De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het Ontwerp Kerkorde

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het Ontwerp Kerkorde

12 minuten leestijd

Op de jaarvergadering werd mededeling gedaan omtrent de arbeid van de studie-commissie in verband met het ontwerp kerkorde. De studie-commissie heeft zich met een grote commissie van advies uitgebreid. Met het oog op de vergadering der Generale Synode in de maand Juli, heeft het Hoofdbestuur gemeend, dat het goed zou zijn de Synode tijdig in kennis te stellen met de voornaamste bezwaren. Maandag 31 Mei j.l. werd de volgende brief met bijlage aan de Generale Synode verzonden. Een en ander wordt in ons orgaan opgenomen overeenkomstig de wens op bovengenoemde jaarvergadering te kennen gegeven. De studie-commissie gaat inmiddels voort met haar arbeid, waarover t.z.t. nader.

Hoogeerwaarde Heren, Leden van de Generale Synode der Ned. Hervormde Kerk.

Ook de Gereformeerde Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Ned. Herv. (Gereformeerde) Kerk heeft gevolg gegeven aan uw verzoek om het Ontwerp voor een Kerkorde, opgesteld door de door u benoemde Commissie, te bestuderen.

In overleg met zijn Advies-Commissie inzake Synode-voorstellen, bestaande uit de predikanten : J. Vermaas te Amersfoort, P. Bouw te Woudenberg, L. Kievit te Putten, J. de Lange te Nunspeet en H. N. van Hensbergen te Schalkwijk, heeft hij een Studie-Commissie voor de Kerkorde gevormd. Deze Commissie heeft in samenwerking met het Hoofdbestuur en de Advies-Commissie het Ontwerp ernstig bestudeerd en getoetst aan de Heilige Schrift en de belijdenis. Tenslotte heeft hij een rapport met conclusie opgemaakt, hetwelk hij u bij deze aanbiedt.

De conclusie luidt: Dit Ontwerp voor een Kerkorde is in deze vorm onaanvaardbaar.

Hierbij gaan de vele redenen, die ondergetekenden tot deze conclusie moesten brengen. Tevens treft de Synode hierbij aan voorstellen over verschillende belangrijke delen van het Ontwerp, waarvan inzenders hopen, dat zij verwerkt zullen worden in het voorstel Kerkorde, opdat deze zij naar de Hei'lige Schrift in overeenstemming met de belijdenis.

Ondergetekenden hopen u weldra over andere delen van het Ontwerp ook hun bezwaren, met name inzake „Apostolaat" en „Beheer", te formuleren en hun advies u toe te zenden.

Ter uwer oriëntering zij medegedeeld, dat behalve het Hoofdbestuur en genoemde Advies-Commissie, o.a. de navolgende predikanten, als commissieleden, aan bijgaand rapport hebben medegewerkt:

J. Hovius te Hogeveen ; N. Kleermaker te Genemuiden ; L. Blok te Kampen ; C. van der Wal te Daarle ; L. Brasser te Rijssen, ; G. Willemsen te Hierden ; K. J. van den Berg te Garderen ; A. P. v. d. Kooij te Nijkerk; I. Schipper te Voorthuizen ; J. C. Terlouw te Otterlo : A. Vroegindeweij te Veenendaal; J. van de Velden te Hilversum; W. Vroegindeweij te Huizen ; A. Luteijn te Loenen aan de Vecht; J. G. Abbringh te Benschop ; A. J. Timmer te Polsbroek; G. J. Koolhaas te Lopikerkapel ; J. van de Haar te Neder-Langbroek; J. van de Heuvel te Schoonhoven ; T. H. Oostenbrug te Vlaardingen ; L. Vroegindeweij te Waddinxveen ; H. Goedhart te Reeuwijk; H. Jonker te Bodegraven ; M. J. ten Bruggencate te Zegveld ; M. Ottevanger te Leiden ; L. Trouwborst te Monster ; J. C. W. Kruishoop te Rotterdam ; G. Spilt te Klaaswaal; J. Vermaas te Dirksland ; W. L. Tukker te Bleskensgraaf ; Ph. J. Vreugdenhil te Gorinchem; W. de Bruijn te Lexmond ; C. van Dop te Ameide; J. Enkelaar te Leerdam ; F. J. Sinke te Stavenisse ; B. G. A. van de Wiel te Tholen ; H. Harkema te Wijk bij Heusden ; J. W. de Bruijn te Sprang ; W. Anker te Heusden ; H. A. van Slooten te Haaften ; P. M. van Galen te Brakel; A. Klein Kranenburg te Bruchem.

