Uit het Oude Testament
Over de profeet Hozea en diens huwelijk
Het ging met het N. Rijk in de dagen van de profeet Hosea snel bergafwaarts. Na de lange regering van Jerobeam II volgt een zestal koningen in snelle opeenvolging ; de ene koningsmoord volgt op de andere. In 722 komt het einde als Sargon Samaria inneemt en de bevolking gevankelijk wegvoert. De profeet tekent, hoe de tijd der bezoeking daar is en de dag der vergelding is gekomen. Want de Heere zal hun schuld gedenken en hunne zonden aan hen bezoeken (h. 8 vers 7v.). De Heere zal tegen Zijn volk optreden als een felle leeuw ; als een jonge leeuw zal Hij verscheuren, zodat er geen ontkomen is, want wie zal uit Zijn hand redden ? Het is een aangrijpende prediking van een man, die tot zijn ziel bewogen is over wat hij ziet en hoort; een volk, dat vergaat, omdat het ontrouw is aan het vredeverbond met zijn God. Het laat hem niet onbewogen. Hozea klaagt zijn God achterna, over vertrapte en verachte liefde. Men heeft Hozea wel eens de minnezanger onder de profeten genoemd, omdat zijn boek doortrokken is van beelden aan het huwelijksleven ontleend. De liefde Gods houdt stand tegenover de ontrouw en liefdeloosheid van Israël. Onwrikbaar en onwankelbaar is 's Heeren liefde tegen alle afvalligheid van Israël in „Hoe zoude ik U kunnen overgeven, o Efraim, u kunnen overleveren, o Israël ? Hoe zoude ik U kunnen maken als Adama, met U kunnen handelen als met Seboim Mijn hart is in mij omgekeerd. Ik zal de hitte van mijn gramschap niet uitvoeren" (11 vers 8 e.v.). Dat zegt iets als we ons realiseren, in welk een tijd de profeet leeft: er is geen trouw en geen liefde en geen kennis Gods in het land. Wat dan wel ? Liegen en vloeken en doodslaan en stelen en overspel doen en bloedschuld op bloedschuld (4 vers 2 e.v.).
In die zware dagen is Hozea een kruisdrager geweest, om Gods wille, om het zware ambt, waartoe de Heere de profeet heeft afgezonderd. Och, een profeet is geen baas over zichzelf en heeft goed geleerd, dat een Ander over hem te zeggen en te beschikken heeft. De man van de woestijn Johannes weet, dat hij niets meer is dan een stem. Die profeten waren wondertekenen. Jeremia b.v. — en telkens worden we bij Jeremia aan Hozea herinnerd — zal ongehuwd blijven en in zijn eenzaam leven, waarover de mensen dikwijls spreken, zal hij een wonderteken zijn ; hij zal geen rouwmisbaar maken over een dode, ook niet gaan in het huis van een maaltijd, onbegrijpelijk voor de mensen, die met hem in aanraking komen en zo zal hij een prediking zijn, dat de Heere Zijn goedertierenheid en Zijn vrede van Zijn volk heeft weggenomen.
Zo staat Hozea met heel zijn leven in de dienst. De Heere dan zeide tot Hozea : Ga henen, neem u een vrouw der hoererijen en kinderen der hoererijen. — Zal Hozea geen bezwaar maken en protest aantekenen en zeggen : Maar Heere, hoe kunt gij zulks van mij vragen ? Dat kan toch Uw wil niet zijn ?
Ga henen en Abraham is gegaan, toen dit woord des Heeren tot hem kwam, éénmaal en andermaal een weg tegen vlees en bloed in.
Ga henen, en Ananias ging, al heeft hij aanvankelijk zijn hoofd geschud en zich niet weinig verwonderd over zulk een vreemde opdracht.
Ga henen en Hozea gaat heen en neemt zich tot vrouw Gomer, de dochter van Diblaim en op zijn trouwdag weet hij al, dat het mis zal lopen. De Heere heeft een gewillig volk, door Hem gewillig gemaakt om Zijn weg te gaan.
