De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verslag Jaarvergadering Geref. Bond

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verslag Jaarvergadering Geref. Bond

14 minuten leestijd

gehouden op 21 April in het gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te Utrecht

Nadat de secretaris zijn jaarverslag had uitgebracht, gaf de voorzitter gelegenheid om vragen te stellen naar aanleiding van het verslag van de secretaris.

De heer Knetsch, uit Leiden, vroeg of er in Leiden geen college in de Geref. dogmatiek kon worden gegeven. Er zijn toch in Leiden vele gereformeerde studenten. De voorzitter beloofde om deze zaak in de vergadering van het hoofdbestuur in bespreking te brengen.

De heer Smit, uit Zwijndrecht, vroeg welke voorwaarden voor steun bij de studie worden gesteld. De voorzitter antwoordde hem, dat jonge mensen, die eindexamen gymnasium of staatsexamen gedaan hebben, voor steun in aanmerking komen, mits ze van gereformeerd beginsel zijn. Bij grote uitzondering worden ook gymnasiasten in de 5e of 6e klas van het gymnasium of lyceum gesteund.

Met het ondersteunen van hen, die nog helemaal van de grond af moeten beginnen, zijn we opgehouden. We hadden zoveel teleurstellingen met zulke gevallen, dat we hiervan moesten afzien.

Ds. Bout en ds. Harkema, die tezamen met de heer Van den Berge de restauratiecommissie vormen, krijgen gelegenheid om een en ander van hun werk te vertellen. De Restauratiecommissie hoopt, dat de gemeenten hun schouders onder dit werk zullen blijven zetten. De voorzitter brengt zijn dank aan de leden van deze commissie en niet het minst aan ds. Harkema, voor het vele werk, hetwelk door hen is verricht. Ds. Harkema getuigt van zijn grote liefde tot dit werk, maar dat het hem toch te zwaar valt. Het hoofdbestuur zal in overweging nemen wat er, kan gedaan worden om hem zijn werk te verlichten.

De heer Vermooten uit Utrecht vraagt om enige inlichtingen over de financiële kant van het werk. Ds. Harkema deelt mede, dat onze gemeenten plm. 7 millioen schade hebben.Het Rijk zal, naar men hoopt, 50 pct. vergoeden. Misschien wel iets meer. De rest zal moeten worden geleend. Op de gemeenten rust dan de dure plicht om voor rente en aflossing te zorgen.

Naar aanleiding van de radio-kwestie, waarover de secretaris sprak, deelde ds. Vroegindeweij van Veenendaal mede, dat het hem speet, dat het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond een aparte actie om zendttijd is begonnen naast de actie van de heer Noteboom te Hilversum. Deze heeft toch ook met hetzelfde doel de kerkeraden aangeschreven. Door deze gedeelde actie werd de zaak eer geschaad dan gebaat. Aldus ds. Vroegindeweij.

De voorzitter gaf aan de secretaris gelegenheid om hierop te antwoorden. Deze betuigde, dat hij ook van mening was dat samenwerking op allerlei terrein allernoodzakelijkst is. Hij gaf dan ook ronduit toe, dat hij een fout had gemaakt. De circulaire van de heer Noteboom is bij hem zoek geraakt. Later maakte een predikant er hem op attent, dat de actie van de heer Noteboom was uitgegaan van de Geref. Mannenverenigingen en niet van de kerkeraden. Daarom meende de secretaris, dat het beter was om de kerkeraden zelf aan te schrijven.

De secretaris betuigde zijn spijt over zijn vergissing en biedt ook in dit verslag openlijk aan de heer Noteboom excuus aan. Nader zal worden overwogen welke gemeenschappelijke actie kan worden gevoerd om het gestelde doel te bereiken.

Daarna gaf de voorzitter een uiteenzetting over het werk van de Gereformeerde Bond inzake de kerkorde. ledere maand vergaderen in Utrecht plm. 45 predikanten van de Gereform. Bond onder leiding van de voorzitter om het ontwerp te bestuderen.

Het is de bedoeling, dat elk van die 45 predikanten vergaderingen zullen beleggen met de kerkeraden in hun district om daar dan te behandelen, wat er op de vergadering in Utrecht besproken is.

De voorzitter hoopt, dat al die 45 predikanten zich van die taak in hun district trouw zullen kwijten.

Ds. Vermaas, voorzitter van de adviescommissie, brengt de voornaamste bezwaren tegen het nieuwe ontwerp ter kennis van de aanwezigen.

De voorzitter zegt toe, dat eind Mei D.v. de voorgestelde veranderingen aan de kerkeraden en aan de afdelingen zullen worden toegezonden en in De Waarheidsvriend zullen worden gepubliceerd.