Gezien de ontvangst van onze voorlopige bezwaren in sommige streekvergaderingen van kerkeraadsleden, door ons belegd, en gelet op de samenstelling van de Commissie, die tot dit rapport kwam, mag aangenomen worden, dat honderden predikanten en kerkeraden genegen zijn, desgevraagd, adhaesie te betuigen met deze conclusie en de inhoud van het rapport.

Inmiddels met verschuldigde hoogachting. Namens het Hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond, Namens de Advies-Commissie,

Artikel 1.

Allereerst gaan onze bezwaren tegen de zinsnede : „overeenkomstig haar belijdenis openbaring van de ene heilige, algemene. Christelijke Kerk".

Dit is een beschrijving van het karakter der Kerk en behoort niet in een Kerkorde, maar in de belijdenis thuis. Een Kerkorde behoort sober en strak geredigeerd te zijn.

Het hoofdbezwaar gaat echter tegen de opvatting, die in dit artikel en in het gehele Ontwerp gehuldigd wordt inzake de verhouding van de algemene Kerk en de plaatselijke gemeente. De plaatselijke gemeente wordt er gezien als deel van de algemene Kerk, en wel als een Samenstellend deel. Daardoor wordt tekort gedaan aan de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente. De plaatselijke gemeente is een zelfstandige openbaring van het lichaam van Christus en de eenheid der gemeenten lag in het gemeenschappelijk geloof, terwijl de organisatorische band door de Kerkenorde werd vastgelegd. Daarom sprak men eertijds van de „Gereformeerde Kerken". De Kerken kwamen in haar vergaderingen bijeen als zelfstandige gemeenten en niet als samenstellende delen van het geheel.

Het Algemeen Reglement van 1816 nu gaat uit van de opvatting, dat de Hervormde Kerk in Nederland een ondeelbaar geheel is en niet een verband van zelfstandige kerken. Het Ontwerp voor een Kerkorde grijpt in art. 1 terug op de opvatting van art. 1 van het Algemeen Reglement. Daardoor wordt tekort gedaan aan de zelfstandigheid en aan de rechten van de plaatselijke gemeente. Dat is niet een louter academische kwestie, maar heeft gevolgen voor de vrije beweging van de plaatselijke gemeenten. De macht wordt, verlegd naar de Synode, die dan van boven af dicteren kan.

Trouwens een presbyteriale kerkinrichting verzet zich tegen de aantasting van de zelfstandigheid van een plaatselijke gemeente. Een onderschikking aan een synodale macht is in strijd met haar karakter. In een meerdere vergadering komen zelfstandige kerken samen.

Om deze zelfstandigheid der gemeenten beter tot haar recht te doen komen is voorgesteld art. 1 van het Ontwerp Kerkorde aldus te redigeren :

„Tot het verband der Nederlandse Hervormde Kerk behoren al de Hervormde gemeenten in Nederland, alsmede de in haar verband opgenomen Hervormde gemeenten buiten Nederland".

Artikel 2.

Ook tegen art. 2, dat gaat over de omvang van de gemeenten, rijzen bezwaren. „Krachtens de bediening van Woord en Sacramenten" behoort te vervallen. Hoe kan men krachtens de bediening van het Woord tot een gemeente behoren ? Wel wordt men door het Sacrament van de H. Doop ingelijfd in de gemeente. Maar het heeft geen zin om dit aan de aanvang van dit artikel te plaatsen, als men later verklaart, dat de inlijving in de gemeenschap der Kerk wordt bevestigd door de H. Doop.

Eveneens behoort te vervallen de zinsnede : „en gehouden tot dienstbetoon aan elkander en aan de wereld". Dergelijke voorschriften zijn beter op hun plaats in een verhandeling over de ethiek.