Eerst werd een zoon geboren en Hozea geeft het kind een zinnebeeldige naam : Jizreel. De verschijning van deze knaap zal het volk moeten herinneren aan de bloedschulden van Jehu en de bezoeking des Heeren over dat alles.
En later wordt een dochter geboren. Het had zo mooi kunnen zijn in dat huwelijksleven, maar wellicht is het reeds voor de geboorte van deze dochter verkeerd gegaan met Gomer, de dochter van Diblaim. En ook dit kind krijgt een naam, rijk aan inhoud, Lo Ruchama : niet ontfermd. Een naam vol van dreiging voor het volk van Israël: Ik, zegt de Heere zal mij voortaan niet meer ontfermen over het huis Israël en Ik zal het zekerlijk wegvoeren. Geen barmhartigheid en geen vergeving dus.
En nog later wordt een zoon geboren : Lo Ammi, niet mijn volk. Gij zijt Mijn volk niet, zo zal Ik, zegt de Heere, uw God niet zijn (hoofdstuk 1).
In hoofdstuk 3 lezen, we weer over Hozea's persoonlijke leven. De Heere zeide tot mij : Ga wederom henen, bemin een vrouw, die bemind zijnde, haar minnaars liefheeft en overspel bedrijft. En ik kocht ze mij voor vijftien zilverlingen en anderhalve homer gerst.
Wat een tragedie ! Hozea's prediking is geen van buiten geleerd lesje. Het is door hem heen gegaan. Hij heeft het zelf in zijn eigen gezin meegemaakt. Hij heeft iets van Gods smart ervaren, iets, zeker, maar de pijn van Hozea om zijn miskende en vertrapte liefde spreekt van Gods' smart om een volk, dat Hem verlaat en Zijn liefde versmaadt. Zo is Hozea levend getuige door zijn leven van de trouw van God en de ontrouw van Israël.
Het is te begrijpen, dat deze geschiedenis heel wat pennen in beweging gebracht heeft en vele vragen heeft opgeworpen. Kunnen we ons dat van de profeet wel indenken, heeft men gevraagd. Kunt ge van een profeet die waakt over de heiligheid van het huwelijk begrijpen, dat hij en dan nog wel op uitdrukkelijk bevel des Heeren een uitgesproken slechte vrouw trouwt ? Zal hij zulk een huwelijksverbintenis niet met afkeer afwijzen ? Moeten we deze geschiedenis wel letterlijk opvatten, hebben velen gevraagd ? Vinden we, heeft men wel gezegd, niet dikwijls symbolische handelingen bij de prof; eten en gaat het wel op hier een bevel te vinden, dat in letterlijke zin door Hozea is opgevolgd ? Kan, zegt men, de liefde van Hozea wel echt zijn en zuiver, als hij weet, dat die liefde geldt een vrouw van hoererijen ? Ja, men vindt het wel ergerlijk en zedelijk aanstotelijk te menen, dat deze geschiedenis zich zo zoude hebben voltrokken. Om deze redenen hebben velen gemeend dat we in de geschiedenis van Hozea's huwelijk te doen hebben met een allegorie. Zo lezen we in de Kanttekening bij de Statenvertaling o.a. : Het volgende is niet geschied inderdaad, maar is door een gezicht in de geest, inwendiglijk bij manier van parabel of gelijkenis de profeet geopenbaard en naderhand aan het volk, als een profetisch gezicht voorgedragen. De Kanttekening verwijst daarbij naar Gen. 15 vers 1 (de verbondssluiting met Abraham), Ezechiël 4 vers 4, 8 (waar verhaald wordt, hoe de profeet Ezechiël eerst dagen aaneen op zijn linkerzijde en daarna op zijn rechterzijde moet gaan liggen ; zo zal hij hun ongerechtigheid dragen). Eveneens naar Ezechiël 11 vs. 24, 25, (het visioen over de dood van Pelatja).
