De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Art. X van het ontwerp Kerkorde

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Art. X van het ontwerp Kerkorde

7 minuten leestijd

De formulering van art. X roept verschillende bezwaren op, die wij gaarne uit de weg geruimd zagen. Het is met dit artikel als met de bekende formule der werkorde. Men kan het op verschillende wijze interpreteren. Behalve de overbodige opsomming van kerkelijke handelingen en wat daarmede saamhangt, is er een theologische opbouw in dit artikel, die tot misverstand en verwarring aanleiding geeft. Reeds daarom is dat ongewenst en het behoort in een kerkorde niet thuis.

Indien men het nodig acht van het belijden der kerk te spreken, kan men er op wijzen, dat de kerk in al haar handelingen en dus ook in al haar vergaderingen belijdt, hoezeer dit van zelf spreekt. De kerk belijdt nu eenmaal altijd in al haar handelingen. Het gaat er echter om, of zij in dat belijden getrouw is en beantwoordt aan haar wezen. Daarom is het niet overbodig, als daarbij wordt gewezen op de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift, zijnde de bron en — wat er wel bij mocht staan ook de maatstaf — der prediking, juist, omdat zij ook is de regel des geloofs.

Hoe vanzelfsprekend ook dit moge zijn, wij ontveinzen ons niet, dat velen dit niet zo zien en van deze hechte grondslag zijn afgeweken. De verachtering van het kerkelijk Ifeven, de voortgaande ontkerstening, de vervreemding van het reformatorisch geloof en de verwarring in het theologische denken, hebben dit in de hand gewerkt.

Uit dien hoofde is het ook verklaarbaar, dat er behoefte is om op „de gemeenschap met de belijdenis der Vaderen" te wijzen, die als echte reformatoren teruggrepen op de belijdenis van de oud-Christelijke kerk, zodat ook de belijdenisgeschriften worden genoemd.

Dit alles is zeer wel te verklaren, doch zo vraagt men — waartoe dan de zinsnede : „en in het besef van haar verantwoordelijkheid voor het heden, (doet de kerk) belijdenis van de openbaring van de Drieënige God". En een ander vraagt : wat betekent : in gemeenschap met de belijdenis der Vaderen ? Indien „in gemeenschap" „instemming met" insluit, dan ligt de belijdenis van de Drieënige God daarin besloten. Waartoe dan nog deze afzonderlijke vermelding ?

Of wordt misschien zulk een binding aan de belijdenis der Vaderen niet bedoeld, zodat zij het bij het rechte einde zouden hebben, die menen, dat deze hier zou teruggebracht worden tot de belijdenis van de openbaring van de Drieënige God ?

Dit zou dan weer een formule zijn, waarover zeer verschillend kan worden gedacht en voor velerlei uitlegging vatbaar.

Geen wonder, dat men nadere verklaring vraagt aangaande de uitdrukking : ,,in gemeenschap met de belijdenis der Vaderen". Indien het dan vanzelf spreekt, dat deze instemming met inhoudt, hetgeen wij gaarne aannemen, dan is daarmede de binding aan de belijdenis der Vaderen duidelijker uitgedrukt.

Dan echter ware het eenvoudiger eenvoudig van die binding te gewagen en te omschrijven, dat de kerk in al haar vergaderingen en bij al haar handelingen gehouden is te handelen in overeenstemming met de belijdenis der kerk, welke is vervat in de belijdenisgeschriften, die dan genoemd kunnen worden.

Verder in het artikel wordt gezegd, dat de kerk in haar verantwoordelijkheid voor het heden en levende in de uit de Schrift geputte belijdenis der Vaderen, telkens opnieuw de Christus als Hoofd der kerk en als Heer der wereld belijdt.

Hierbij komen nieuwe vragen op : levende in de uit de Schrift geputte belijdenis der Vaderen. Wat is de zin van deze woorden ? Bedoelt men een restrictie in deze zin : voorzover deze belijdenis uit de Schrift geput is ? Wij zouden hiertegen geen bezwaar kunnen maken, omdat de belijdenis zelf geen gezag in de zaken des geloofs wil erkennen dan dat van de Heilige Schrift. Of wil men zeggen, dat de belijdenis der Vaderen uit de Schrift geput is ? In beide gevallen zou het afdoende zijn zonder meer van deze belijdenis te spreken.

Dat de kerk voorts in de opgesomde handelingen, prediking, getuigenissen . . . .  enz., de Christus belijdt als Hoofd der kerk en als Heer der wereld, schijnt, zoal geen overbodige opmerking, dan toch weer een nieuw aspect te willen openen. Sommigen zien hierin een stukje belijdenis op zich zelf, misschien een stukje nieuwe belijdenis naast die van de openbaring van de Drieënige God.

