MEDITATIE
De roep van de Bruidskerk: „Maranatha!”
De Geest en de Bruid zeggen : Kom ! Openbaring 22 vers 17a.
Het laatste hoogtijfeest van het kerkelijk jaar, het Pinksterfeest, is weer gevierd. Wij hebben nu geen feestdagen meer, tot wij de zachte voorspelaccoorden van het Kerstfeest horen. De feesten van het lopend kerkelijk jaar behoren weer tot het verleden.
Nu is het wel waar, dat, voor wie waarlijk Pinksterfeest gevierd heeft, het feit van de uitstorting van de Heilige Geest niet ophoudt aan de avond van de 2de Pinksterdag, want ze werden allen vervuld van de Heilige Geest. God doet geen half werk. De Geest blijft op hen. Maar toch zal het voorbijgaan van Pinksterfeest ook de ware Pinksterfeestvierder met droefheid vervullen. Want het heengaan en aaneenrijgen van feestdagen en kerkelijke jaren getuigt van het „ten dele" der Kerk, van het onvolmaakte, het tijdelijke, ja, getuigt ons van zonde en ongeloof en twijfel, dat het nodig is, dat de Heere ons telkens weer aan de onwrikbaarheid en vastheid van Zijn genade moet komen herinneren.
Maar dat het heden ook weer tot het verleden zal behoren, in die ontwikkeling naar het einde, ligt voor de Kerk toch ook weer een grote troost, dat dit „ten dele" ook tot het verleden zal behoren, in de plaats waarvan dan zijn zal het „ten volle", het volmaakte, het eeuwig durende gelukzalige, n.l. wanneer Christus komen zal om al het tijdelijke en onvolkomene te vervullen en te volmaken.
Het werk van de Heilige Geest is toch niet anders dan de Kerk des Heeren in Christus te troosten. Daarom wijst ons Pinksterfeest als het feest van de Heilige Geest, ons heen naar Christus en is er in het bijzonder op dat feest een zuchten om van al het tijdelijk onvolkomene verlost en in Christus volkomen te worden. Ziende op de van Christus ontvangen belofte : „Zie, Ik kom haastelijk en mijn loon is met Mij", laat de Engel het de apostel Johannes in Openb. 22 vers 17 neerschrijven: „En de Geest en de Bruid zeggen : Kom !" Daar vinden we dus het zuchten van de Heilige Geest en de Bruidskerk naar het einde, dat Christus zijn gegeven belofte zal komen vervullen.
Dat zuchten naar de komst van Christus wordt in onze dagen zo weinig gevonden. O, zeker, er wordt nog wel gesproken over het laatste der dagen, met het oog op de tekenen der tijden als oorlogen en geruchten van oorlogen. Maar dat is geen leven uit de belofte van Christus' komst. Men ziet het meer als een oordeel, dan als een troost. En ja, waarlijk, 't zal voor zeer velen van ons ook een oordeel zijn. De belofte maken we tot een oordeel door onze hardigheid des harten.
Want hoe weinig horen we de Bruidsroep : Maranatha, Heere Jezus, kom ! Ja zeker, om naar de komst van de Heere te bidden, is bijzondere stervensgenade nodig. Maar ook de apostel had diezelfde genade nodig en ook hij kon en mocht toch uitroepen : Kom ! Maar de Kerk des Heeren is in onze tijd zo weinig geestelijk. Ze is wereldsgezind en wereldgelijkvormig. Daardoor wordt haar gebed, haar Bruidsroep om de komst van de Heere Jezus verhinderd. Daarom ziet ze in de komst van Christus meer oordeel, dan troost. Och, mocht er in de harten van de kinderen Gods in deze sprekende, veelbewogen tijd, temidden van het roepen der volkeren om de antichrist, toch meer gevonden worden het roepen en het begeren van Johannes : Kom, Heere Jezus !
Moge er in ons aller hart meer werkzaamheid zijn aan de troon der genade, of de Geest des Heeren nog wil spreken tot de dorre doodsbeenderen, dat er roering des harten mag ontstaan, dat er een grote schare in deze wereld gevonden mag worden, die samen met de Geest leert zuchten naar het einde, in het besef, dat het uitnemendste van de dingen der wereld is moeite en verdriet.
