Het geloof der eenvoudigen
Theologie is naar het schijnt een monopolie der theologen. Op zich zelf verklaarbaar wijst dit toch op een crisis-toestand, welke doet denken aan de z.g. vóór-reformatorische tijd. (Intussen ongeveer een paar eeuwen). Het crisisverschijnsel openbaart zich vooral daarin, dat de theologie zo ver verwijderd raakt van het geloof der gemeente, het algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof. Daaraan gaat ook een toestand van verwarring gepaard vanwege de veelheid van meningen en beschouwingen, die bovendien de belangstelling der gemeente niet hebben.
Calvijn had daarvoor een open oog en laat niet na er op te wijzen, dat eenvoudige en ongeleerde gemeenteleden veeltijds een klaarder besef aangaande de geestelijke dingen hebben dan de geleerde theologen. Een reden te meer, waarom hij vrijmoedig een presbyteriale kerkorde kan voorstaan. Ook in onze tijd heeft men het „lekenelement" meer op de voorgrond willen brengen, veelal om deskundigheid op een of ander terrein. Dat kan zijn nut hebben, maar bij Calvijn ging het in de eerste plaats om het leven der kerk. Het geloof der eenvoudigen staat minder op de voorgrond, wordt niet zelden als piëtisme achtergesteld of verouderd geacht, en dat ondanks het feit, dat het volk te hoop loopt, waar een prediking wordt beluisterd, die recht doet aan het leven der gemeente.
Wij ontkennen niét, dat de z.g. „bevindelijke" prediking de tucht des Woords uit het oog kan verliezen, een ongepast gebruik kan maken van een veeltijds geliefde allegorese, (waartegen Calvijn zich reeds krachtig heeft verzet) ja zich zelfs tot vrijheden laat verleiden, die met een Schriftuurlijke prediking onverenigbaar zijn om het maar heel zacht te zeggen. Dit kan tot excessen leiden, welke in een gezond kerkelijk leven naar gereformeerde stijl ontoelaatbaar zouden zijn. Men houde zulk een prediking dan ook niet in overeenstemming met de regel des geloofs. Anderzijds verwerpe men een gezonde aan de Heilige Schrift gemeten bevinding niet om dergelijke excessen. De prediker, die zijn pastorale taak in de prediking wel verstaat, zal niet nalaten op het levend geloof de nadruk te leggen, de persoonlijke beleving niet uit het oog verliezen, maar tevens bedenken, dat de tucht des Woords niet mag ontbreken.
Komen wij hier volgens sommigen in de buurt van het piëtisme, — een eenzijdigheid, welke als zodanig reeds veroordeeld is, — er is ook een Christelijke piëteit (vroomheid), welke haar rechten opeist. Een levend geloof gaat samen met oprechte Godsvrucht en levensstijl en deze kenmerken zich door de gezindheid en de bereidheid om zich te onderwerpen aan en te laten leiden door de tucht des Woords.
Dat nu, is een kenmerk van het leven der kerk en een prediking, welke daaraan voorbij gaat, kan er niet op rekenen de belangstelling der gemeente gaande te houden. Dit kan ook niet worden verkregen door theologische speculaties of liturgische experimenten. Sommige mogen om welke redenen dan ook daarin enige bevrediging vinden, maar de ervaring leert, dat de gemeente vergaderd wordt onder de prediking des Evangelies als een kracht Gods tot zaligheid en onderwezen wil worden in het leven des geloofs.
Wij horen reeds de opmerking, dat dit weliswaar zo is, maar dat de ervaring ook leert, hoe er predikers zijn, wier predikatie toch wel van een verenging getuigt, die zelfs armelijk aandoet. Hun leer komt weinig verder dan enkele van de eerste vragen van de Catechismus, terwijl een belangrijk stuk der belijdenis onaangeroerd blijft. Wij spreken zulks niet tegen en betreuren het feit.
Juist daarin ligt een argument om ten stelligste aan te dringen op een regelmatige prediking van de Catechismus. Dat zelfs mag ontoereikend worden geacht om de gemeente in alle stukken, des geloofs in te leiden, indien de predikant zich daaromtrent weinig laat gelegen liggen en die niet behandelt. Hij zal daartoe studie hebben te maken van de dogmatiek en de gemeente doen delen in de vrucht daarvan. Wij ontveinzen ons niét, dat — de goede niet te na gesproken — de practijk nog al wat te wensen overlaat. Dat heeft nog een ander nadelig gevolg voor de gewone prediking, hetwelk zelfs bedenkelijk is. Immers ook deze zou rijker worden onder de invloed van een gewenste Catechismusprediking, terwijl zij thans niet zelden lijdt aan de genoemde armoede der eenzijdigheid.
Dit alles doet een beroep op de predikanten en dit moge te meer klem ontvangen als wij opmerken, wat ons zo even het woord bedenkelijk ontlokte. Voor eerst de verenging van de werkingssfeer des geloofs in de gemeente en daarbuiten. Dan het wegzinken van de rijkdom der gereformeerde theologie in haar oorspronkelijke kracht. En dit heeft weer tengevolge, dat men vaak meer op gevoelens, die desniettemin wel zuiver kunnen zijn, drijft dan met weloverwogen argumenten tegenover de vragen van de dag staat.
Het leven der gemeente, ook der eenvoudigen, kan zoveel rijker zijn en licht verspreiden. En als wij degenen, die dat voorbij zien, wijzen op de waarde en de betekenis van dat leven, mogen wij niet nalaten, degenen die daarvoor oog hebben, op te wekken om hun arbeid er op te richten, dat de gemeente daarin wordt onderwezen. Het mag wel eens onderstreept, dat aan de herdersstaf ook het leraarschap is verbonden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's