Middelerwijl had de stemming plaats gehad. De bestuursleden van de afdeling Utrecht hadden zich met dit werk belast. Op de heer Duymaer van Twist bleken 276 stemmen uitgebracht, op de heer Verbeek Wolthuys 225 en op ds. Timmer 310 stemmen. De opnieuw gekozenen namen tot blijdschap van de voorzitter hun herbenoeming aan. De voorzitter sprak zijn dank uit aan de Utrechtse heren voor de werkzaamheden van het stembureau en wat daarmee saamhangt.

Pas nu kreeg de penningmeester gelegenheid om zijn financieel verslag uit te brengen. Hij sprak als volgt:

Elke tijd draagt zijn eigen stempel, 't Komt voor, dat er verschillende perioden zich laten aanwijzen, welke meer dan één trek gemeen bleken te hebben met die, welke wij mogen aanmerken als door ons meegemaakt, 't Komt zelfs voor, dat men spreekt van een gelijkenis als tussen moeder en dochter. Dat is met onze tijd wel iet of wat anders.

'k Geloof niet, dat een zeggen als dit u als eens vreemd iets in de oren zal klinken : d.i. iets ongehoords. Daar zou ons voorgeslacht raar van hebben zien opkijken.

In de H. Schrift staat dit tekenend woord : de fundamenten worden omgestoten. Niet alleen dat de muren vallen, maar de grondslagen worden omgekeerd. Wat hierop  noodzakelijk moet volgen is, dat niet weinigen, inzonderheid van de ouderen onder ons, zich afvragen: wat staat nu nog overeind ? Waar moet dat heen ?

Het antwoord, dat hierop gegeven mag en moet volgen, is hetzelfde dat aan de leider van het oude volk gegeven werd : ,,Zeg de kinderen Israels dat zij voorttrekken !" „Heb Ik u niet uitgeleid uit het diensthuis ? "

Merkt er op : de eerste voetstap werd gezet in het middernachtelijk uur. Wij zouden dit moment zekerlijk op een andere stonde hebben gesteld. In elk geval niet bij nacht. En toch struikelde geen één.

De grijsaards wandelden in hemels licht. De luchter aan de hemel glansde op zijn schoonst. Toch bleek het binnen een zeer beperkte tijd, dat niemand, ook de man Gods, Mozes, de leider bij uitnemendheid, een gezicht had op de werkelijke leiding van de Heere in deze, als hij, als van alle kanten bedreigd : de wieling der raderen van de naderende vijand en de dreigende golven van de zee voor zich, hem de verzuchting doet slaken : Waarheen mag ik nu wijzen ?

Hemels-zeker klinkt het antwoord : , „Recht uit, zegt de kinderen Israels, dat zij voorttrekken !"

Maar, Heere, dat loopt toch mis ? Daar is geen weg ; daar is vernietiging.

Ogenschijnlijk had Mozes gelijk. De werkelijkheid leert, wie gaan mag in gehoorzaamheid aan de Heere, heeft geen kwaad te vrezen. Waar het gebed op de lippen wordt gelegd : ,,Neig mijn hart en voeg het saam tot de vreze van Uw Naam", daar zijn de uitkomsten wonder heerlijk.

De wijsheid Gods blijkt hier het allerschoonste : Daar is toch geen vijand bij machte om zich staande te houden of om Godes zaak te benauwen. De wonderdoende hand des Heeren treedt hier juist naar voren. Van deze staat dit woord beschreven :

„Gods rechterhand is hoog verheven. Des Heeren sterke rechterhand Doet door haar daan de wereld beven. Houdt door haar kracht Gods volk in stand".

Neen, moeite, zorg, benauwdheid, staat onder Zijn bevel: Zegt de kinderen Israels, dat zij voorttrekken !" Daar mee zullen ook wij, u zoeken in te leiden, in en voor te gaan bij onze arbeid. Hetzelfde euvel, dat in de latere jaren zich voordeed en wat wij noemen het gebrek aan predikers, is in dit laatste jaar nog niet gewijzigd. Wanneer iemand tot me komt, zeggende: „hebt ge me geen adres aan de hand te doen ? In onze ring is de grootste helft vacant" — is dat niet droef, niet pijnlijk aan te horen ? Veel goeds komt hieruit niet voort. Op de duur zult ge 't zelf wel opmerken. Een prediker is niet meer dan een mensenkind. Zijn hart staat ook open voor allerlei onheil en voor zelfoverschatting.

Kunt gij daar dan niets tegen doen ? Zijn daar niet tal van jonge mensen, die van God de lust en de begeerte hebben ontvangen om zich voor het predikambt te bekwamen ? Helpt dezen dan !

