De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Een moeilijke vraag en een wondervol antwoord

6 minuten leestijd

Jeremia III vers 19. Ik zeide wel: Hoe zal Ik u onder de kinderen zetten en u geven het gewenste land, de sierlijke erfenis van de heirscharen der heidenen ? Maar Ik zeide: Gij zult tot Mij roepen : Mijn Vader!; en gij zult van achter Mij niet afkeren.

Dat is een moeilijke vraag, want het betreft een onmogelijke zaak, dat de Heere Juda weer aanneemt, dat Hij het weer onder de kinderen zet, dat Hij die afgekeerde kinderen weer aanneemt als Zijn kinderen en hen te midden van Zijn kinderen weer opneemt.

Het is een moeilijke vraag, want het betreft een onmogelijke zaak, zouden wij zo zeggen, dat de Heere aan dat afkerig volk dat land Kanaan, dat rijk van Juda, wederom teruggeeft.

Eenmaal heeft Hij het hun gegeven als een sierlijke erfenis van de heirscharen der heidenen. Die heidenen bewoonden eenmaal dat Jand, overvloeiende van melk en honing. Maar de Heere verdreef hen uit de bezitting en dat kostelijke, dat zeer gewenste land, schonk Hij aan Zijn volk als een sierlijke erfenis.

Maar zij hebben de Gever, zij hebben God verlaten.

Kan Hij dan aan Juda, dat daar op de groene hoogten de afgoden heeft aangebeden, dat daar zo trouwelooslijk handelde, dat daar zal heengevoerd worden in ballingschap, dat eenmaal gewenste land wel teruggeven ?

Neen, dat kan Hij niet, zouden wij zo geneigd zijn te zeggen. Daarvoor is de Heere te heilig, te rechtvaardig en daarvoor zijn Juda's zonden te groot en te gruwelijk.

Hoe zal Ik u onder de kinderen zetten ? Ik, die heihge God, die zoveel geduld gehad heb, die het kwaad niet aanschouwen kan, tegen Wie gij zo overtreden hebt, die zoveel weldaden en goedertierenheden u bewees, van Wie gij u zo afgekeerd hebt, hoe zal Ik u, die trouwelooslijk tegen Mij gehandeld hebt, die het land ontheiligd hebt, die overspel bedreven hebt met hout en steen, hoe zal Ik u onder de kinderen zetten ?

En toch, wat onmogelijk is bij de mensen, is mogelijk bij God, want de Heere zelf zal op die moeilijke vraag een wondervol antwoord geven : maar Ik zeide : Gij zult tot Mij roepen : Mijn Vader ! en gij zult van achter Mij niet afkeren.

God de Heere zal het hart van het verbannen volk bewerken door Zijn Geest, dat zij tot Hem gaan roepen : „Mijn Vader !", en dan zal Hij ze uit genade weer aannemen en Hij zal ze weer zetten onder de kinderen en Hij zal het dan door Zijn Geest ook zo maken, dat ze van achter Hem niet meer afkeren.

Daar in Babel zal de profetie in vervulling gaan : „Er is een stem gehoord op de hoge plaatsen, een geween en smekingen der kinderen Israels, omdat zij hun weg verkeerd en de Heere, hun God, vergeten hebben".

Daar in Babel zal dat volk krijgen kennis van zonde en ellende; gaan verstaan hoe groot die zijn. Daar zal het gaan inzien dat de schaamte de arbeid hunner vaderen heeft opgegeten : daar zal hun schande hen overdekken : want wij hebben tegen de Heere, onze God, gezondigd.

Maar dan — dan zullen zij nog eens weder 'sHeeren genadestem verstaan mogen: ,,Keert weder, gij afkerige kinderen !"

Dan zal het antwoorden : „Zie, hier zijn wij. wij komen tot U, want Gij zijt de Heere onze God !", en belijden zal het: „waarlijk, tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen ; waarlijk, in de Heere onze God is Israels heil".

Ziet, zo maakt. God een onmogelijke zaak mogelijk en zo geeft Hij op die moeilijke vraag zelf het wondervol antwoord.