Wij hoorden de opmerking : artikel X belijdt slechts de openbaring van de Drieënige God en Christus als Hoofd der kerk en als Heer der wereld.

Dit zou dan zo grote vrijheid in belijdenis toestaan, dat alle binding aan de belijdenis der Vaderen zou worden opgeheven.

Nu is dat zeker de bedoeling niet. Het artikel, zoals dat gesteld is kan dat uitwijzen, maar het geeft door zijn opzet aanleiding tot zulke gedachten.

Wie instemt met de belijdenis der Vaderen, belijdt de Christus als Hoofd der kerk, Wien alle macht is gegeven in hemel en op aarde. En wederom komen wij tot de conclusie, dat al die omhaal moet worden vermeden door eenvoudig te wijzen op de binding aan de belijdenis der Vaderen, die nog altijd de belijdenis der kerk en als zodanig van kracht is.

Waarom dan die omhaal ? zal iemand vragen, als het dan vanzelf spreekt, dat de belijdenis nog altijd van kracht is ?

Deze vraag brengt ons bij het hoofdbezwaar. Het gaat maar niet om wijzigingen in redactie, maar om de achtergrond en de opzet van het geheel.

Vooreerst wordt die opzet verklaard uit het overmatig en zelfs misplaatst accent op de apostolische roeping der kerk, welke zelfs primair wordt gesteld en zo mogelijk boven de belijdenis. Dit wordt reeds duidelijk, als men in aanmerking neemt, dat art. VIII over het apostolaat der kerk (wij spreken van zendingsroeping der kerk) handelt.

Eerst moet er een kerk zijn, zal zij haar zendingsroeping kunnen vervullen. Christus heeft eerst Zijn gemeente vergaderd, denk b.v. aan Zijn verschijning aan de vijfhonderd. Dan geeft Hij het zendingsbevel. Zodra er een kerk is, belijdt zij, wat de Heere haar geboden heeft en zij heeft de roeping de wereld in te trekken en anderen te leren onderhouden, wat Christus geboden heeft. Zo gaat het belijden en onderhouden aan de zendingsroeping vooraf. De kerk getuigt uit geloof tot geloof.

Reeds uit dien hoofde past de binding aan de belijdenis onmiddellijk, nadat van de kerk is gesproken en alzo in art. III. Thans gewaagt art. III van de orde in het belijden, leven en werken der kerk.

Welnu, die orde kan er zonder belijdenis niet zijn en staat op de belijdenis, zijnde het grondvlak des geloofs en mitsdien van al het handelen der kerk.

Voorts is de zendingsroeping der kerk zeer sterk gezien in het licht van de huidige ontkerstening. Vandaar de genoemde verantwoordelijkheid voor het heden en de nadruk op het belijden van Christus' als het Hoofd der kerk en als Heer der wereld.

Verder wijst de uitdrukking „telkens op­ nieuw" enerzijds zeer zeker op het blijvende : Christus is Hoofd der kerk en Heer der wereld, maar anderzijds op een bewegelijk aspect ten aanzien van het belijden der kerk, dat zijn neerslag verkreeg in de uitdrukking „de weg van het belijden". Wel vasthouden aan het oude, maar het oude in nieuw licht overeenkomstig de gewijzigde omstandigheden.

In verband met het zoeven genoemde bezwaar over het primair stellen van de zendingsroeping, op gevaar af, dat de kerk als vergadering der ware Christgelovigen op de achtergrond geraakt, en het Evangelie als kracht Gods tot zaligheid wordt veronachtzaamd, moet dit streven der bewegelijkheid dubbel bezwaarlijk worden gevoeld. Het is volstrekt niet denkbeeldig, dat men zich daarbij laat leiden door gevoelens en beschouwingen, die over de belijdenis heen in een weg leiden, welke van de gemeenschap met het geloof der Vaderen afvoert en de grondslag, waarop zij bouwden, verlaten heeft.

Deze bezwaren verdienen ernstige overweging en mogen aanleiding zijn, dat men de zaken recht stelt en zodanige wijziging van dit artikel aanbrengt, als daarmede overeenkomt en in het kader van een kerkorde past. Een kerkorde is nu eenmaal geen belijdenis, maar moet dienen om de belijdenis te doen functioneren.

Uit dien hoofde reeds zal de kerk in al haar handehngen gehouden zijn in overeenstemming met haar belijdenis te handelen. Dan kiest men het uitgangspunt in het leven der kerk en wordt het grondvlak des geloofs vastgehouden, van waaruit haar taak en roeping in het heden kun­nen worden overzien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1948

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Art. X van het ontwerp Kerkorde

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1948

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's