In 't algemeen gesproken, valt hier iets op te merken. Zouden de beste stuurlui nog niet altijd zich aan wal bevinden ? Wanneer in deze de ervaring wordt geraadpleegd, zo kan ik u dit wel zeggen : daar zijn tal van jonge mensen gekomen in onze eerste jaren, aan wie de kans werd geboden, waar hun aanvrage om geholpen te worden, gerugsteund werd door niet weinigen — toch in werkelijkheid het eindpunt niet konden bereiken.

Dit kon en mocht niet voortgaan. Werden deze gelden ons toebetrouwd door vrienden, zo moet dit vertrouwen niet worden geschokt.

Bestaat de mogelijkheid dat een of ander jong mens, van wie het verzoek komt om geholpen te worden en die volgens rectoren daartoe zekerlijk de gaven hebben ontvangen, zo wordt de mogelijkheid daartoe ten ernstigste overwogen en vaker dan eens toegepast, wat tot nu toe tot gunstige resultaten mocht voeren.

Ons Studiefonds wordt alzo geducht onder handen genomen, wat de uitgaven betreft. Wat voorheen hoge, zeer hoge uitzondering vormde, dat is nu vaker dan eens gebeurd.

De steun was bij een zestal van hen boven de 1000 gulden per studiejaar. Hoe dat komt, is voor ons duidelijk : de kamerhuur met de verzorging is zo gestegen in prijs, om van boekenrekening maar niet te reppen, dat zij met minder steun niet toe kunnen.

Waren de uitgaven over het vorige boekjaar ƒ 12.100.— ; nu ƒ 15.530.—.

Ge zegt misschien met meer dan éen onder ons : dit valt me nog mee !

Nu wil ik er nog een enkele noot onder zetten. Verleden jaar waren enkelen van onze oudalumni, die het zich aantrokken dat zij van dat zelfde Studiefonds indertijd genoten hadden, die nu — al was het niet van de overvloed - toch uit hun inkomsten iets mochten bestemmen voor dit Studiefonds.

Ik kreeg verleden jaar ƒ 515.—. Nu bedroeg dit voor thans ƒ 760.—. Dus bijna 50 pct. hoger.

Nu is daar misschien iemand onder de schare die de opmerking maakte ; Laat ge het hierbij? Zou niet een zachte vingerwijzing in deze op zijn plaats zijn ?

Ik heb er wel aan gedacht. Hier is het oordeel van iemand, die er buiten staat, vaak van eenzijdigheid niet gespeend. Ik voor mij, leg het 't allerliefste voor Gods Aangezicht neder. Iemand die gesteund werd, weet wat dit steunsel hem indertijd waard is geweest. Vandaar is een zachte wenk zeker op zijn plaats.

Zó de zaak bezien, worjt het voorrecht, hun te beurt gevallen, des te groter, wanneer zij bepaald worden bij het verlies, dat een hunner collega's en zeker hun aller vriend en broeder, J. H. Knijpers, heeft getroffen. In het verre Oosten, aan het hoofd van de troepen, heeft hij als veldprediker zijn leven gelaten. Veel waarderende woorden zijn aan zijn graf gesproken ; niettemin is het verlies in de kring van vrouw en kinderen heel groot. Wij gedenken bij deze hem als een getrouw Dienstknecht des Heeren, die niets heeft achter gehouden van wat de Heere hem op zijn schouders had gelegd. Die een Man is der weduwen en een Vader der wezen, make aan hen allen Zijn beloften waar : ,,Ik zorg voor u !"

Wat piëteit aangaat, is bij het heengaan van onze jeugdige vriend en broeder een enkel woord ter nagedachtenis op zijn plaats.

Thans moge aan uw aandacht iets worden doorgegeven, wat ons allen tot blijdschap stemt. Ons Studiefonds heeft niet alleen op het oog bekwame predikers, die het Woord Gods recht snijden mogen, maar ook, als daartoe evenzeer behorende de wetenschap in het algemeen willen dienen. Een enkele maal deed het zich voor, dat er onder onze pupillen waren, die lust en begeerte kregen om de z.g.n. doctorale studie te volbrengen."Dit werd ten zeerste toegejuicht, temeer, waar onze fondsen hierdoor niet in het minst werden geschaad.

Eenmaal deed het zich voor, dat de jeugdige predikant van Lopik, ds. S, van der Linde, met zijn doctorale studie begon, n.l. met „Het werk van de H. Geest bij Calvijn". Hij oogstte lof en hij niet alleen, doch ook zijn promotor prof. dr. J. Severijn, werd met zulk een rijpe vrucht gelukgewenst. Getuigde dit werk van gedegen st'udie, ieder der zake kundig, sprak het uit: dat is Calvijn waardig.

Was deze jonge man een onzer oud-alumni, een tweede heeft zijn wetenschappelijke beker bij dezelfde bron gevuld.