„Hoe zal Ik u onder de kinderen zetten ? " Dat is een moeilijke, een niet te beantwoorden vraag, wanneer wij nu in de plaats van Juda ons zelf eens stellen.

Een moeilijke vraag ten opzichte van de Heere. Hoe zal die Heilige, voor Wiens heiligheid de Serafs hun aangezicht bedekken moeten, die een ontoegankelijk licht bewoont, die een ijverig God is en een wreker aan Zijn wederpartijders, die de schuldige geenszins onschuldig houdt, hoe zal die Heilige u onder de kinderen zetten ?

Een moeilijke vraag ten opzichte van u. Zal en kan God u onder de kinderen zetten ? Zult gij aangenomen kunnen worden, is er dan nog verlossing mogelijk, gij, die geweigerd hebt u te bekeren, gij, die geslagen zijt, maar geen pijn hebt gevoeld, gij, die uw aangezicht harder hebt gemaakt dan een steenrots, gij, die Hem de nek hebt toegekeerd, alhoewel Hij u kende ?

Hoe zal Hij u onder de kinderen zetten, die Hem gediend hebt met de lippen, maar uw hart verre van Hem hield, die niet gewild hebt dat Hij Koning over u zou zijn ? Gij, die zo open­ lijk, zo vermetel, zo hardnekkig Zijn geboden overtreden hebt, gij, die u zo schrikkelijk hebt overgegeven aan losbandigheid, aan moedwillige goddeloosheid, gij, die denkt God te dienen en de Mammon daarbij, gij, die de hemel wilt erven, maar de wereld niet sterven ?

Zegt eens, weet gij een antwoord op die vraag ?

„Maar Ik zeide : Gij zult tot Mij roepen : Mijn Vader !, en gij zult van achter Mij niet afkeren".

Dat is het wondervolle antwoord. Het is van God zelf en dus een volmaakt antwoord. Als de Almacht gesproken heeft, dan zal de genade zich openbaren. God zelf zal zondaren stellen onder Zijn kinderen, niemand dan Hij kan dat doen. En dan zal Hij die zondaren eerst geven die nieuwe, die recht kinderlijke Geest, die zich openbaart door een nieuwe uitroep, waarmede zij tot Hem roepen : Mijn Vader !

Het is van Hem, dat diegenen, die Hij onder Zijn kinderen stellen wil, ontvangen de Geest der aanneming tot kinderen, door welke zij roepen : Abba, Vader! Dan getuigt diezelfde Geest met de geest van al diegenen ten opzichte van wie Hij dat wondervolle antwoord gesproken heeft, dat zij kinderen Gods zijn.

Als de Heere eerst de Geest heeft gegeven, door welke zij tot Hem gaan roepen : Mijn Vader !, dan verzekert Hij ook door die Geest van het eeuwige leven, dan geeft Hij het gewenste land en de sierlijke erfenis.

Maar dan ook maakt Hij hen door die Geest van harte gewillig en bereid om Hem voortaan te leven.

God de Heere schept nieuwe banden, waarmede Hij degenen, die Hij heeft doen roepen : Mijn Vader, aan zich verbindt; banden van dankbaarheid, van een zich stellen in de dienst des Heeren, banden van navolging, van een gaan willen in de weg Zijner getuigenissen, van een zichzelf Gode opofferen tot een levend dankoffer.

Aldus heeft de wijsheid van de God aller genade door wedergeboorte en aanneming tot kinderen de moeilijke vraag wondervol beantwoord.

Ook voor u ? Dan, ja, dan is het waarlijk Pinksterfeest geweest en zal het Pinksteren blijven. Want die Geest is u van de Vader gegeven, opdat Hij u door het geloof de aanneming van al de weldaden, die Jezus Christus verwierf, deelachtig maakt, u troost en eeuwig bij u blijft!

Vraag, smeek, ja, bid de Heere om het ontdekkend licht van die Geest, die alleen u zal doen zien wie Hij is, wie gij zijt, en roep dan in die droefheid tot Hem.

Dan zal de Heere een antwoord geven en u tot Hem doen roepen : Mijn Vader ! en gij zult van achter Hem niet afkeren.

(Hierden)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's