Ook Calvijn is geen andere mening toegedaan. Hij wijst er op, dat Paulus van de opziener eist, dat hij een man is, die een goed bestierder van zijn huis is, iemand van een onberispelijk gezin. En dan zou de profeet een vrouw hebben, die aan een slecht leven gewend was en zich met vele mannen had afgegeven ? Het was, alsof Godseen schilderij voor de ogen van Zijn volk plaatste, waarin het zijn ware gedaante kon aanschouwen. Toen de profeet begon te leren was zijn begin aldus : De Heere heeft mij als in een schouwplaats gesteld om u te tonen, dat ik een vrouw getrouwd heb vol van hoererijen en dat ik bij haar kinderen heb ontvangen. Het gehele volk wist, dat er niets van aan was, maar de profeet heeft zo gesproken, alsof hij een geschilderd tafereel voor hun ogen uiteenzette.
De Heere heeft hem bevolen deze gelijkenis, om zo te spreken, deze parabel voor te stellen, opdat hij het volk als in levende schildering en beeld zijn schande en smaad zoude leren kennen. (Uit de vergelijking van deze, slechts ten dele aangehaalde woorden van Calvijn met de kanttekening blijkt, dat terecht dr. Schroten de stelling verdedigd heeft, dat de invloed van Calvijns theologie stellig aanwijsbaar is op de Kantteekening van de Statenvertaling) Voor het Oude Testament is de opmerking die van dr. Sevenster in : Statenvertaling en hare Kanttekeningen Ned. Arch, voor Kerkgeschiedenis, deel 29 afl. 4 ten opzichte van de evangeliën maakt: men in onze kantteekeningen eigenlijk zelden iets terugvindt, dat bepaald aan zijn d.i. Calvijns verklaringen doet denken). In deze verklaring zit volgens Calvijn niets gedwongens. Velen in vroegere en latere tijd geven dezelfde of een soortgelijke verklaring. En ontkend kan niet worden, dat vele moeilijkheden, die deze geschiedenis ons oplevert, bij deze verklaring wegvallen. Daartegenover staat, dat er in de tekst geen enkele directe aanwijzing is te vinden, die er op wijst, dat deze geschiedenis niet letterlijk is te verstaan. En groot is dan ook het aantal verklaarders, die de geschiedenis van de „verloren vrouw" in letterlijke zin hebben genomen, onder hen mannen als Augustinus en Ambrosius om van de lateren te zwijgen. En als men dan vraagt, of het geen kwaad was te huwen met een vrouw, die te slechter naam en faam bekend was, dan antwoordt men (zie b.v. Henry). Het was geen zonde als God het beval voor een heilig doel, ja, als het door de Heere bevolen werd, dan was het schuldige plicht voor de profeet. Ook antwoordt men wel, dat het immers ging om het doel, de behoudenis van een verloren ziel. We gevoelen onmiddellijk welk een gevaarlijke argumenten hier gebezigd worden.
Weer anderen, — ik laat zoveel mogelijk maar namen weg — hebben gemeend dat het wel zo geschied is, dat huwelijk van Hozea met Gomer, maar dat eerst later, als Gomer het verkeerde pad is opgegaan, voor Hozea het Goddelijk licht over zijn levensweg en over zijn huwelijksleven is opgegaan. Hij wist op de dag van zijn huwelijk niet, hoe het gaan zoude, na deze zou hij het hebben verstaan. Hij heeft een tijdlang als met verzegelde orders gereisd. Jaren na zijn trouwdag heeft Hozea verstaan, hoe zijn vrouw hem ontrouw was geworden en zijn liefde versmaadde en toen zou de Heere aan Hozea geleerd hebben, waarom hij dit alles moest meemaken. Evenmin als hij zijn vrouw kon loslaten en verstoten, kon de Heere zich van Zijn volk ontdoen. Trouwe liefde bleef, ondanks alles, wat er gebeurd was.
'k Las deze dingen in een kort verschenen boekje zo : ,,Het was wel een heel ongelukkig gezin, het gezin van Hozea. Hij was n.l. zeer ongelukkig getrouwd, want zijn vrouw hield het met andere mannen. En toen er kinderen, geboren werden, wist hij niet, of het wel zijn kinderen waren. Hozea lijdt onder dat alles. Waarom moet hem dat juist overkomen ? Alle dingen komen toch van God, dus ook dat wat hem dagelijks zo'n smart geeft. Dan schrijft hij neer dat ontzettende woord : De Heere zeide tot Hozea : Neem een ontuchtige vrouw. Maar dan doet Hozea een geweldige ontdekking. Hij gaat in zijn huwelijk een beeld zien van het volk Israël tot God."
