch verschijnsel. Het zou althans op mislukking van de „nieuwe koers" kunnen wijzen en o.i. is er reden voor dit aan te nemen. Het compas, waarop de nieuwe koers werd ingezet, scheen aangegeven in de bekende formule : „Gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en op de bodem der belijdenisgeschriften", welke ook in de werkorde werd opgenomen.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's