Daarom wordt voorgesteld art. 2 als volgt te lezen :

Tot een Hervormde gemeente en mitsdien tot het verband der Ned. Herv. Kerk behoren en zijn gesteld onder haar herderlijke zorg en toezicht:

1. Zij, die door openbare belijdenis des geloofs belijdende leden der Kerk zijn geworden ;

2. Zij, wier inlijving in de gemeenschap der Kerk is bevestigd door de Heilige Doop ;

3. Zij, die uit gedoopte Hervormde ouders zijn geboren.

In de 3e groep meenden wij, dat van gedoopte ouders moest worden gesproken. Er moet toch een omschrijving gegeven worden van het begrip Hervormde ouders. Het woord: „gedoopte" doet dat.

Artikel 5.

In de inleiding op het Ontwerp, blz. 8 sub II, spreekt de Commissie het uit, dat in het Ontwerp het presbyteriaal-synodaal karakter van ons kerkordelijk bestel is vastgelegd.

De bestudering van dit artikel leidt ons tot de verklaring, dat het synodale karakter zó het presbyteriale overheerst, dat van het presbyteriale niet veel tot zijn recht komt.

Groot bezwaar hebben wij daarom tegen de 2e helft van de 3e alinea : „In de meerdere vergaderingen .. enz."

In het gehele Ontwerp wordt aan de meerdere vergaderingen, raden, commissies en organen zoveel bevoegdheid gegeven, dat de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente schier verdwijnen zal.

Voorgesteld wordt dan ook het laatste gedeelte van deze alinea te schrappen, n.l. : „of naar de orde der Kerk tot het werk der meerdere vergadering behoren".

Voor de zinsnede : „De meerdere vergaderingen" in alinea 7 op blz. 20 verwijzen wij naar onze opmerkingen over art. VI.

Artikel 6.

1. Over dat artikel zouden wij willen opmerken, dat in het Ontwerp terecht allerlei arteid, die de Kerk tot voor enkele jaren aan particulieren overliet, als werk waartoe de Kerk geroepen is, wordt aajivaard. (O. a. Inw. en Uitw. Zending en Zending onder de Joden).

2. Echter zagen ondergetekenden liever de lijn van art. 49 van de D.K.O. aangehouden, waarbij de Deputaten wel uitvoerders zijn van hetgeen hun opgedragen is, maar overigens ten opzichte van de Classis een raadgevende en helpende functie hebben, daar waar hun hulp en raad gevraagd wordt. Daarin wordt vastgehouden aan de presbyteriale opvatting, dat geen lichamen of personen over andere lichamen of personen heersen ; dat zij er in de Kerk zijn om te dienen. Nu vormen deze raden en organen een episcopale bedreiging voor het leven der Kerk.

3. Organisatorisch is het nodig, dat er contacten zijn tussen hetgeen er plaatselijk, regionaal, provinciaal en landelijk geschiedt, maar om principiële en tactische redenen is het wenselijk, dat hier geen dwingend karakter gegeven wordt aan overleg en overeenstemming. Dit zou reeds zo zijn, wanneer de gehele Kerk van gereformeerde belijdenis was, hoeveel te meer, nu in de Kerk nog altijd zoveel divergerende beschouwingen gevonden worden.

4. Nagaande al de raden en organen en commissies, die in het Ontwerp voorkomen, vrezen wij ook een overorganisatie, die niet alleen ondragelijke financiële lasten met zich mee zal brengen, maar het Kerkewerk zeer bemoeilijken zal. Het gevaar voor een kerkelijke bureaucratie is niet denkbeeldig.

Wanneer buitengewone toestanden buitengewone maatregelen nodig maken, neme men deze niet op in een Kerkorde, die bestemd is het normale leven en werken der Kerk te regelen. Men benoeme daarom zo min mogelijk raden met een permanent karakter.

Men late de mindere vergaderingen vrij in het zelfstandig aanvatten en uitvoeren van allerlei kerkelijke arbeid. Men verplichte daarbij alleen tot kennisgeving aan de Synode, opdat aan de top overzicht mogelijk is, van al wat in de Kerk geschiedt.

5. Naar onze mening is de Kerk wel geroepen grondbeginselen aan te geven voor het geestelijk en zedelijk leven, ook ten opzichte van film en radio enz., maar het is voor de Kerk niet wenselijk met dat alles zich op rechtstreekse wijze te bemoeien.