We gevoelen, dat hier de dingen op de kop worden gezet. Hozea's levenservaring wordt een stuk Godsopenbaring. Maar het is juist andersom. Door het Woord des Heeren komt de profeet tot dit huwelijk, juist tot dit en hij weet er tevoren alles van. Het begin was zo mooi. Maar later ging het zo verkeerd. Als de Heere het volk uit Egypte opvoerde, was dat de bruidstijd van het volk. Toen ging het de Heere achterna in de woestijn. Och, er was wel eens wat, maar de moeite begon eerst recht in Kanaan, toen het volk van de Heere werd weggelokt door haar liefhebbers, de Baals. Israël afhoereerde van de Heere en verbrak het verbond. Zal de Heere nu dat volk aan zichzelf overlaten ? Dat zij verre. Hoe zoude ik U kunnen overgeven ? Wel komt de straf, maar om het volk op de rechte plaats te brengen. Gods bedoeling met dit alles is, dat het volk zal zeggen : Nu zal ik wederkeren naar mijn vorige man, want toen was mij beter dan nu. Geen moeite en geen arbeid zal de Heere te veel zijn om het volk terug te winnen. Zoals we het ook wel elders lezen wordt de verhouding van de Heere tot Zijn volk voorgesteld onder het beeld van het huwelijk. Denk aan het boek Hooglied. We denken aan het troostvolle woord van Jes. 54 vers 5, 6. Want Uw Maker is Uw man, Heere der Heirscharen is Zijn Naam. Want de Heere heeft U geroepen als een verlatene vrouw en als een bedroefde van geest. Als een vrouw der jeugd, wanneer zij versmaad werd. In een klein ogenblik heb ik U verlaten, maar met eeuwige ontfermingen zal ik U vergaderen.
Men vergelijke ook Jeremia, bij wien we dikwijls aan de profetieën van Hozea moeten denken. En zeker ook aan de Psalmen (45).
Ik kan het niet anders zien dan dat de geschiedenis van Hozea's huwelijk zich zo heeft afgespeeld als we hier lezen. Het wil mij evenwel voorkomen, dat te weinig gedacht is aan de zogenaamde proleptische opvatting. Hozea moet zich ook kinderen der hoererijen nemen. Dat wijst vooruit. Zo wijst ook de vrouw der hoererijen vooruit, naar de tijd van het huwelijk. Als Hozea dus huwt met Gomer heeft hij al lang geweten, dat hoe lief hij haar ook zoude hebben, zij hem ontrouw zoude worden. Dat is de donkere schaduw over zijn beste huwelijksdagen. En als zij hem straks ontrouw wordt, dan blijft hij getrouw. Hij mocht haar naar de wet een scheidbrief geven. Nu is het uit tussen ons twee. Het scheen het gemakkelijkste. Voor velen de al te gemakkelijke oplossing voor de moeilijkheden. Maar in zijn hart bleef de liefde tot één, die het niet waard was.
Heere, waarom verstoot gij dat volk niet, dat zo ontrouw is en zo zeer Uw gaven en liefde versmaadt ? De Heere heeft een volk lief, dat het niet waard is. Hij heeft het vrijwillig lief. En zo zal Zijn volk behouden worden. De Heere zal ze voeren in de woestijn en Hij zal de namen der Baals van haar lippen wegdoen. En Ik zal U mij ondertrouwen voor eeuwig, in gerechtigheid en gericht, in goedertierenheid èn in liefde. In de weg van bekering zal er ontferming zijn en de Heere zal doen, alsof er niets gebeurd is (ondertrouwen komt alleen voor van een jonge ongehuwde vrouw). Ik zal mij ontfermen over Lo Ruchama en Ik zal zeggen tot Lo-Ammi: Gij zijt mijn volk en dat zal zeggen : O, mijn God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 mei 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 mei 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's