Johannes toont ons aan, dat 't tot het wezen van de levende Kerk behoort, dat ze is een roepende, een naar het einde zuchtende Kerk. Want de ware Kerk is uit de Geest geboren. En die Geest is het, die haar leert bidden om de komst. Want ook de Geest zélf ziet uit naar dat einde. Want ook de Geest zélf zegt: Kom ! Daarom zal ook de Kerk, die de zalving en uitstorting des Heiligen Geestes ontvangt, het ook leren zeggen : Kom!
Men heeft gevraagd hoe dat kan, dat de Heilige Geest als derde Persoon van het Drieenig Goddelijk Wezen, eenswezens met Vader en Zoon, nu kan verlangen naar en bidden om de komst van de Zoon. Wordt de Heilige Geest zo niet verlaagd tot en op één lijn gesteld met een gewoon zwak menselijk wezen ? Schijnbaar wel, maar in werkelijkheid toch niet. Want wat is het werk van de Heilige Geest ? Ja zeker, om zondaren te wederbaren en om de gemeente Gods te troosten ! Maar, is dat het eerste doel ? Neen. Het grote doel van de Heilige Geest is om de gemeenschap tussen God en de gevallen zondaar, dat voorwerpelijk in Christus hersteld is, nu ook onderwerpelijk, bevindelijk toe te passen aan de verkoren en geroepen Bruidskerk van Jezus Christus, niet alleen om die Bruidskerk zalig te maken, maar óók en bovenal om een Drieënig God in Christus te verheerlijken. „Hij zal Mij verheerlijken, en Hij zal het uit Mij nemen, en het u verkondigen", zo zegt Christus zelf van de Heilige Geest.
Dat is dus het werk van de derde Persoon en daar legt Hij zich a.h.w. op toe om dat Borgtochtelijk werk van Christus aan de harten van de duurgekochte gemeente toe te passen, opdat zij Hem zouden verheerlijken.
De wederherstelling van de gemeente Gods tot lof des Heeren, dat is het eerste en grote doel van de Heilige Geest.
En waarom verlangt de Geest nu naar het einde ? Wel, omdat met de komst van Christus de laatste hand gelegd zal worden aan het Godsgebouw. Dan zullen al Gods kinderen het werk van Christus aan hun harten ervaren hebben. Dan zal de laatste uitverkorene toegebracht zijn. Dan zal de zonde teniet gedaan en de duivel en de vijanden Gods in de hel geworpen zijn. Want zolang Christus niet komt, zal de zonde nog heersen, ook in de kinderen Gods hier op aarde. Maar als het laatste Maranatha, Jezus komt, weerklinkt, dan gaat het oude, zondige, „ten dele" voorbij. Hij maakt alle dingen nieuw. En dan komt God volkomen aan Zijn eer. Dan zal God zijn alles in allen !
En omdat dat nu het hoogste begeren van de Geest Gods is, daarom roept Hij : „Kom, ja kom haastelijk tot Uw eer en heerlijkheid, o blinkende Morgenster !"
De Geest zegt: Kom ! Daarom zegt ook de Kerk, die de zalving en uitstorting des Geestes ontvangen heeft: Kom !
Neen, de Bruid zegt dat niet uit haar zelf. Zij is een afvallige Bruid, die telkens haar boeleerders naloopt. Zij is niet in staat om van haar zelf ook maar een ogenblik de ogen te richten op de Heere. Ook zij zou eeuwig in haar hoererij omgekomen zijn en nog omkomen, als de Geest haar niet levend gemaakt had en haar telkens weer met Zijn genade verlevendigt. Uit genade mag ze „bruid" genaamd worden. En wat moet ze het telkens weer uitroepen : „O, onverdiende zaligheên !" En er leeft een hartelijk begeren in haar om haar leven volkomen te stellen in de dienst van Hem, die haar heeft opgezocht in haar diepe val en haar getrokken heeft uit de duisternis, tot het wonderbaar licht van Zijn genade. Ze wil leven tot eer en verheerlijking van Gods grote Naam.
