De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Belijdeniskramp en belijdenisvrees

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Belijdeniskramp en belijdenisvrees

4 minuten leestijd

Onder de titel: De richtingen en een nieuwe kerkorde, schrijft dr. Dokter in „In de Waagschaal" van 7 Mei j.l. over twee geprononceerde richtingen, die van belijdenisvrees en belijdeniskramp.

De schrijver acht belijdeniskramp gerechtvaardigd en noodzakelijk voorzover hij is een onverzettelijk vasthouden aan het elementaire Bijbelse getuigenis, tegenover belijdenisvrees, die dit wil afwijzen.

Maar zo schrijft hij verder — de belijdeniskramp wordt inderdaad een ziekteverschijnsel als de beduchtheid voor afglijden en verwateren zich vastklemt aan menselijke gegevenheden : b.v. een bepaalde levensstijl, een bepaalde in richting van de kerkdienst, een bepaalde terminologie, een bepaalde vroomheid, die meer op traditie, berusten dan op het Schriftgetuigenis.

Zakelijk is het niet onduidelijk, wat de schrijver wil zeggen, al achten wij de uitdrukkingen belijdeniskramp en vrees niet gelukkig. Kramp is een ziekelijke saamtrekking van spieren. Kerkelijk zijn wij verre verwijderd van een toestand, die men belijdeniskramp zou kunnen noemen. Dan toch zou men allereerst een kerkelijk leven moeten hebben, waarin de belijdenis normaal functioneert en eerst dan, wanneer die normale functionering zou overgaan in overdreven en misplaatst confessionalisme, zou het beeld passen.

Wie het opkomen voor de erkenning der belijdenis reeds een kramp wil noemen, vergelijkt het normale bij een ziekelijke overspanning, of acht zulk een erkennig niet meer normaal.

Daarom blijven wij het standpunt verdedigen dat de erkenning van de belijdenis als de belijdenis der kerk en als het draagvlak des geloofs voor al haar handelingen, het enig juiste uitgangspunt voor het kerkelijk denken is en door allen, die aan de sanering van het kerkelijk leven willen medewerken, behoort te worden aanvaard.

Ook het woord belijdenisvrees is o.i. niet geheel op zijn plaats. De hier bedoelde vrees gaat niet tegen de belijdenis, maar men is beducht voor de — overigens volkomen rechtmatige — binding aan de belijdenis.

De twee standpunten, die met kramp en vrees worden aangeduid, verschillen van elkander als kerkelijk en niet-kerkelijk. Kerkelijk denken, kerkelijke theologie, kerkelijk handelen, het wijst uitteraard steeds op binding. Binding aan de Christus der Schriften, binding aan Zijn Woord, gelijk dat door de apostelen en profeten ons is overgeleverd, binding aan alles, wat Christus geboden heeft. De kerk nu belijdt in haar confessie, hoe zij door de Geest van Christus is geleid in alles wat Hij gezegd heeft. Geen enkele openbaring der kerk ontkomt daar aan, omdat Christus bevolen heeft, dat zij Zijn geboden zal onderhouden en leren onderhouden.

De aard dier binding wordt dan ook geheel en al bepaald door de belijdenis aangaande de Heilige Schrift. Ondanks de afwijkingen en bijkomende gezagsverhoudingen van traditie en hiërarchie, geldt van de kerk in haar veelvuldige openbaring in het algemeen, dat zij het goddelijk gezag der Heilige Schrift belijdt, alzo geleerd door Christus en door de apostelen voorgegaan. Zeer bijzonder en met een beroep op het getuigenis van de Heilige Geest, geldt dat van de reformatie en van de gereformeerde kerk hier te lande.

Daarom stelt haar belijdenis een dilemma : kerkelijk of niet kerkelijk. Een middenweg is hier niet.

Dr. D. gevoelt dit klaarblijkelijk, als hij zegt, dat een middengroep niet aan te wijzen is.

„Wij behoren allen tot een van de beide richtingen, of beurtelings tot een van beide", meent hij.

,,Er ligt iets vertroostends in, dat wij allen zondaren zijn", voegt hij er aan toe. Hij bedoelt wellicht de kerkelijke zonde van een richting aan te hangen, tegenover het „Farizeïsme van richtings-smetten vrij te zijn".

Naar zijn mening heeft het Ontwerp de „verdienste", dat het noch de belijdenisvrees, noch de belijdeniskramp in de hand werkt.

Indien naar des schrijvers oordeel belijdeniskramp gerechtvaardigd en zelfs noodzakelijk is, voorzover het gaat om ,,een onverzettelijk vasthouden aan het elementaire Bijbels getuigenis", waaronder hij verstaat: vleeswording en drieëenheid, plaatsvervangend lijden en sterven, uitverkiezing, dan moet die „verdienste" van het Ontwerp toch op een ongerechtvaardigd te kort wijzen en wordt die ,,verdienste" zeer twijfelachtig. Het niet in de hand werken van zulk een noodzakelijke „kramp" vraagt dan om noodzakelijke wijziging van het Ontwerp en noodzakelijke binding aan de belijdenis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Belijdeniskramp en belijdenisvrees

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's