Samuël, een zoon der Wet
FEUILLETON
EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA
100)
,,Het is mogelijk, dat hij weer gauw terugkomt. Ik geloof vast, dat het morgen zal gebeuren. Maar dan moet je nu niet meer schreien, hoor. O neen, je moet niet meer schreien !" En helemaal in gedachten verzonken, voegde hij er aan toe : ,,En dan gaan ook weer die soldaten weg, en hebben allen weer rust, o zeker, hij zal spoedig terugkomen !"
De Thoraschrijver had dit onderhoud zwijgend bijgewoond; hij zat op een krukje, en sneed wasklemmen. Hij was er bang voor om het gewicht van zijn woorden mee in de schaal te werpen. Eindelijk merkte hij alleen op, als wou hij aan iedereen zelf overlaten hem goed te verstaan : ,,Wat er ook geschiedt, laat een mens bij zijn godsvrucht tegelijk slim wezen.
Jossele, ik weet, dat jij vrijwillig die nachten de wacht hebt gehouden. Heb je ook gemerkt, of de soldaten iets hebben geroofd uit de tuinen? " „Neen, ik heb daar niets van gemerkt. Ik zag ze wél eens ronddwalen, maar zij kwamen toch niet in de tuinen. Maar ik ben niet ver uit de buurt van mijn huis gegaan."
„Dat is merkwaardig. Er is een klacht ingekomen van de kleermaker Zalig en van anderen. Men zal aanstaande nacht goed op zijn hoede moeten zijn." Hij boog, zijn grijze hoofd onder die nieuwe zorgen.
Jossele ging weg, nadat hij Rea en het kind een zwijgende groet had gebracht. Hij keek hen alleen maar lang aan . . . . .
Spoedig daarop ging ook de oude man naar buiten, nadat hij eerst op zijn horloge had gezien. Hij sloeg de richting in naar het huisje van de koopman Lemberger, en trad weldra diens woning binnen, waar vader en zoon zich juist aan de middagtafel hadden neergezet. Sinaï keek naar de beide schotels, die het eten bevatten, en ontdekte op de ene schaal groente uit blik, die Lemberper zeker niet zelf had verbouwd. Deze nodigde hem met moeilijk verborgen verlegenheid uit, om ook te gaan aanzitten, en wat mee te eten. Tulpenbloesem schoof wel een stoel bij de tafel, maar was niet van plan, de beide anderen het eten af te nemen. Hij vouwde zijn handen en wachtte totdat Lemberger een zegen zou vragen.
Maar deze was wat benauwd om dat te doen, en zei dat hij nog vergeten had, zijn ezel in de stal zijn drinkemmer te brengen, dus moest Reb Sinaï maar vast beginnen. Doch Sinaï wachtte nog, toen de koopman weer binnen kwam. Met een vaste blik spoorde hij hem nog één keer aan, om nu de plichten van een huisvader uit te oefenen, voordat zij zouden gaan eten. Maar nu erkende Lemberger haast op kruipende toon, dat de Rabbijn aan de tafel die eer meer toekwam dan de heer des huizes.
Sinaï hield er toen maar mee op. „Het zal misschien ook maar beter zijn, geen zegen te vragen over deze schotel. Maar ik raad je toch aan, om voortaan alleen spijzen te gebruiken, waarvoor je dat wél kunt doen. Nu ga ik weer naar huis, — wees echter niet bang ; de zaak blijft ditmaal nog onder ons !"
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1948
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1948
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's