En waarom leeft bij haar nu dat roepen om en begeren naar de komst van Christus ? Omdat zij met dat bovengenoemd voorgestelde doel voor ogen, telkens weer ervaren moet het „ten dele" van deze aardse bedeling, ja, ook ervaren moet van het „ten dele" van haar lust en ijver voor de dienst des Heeren. Ze wordt bitter teleurgesteld in haar goede voornemen. Zo vindt ze dan deze wet in haar gemoed : als ze het goede wil doen, ligt het kwade haar nabij. Over haar inklevende ongerechtigheid krijgt ze bittere smart en schreit ze hete tranen. En ze moet het van haar zelve bekennen : Nog steeds ongeschikt tot enig goed en geneigd tot alle kwaad.
De wereld en de godsdienstige mens bekennen dat ook . . . . . . en ze kunnen er het leven nog bij behouden.
Maar de bruid komt met deze bekentenis tot schuldbelijdenis. En omdat de Geest voor haar bidt met onuitsprekelijke zuchtingen, dat haar geloof niet zal ophouden, mag de bruid met haar schuldbelijdenis komen voor de Heere, haar gerechtigheid, haar Borg en Zaligmaker, Wiens eigendom zij zich weet door de koopsom van Zijn dierbaar bloed, en mag het stamelend tot Hem zeggen : Heere, dat grote doel om U te verheerlijken, om mijn leven volkomen in Uw dienst te stellen, kan ik hier nooit bereiken vanwege mijn boze geneigdheid des harten. Daarom, Heere Jezus, kom Gij maar, kom Gij mij halen uit deze bedeling. Verheerlijk Gij uzelf door mij van hier te halen. Want als Gij komt, dan vernietigt Gij Uw vijanden. Want Uw vijanden, de zonde, wereld en eigen vlees, dat zijn mijn vrienden. En wanneer ik niets meer heb, dan heb ik alles, dan heb ik Jezus, en Jezus alléén. Dan zal het zijn : Wien heb ik nevens U in de hemel ? Nevens U lust mij ook niets op aarde!
Daarom zegt de Bruid, door de Geest geleerd : Heere Jezus, kom haastelijk!
En dan mag de Bruid óók zeggen : Heere Jezus, Kom !, als ze ziet op de voorgestelde heerlijkheid en zaligheid die haar wacht. Dit op de tweede plaats. Boven alles weegt haar de ere Gods. Die weegt haar zwaarder dan eigen zaligheid of rampzahgheid. Maar als ze dit weten mag, dat Christus voor haar aan de ere Gods betaald heeft, en dat de Heere door haar zaligheid niet tekort komt, dan mag ze ook zien op haar eigen behouden toekomst.
En waar ze in deze wereld haar ondergang en rampzaligheid ziet, en waar haar onsterfelijke ziel haar kostbaar geworden is, mag ze met het oog daarop ook uitroepen : Kom, Heere Jezus, haal mij uit dit aardse jammerdal, opdat ik eeuwig bij U zal wonen.
O, zalig, om het met de Geest te mogen uitroepen : Kom ! Want God zal Zijn waarheid nimmer krenken, maar eeuwig Zijn verbond en Zijn beloften gedenken. Ook déze belofte, dat Christus het in het 20ste vers aan de roepende Geest en Bruid belooft: Ja, Ik kom haastelijk. Amen. Amen, d.w.z. het zal waar en zeker zijn.
Daarom, lezer, omdat de beloften Gods zo zeker zijn, hebt ook gij het door, en met de Geest reeds leren roepen : „Kom !" ? Hij komt, Hij komt om d' aard te richten. Hoe zal Hij ons dan vinden, levend in het midden dezer wereld, onbekommerd om Gods eer en eigen ziele zaligheid, of als vrucht van het Pinkstervuur in aanbidding neergebogen en het oog geslagen op Hem, die komt op de wolken des hemels, om al Zijn kinderen te leiden in volmaakte zaligheid in de aanbidding van een Drieënig God ?
Maar diezelfde Heere zal komen om al Zijn vijanden te werpen in buitenste duisternis. Waakt dan, want gij weet niet in welke ure Hij komt. Dat wij Hem op Pinksterfeest toch hebben leren verbeiden. Dan moge we zingen:
Maar (blij vooruitzicht dat mij streelt!) Ik zal ontwaakt. Uw lof ontvouwen. U in gerechtigheid aanschouwen. Verzadigd met Uw godd'lijk beeld.
Maranatha — Jezus komt!
(Genemuiden)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's