Samuël, een zoon der Wet
FEUILLETON
EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA
102)
Onwillekeurig stormde Samuel naar zijn ouderlijk huis, om daar de tijding te gaan brengen, maar hij hield toch op het laatste ogenblik zich nog in, om Mandel zelf de volle vreugde te gunnen, hen te mogen verrassen. In een gevoel van schaamte ging hij zelfs niet met hem mee naar binnen; hij wou, dat Mandel en Rea het eerste gelukkige ogenblik zonder toeschouwers zouden genieten. Eerst na wat langer tijd volgde hij. De woonruimte was tot in de verste hoek éen en al jubel, dank en vrolijkheid.
Over de aanleiding tot zijn invrijheidstelling had Mandel slechts vernomen, dat er iemand anders gevat was, die door onvoorzichtige praat in een kroeg verdenking had veroorzaakt, en dat die zich ook reeds tot een gedeeltelijke bekentenis had laten brengen. In zijn eigen zaak was al die lange weken nog niets gebeurd, en misschien zou hij ook zonder een dergelijke samenloop van omstandigheden nog oneindig lang hebben moeten wachten.
Verscheiden dagen verliepen zonder dat Jossele terugkwam. Mandel en Rea namen de meer kostbare stukken van zijn huisraad in hun eigen woning onder hun toezicht, omdat de hut van Jossele niet goed op slot kon worden gedaan. Alleen : de houten kruik met haar verschrikkelijke geschiedenis onder haar dak op te nemen —, daar was Rea niet voor te vinden. Die moest dan maar zichzelf door het gevaar heenslaan.
Men begon nu wat ongerust te worden. Samuël werd door de jonge echtgenoten nóg eens en nóg eens ondervraagd naar wat de buurman bij het afscheid nemen had gezegd. Hij en Rea, die hem beide het laatst hadden gezien, riepen ook zijn hele verdere gedrag in hun herinnering terug. Zij kregen langzamerhand de gedachte, dat misschien de „man met de kruik" degene was, wiens inhechtenisneming Mandel had vrijgemaakt. Alle verdere omstandigheden maakten dat waarschijnlijk. En toen zij er nog verder over nadachten, hoe hij ten aanzien van zijn zaken allerlei beschikkingen had getroffen, werd het voor hen tot zekerheid, dat hij zich vrijwillig had opgeofferd.
Aan zijn schuld te geloven, dat was volkomen onmogelijk. Hij moest met opzet zichzelf die schuld hebben laten aanwrijven.
Wat was het, dat hem daartoe gedreven had?
Mandel vermoedde het, en Rea begreep het. Het was hartstochtelijke dankbaarheid, die hem door al zijn aderen vervulde, en toch kwam er nog weer een vonkje van het oude onbehagelijke gevoel van jaloersheid in Mandel op tegen de man, op wie zijn vrouw zo'n indruk had gemaakt. Een nevengedachte, waar hij niets tegen vermocht en die tot zijn eigen afschuw bij hem boven kwam, zei zelfs te midden van zijn grote bewondering en wederliefde, dat het toch niet kwaad was dat de man, die voor Rea en hem — maar natuurlijk in hoofdzaak voor Rea ! — dat doen kon, maar wat ver van hen af was !
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's