Op grond van genoemde bezwaren, stellen wij een volgende redactie voor van Art. VI :

„De kerkeraden en de meerdere vergaderingen benoemen, wanneer de zorg foor de dienst der Kerk op verschillende terreinen des levens dit vereist, commissies en gedelegeerden (of deputaten) om voorlichting en raad te geven en om uit te voeren hetgeen hun op dit arbeidsveld tot taak wordt gesteld.

Overleg tussen commissies, door meerdere en mindere vergaderingen op eenzelfde terrein ingesteld, is gewenst met het oog op de eenheid van de arbeid der Kerk, doch draagt een vrijwillig karakter".

Nota genomen hebbende van onze bezwaren tegen de episcopale dreiging der raden en organen en de dreiging voor overorganisatie, zal het U duidelijk zijn, dat wij niet kunnen accoord aan met de instelling van de vele raden en vooral niet met de grote bevoegdheid, die het Ontwerp schier aan elke raad denkt te geven. Het zij ons vergund enige voorbeelden te noemen :

a. In Ord. 9, art. 9, wordt in de 3e alinea de kerkeraad (kerkeraden) geheel afhankelijk gemaakt van de Raad van Catechese bij de benoeming van een catecheet. Dit is niet presbyteriaal.

b. In Ord. 4, art. 17, wordt aan de raad voor de arbeid onder buitenkerkelijken opgedragen de arbeid der gemeenten te coördineren. Hoe kan dit geschieden zonder de zelfstandigheid der plaatselijke gemeenten aan te randen 

c. In Ord. 4, art. 23, wordt zelfs ket instituut voor Kerk en wereld genoemd als een lichaam, waarmee de kerkeraad tot overeenstemming moet komen voor de benoeming van een evangelist of sociaal werker. Dat is toch ten enenmale in strijd met de zelfstandigheid der gemeente. Wij zijn trouwens van oordeel, dat het instituut „Kerk en Wereld" geheel buiten het Ontwerp moet gehouden worden.

d. Daarom maken wij ook ernstig bezwaar dat in art. 20 van Ord. 4  "Kerk en Wereld" het monopolie van opleiding wordt toegewezen. Zolang de Kerk in haar ganse breedte niet gegrond leeft uit haar belijdenis, is dit zeer ongewenst. Een classicale opleiding ware meer op haar plaats.

e. Zelfs de algemene diaconale raad bedreigt de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente, doordat in Ord. 15 art. 6 gesproken wordt dat mensen, aangesteld door de kerkeraad, moeten arbeiden in gemeenschap met de vaste commissies van deze raad, tegen wier bestaan wij niet het minste bezwaar hebben, mits deze vrijblijvend met raad en daad de kerkeraden bijstaan.

Ook wordt de raden voor het jeugdwerk en voor de zaken van Kerk en School in Ord. 5 gelegenheid gegeven de zelfstandigheid der plaatselijke gemeente aan te tasten, daar in art. 2 en 5 toch gesproken wordt van een zich doen voorlichten en bijstaan.

Dat de laatst genoemde raad een gemeente kan dwingen een opleiding voor die testimonia te geven, gaat veel te ver, zie slot art. 7, 8.

Omdat wij overorganisatie vrezen, maken wij bezwaren tegen Ord. I art. 22, waarin over de vele raden gesproken wordt, zonder dat hun vrijblijvend raadgevend karakter is omschreven. Bovendien komt het ons vooral' niet wenselijk voor, dat een benoeming in Classicale en Provinciale raden niet kan gedaan worden dan in overleg met de Generale Synode.

Natuurlijk achten wij ook art. 26 Ord. I een rem op het kerkelijk leven. Alle deze secretariaten zullen financieel en organisatorisch het Kerkewerk belemmeren.

In verband met hetgeen boven opgemerkt is, achten wij het wenselijk, dat in Ord. 4 art. 15 de woorden: „werkzaam te zijn op" de cultuurgebieden, veranderd worden in : „voorlichting te geven op".

De Kerk heeft de roeping om het Woord Gods te spreken op alle levensterreinen. Daarvoor kan zij zelf behoefte hebben aan voorlichting door deskundigen, maar daarvoor zijn geen vaste commissies nodig.

Wij stellen daarom schrapping voor van de genoemde commissies in dat artikel.

Onze grote bezwaren tegen de raad van Kerk en theologie en de financiële raden, komen te berde bij ons oordeel over Opzicht en Tucht en het Beheer.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Het Ontwerp Kerkorde

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's