Was de eerste gekomen met het werk van de H. Geest bij Calvijn, van de pastor van Charlois, ds. H. Schroten, kwam eveneens een dissertatie, ontleend aan de arbeid van de Reformator Calvijn. Een arbeid van jaren, een werk, telkens onderbroken en toch doorgezet, dwingt eveneens eerbied af.

Bij de promotie van eerstgenoemde jonge dominee was een kring van luisteraars, niet gering, doch bij deze tweede promovendus zeker meer dan enkele keren vermenigvuldigd. Zijn dissertatie droeg als opschrift: Christus, de Middelaar , bij Calvijn. De zaal, waar de promoties in de regel plaats hebben, bleek ditmaal veel te klein.

Zulke ontmoetingen op wetenschappelijk terrein laten niet na een blijvend resultaat af te werpen. Wie Calvijn aan de hand van zijn geschriften naspeurt, komt vanzelf bij de arbeid terecht, door leden van ons Studiefonds in het licht gegeven.

Met een zekere voldoening hebben wij deze schone resultaten op deze plaats vermeld, met dank aan Hem, Die alles tezamen koninklijk heeft geleid en verzorgd.

Wij weten er geen andere uitleg voor : De Heere heeft ons tot nu toe met Zijn liefde en zorg omringd.

Zorgen waren er meer dan één. Hoe zou 't anders gekund hebben ? De kwetsbare plekken waren er vanaf de beginne. Het bjad De Waarheidsvriend moest als van nieuws af zich overal een weg banen.

Onze ijverige secretaris hield, wie maar enigszins luisteren wilde, staande. Daar zijn tal van lezers weer ingelast. Het begin mocht moeilijk zijn, de moeite, welke er aan besteed werd, had tengevolge dat bosjes nieuwe lezers zich meldden.

Of dat alles winst leverde ? Natuurlijk, neen. Ons lezerscorps had er geen wetenschap van dat, waar sedert De Waarheidsvriend verscheen, dus vóór 20 jaar, er nu nog hetzelfde abonnementsgeld werd berekend. Zal deze zich vrij gevoelen, zo zou een vrijwillige toeslag, van de lezers zelve uitgaande, niet kwaad zijn. En wanneer men het, en, omdat de overheid elke verhoging van uitgaven uit de aard van de zaak niet graag ziet aangebracht, zo is een klein verlies bij onze huidige toestand der geldmiddelen gemakkelijk te dragen, 'k Zou, naar oud gebruik, de verschillende posten van inkomsten en uitgaven naast elkaar kunnen plaatsen, om hierdoor enigszins een over- en doorzicht te geven — doch het dunkt me even verstandig u dit te zeggen.

Het eindcijfer wijst heen naar een tekort van ƒ 84.09. Dat is een verschijnsel, dat wel iet of wat huiverachtig maakt. Tekorten — zo hoor ik zeggen — dat moet niet; dat willen wij helemaal niet!

't Is, alsof ook hierin is voorzien. De post: ,,koersverschil effecten" bedraagt iets meer dan 500 gld. Alzoo is het spoor van tekort omgezet in een voordelig saldo.

Wees hetgeen wij als studietoelage noemden een aanmerkelijk hoog bedrag van ƒ 15.530.—. De inkomsten van de Paascollecte bedroegen in '47 nog een hogere som, n.l. ƒ 18.753.95. Dat is ƒ 3223.95 hoger.

Is het teveel gezegd of te sterk gekleurd, wanneer wij het zo aanduiden : de Heere heeft ons met liefdezorg omringd ?

Zijn Naam zij geprezen. Van Hem zijn ook onze verwachtingen voor de toekomst.

'k Heb gezegd.

Ds. GOSLINGA.

De voorzitter dankte de penningmeester voor zijn verslag en voor de wijze, waarop dat door hem werd uitgebracht.

De heren Smit en Jongeneel brengen verslag uit van hun nazien van de boeken van de penningmeester en stellen voor deze te dechargeren voor het boekjaar 1947. Alzo geschiedt.

De voorzitter bedankt de heren voor het nazien van de rekening van de penningmeester.

De heer Leonard uit Dordrecht zou willen, dat straks alle predikanten, die lid zijn van de Gereformeerde Bond, zich als één man zullen scharen achter de voorstellen, inhoudende de wijzigingen in het ontwerp van de nieuwe kerkorde.

Na het zingen van Psalm 105 vers 5, ging ds. Bout op verzoek van de voorzitter voor in dankgebed, waarna deze druk bezochte jaarvergadering door de voorzitter gesloten werd.

De secretaris,

J. J. Timmer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1948

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Verslag Jaarvergadering Geref. Bond

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1948

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's