Samuël, een zoon der Wet
FEUILLETON
105)
De blinde sprak tot hem over de streken, waar haar ziel levenslang naar had verlangd en droeg hem haar groeten op met de woorden van een Russisch-Joods volkslied :
„Het land daar in 't Oosten — als gij er zult komen, Waar al onze vaad'ren voltooiden hun taak, Die dierbare streken, het land onzer dromen, Vertel daar: Ik groet ze en kus ze heel vaak ! Groet van mij de graven, in Zion en Hebron, 't Gebeent van de vaad'ren, zo wijs en zo vroom, Het land der Jordaan, met zijn vreugd en zijn zon, De tuinen, de velden; ach, dat ik er koom!"
Zijn gebedsriemen waren in orde. Die waren zijn pas, en voor het overige opende hem het woord „Ik ben een Jeschiba-bocher" met de spitsvondige uitlegging van een of andere plaats uit de Talmud, wel ieder Joods huis. Op een vroege morgen gaven de oudjes hem hun zegen en trok hij weg. Een hele troep kinderen, die pas langzamerhand naar gelang van hun krachten en ouderdom weer terugkeerden, begeleidde hem. Het langst hielden het nog Mannia en een jongen van de herbergier uit. AI de verlangde vragen en voorstellingen van haar hartje gaf zij hem druk pratend op zijn reis mee.
De ogen, die zij daarbij op hem richtte, schenen zo zwart als de nacht, zó had haar verdiept innerlijk leven de pupillen vergroot. Op Samuel oefenden die ogen een geheimzinnige invloed uit. Hij nam zich voor, om ook namens Mannia te zien en te horen, ook haar eerbied daarheen te dragen en iedere innerlijke winst, die zijn reis hem zou opleveren, later met haar te delen.
Eindelijk trok hij dan in zijn eentje verder. De dag was zonnig en helder. Zijn pad voerde hem over mooi weideland en voorbij talloze kameeldrijvers, en zo nu en dan ontmoette hij ook eens een wagen met Europese reizigers, die op weg waren van Jeruzalem naar Nazareth.
Hij zag de dorpen liggen op de kale kegels van de Samaritaanse bergen en ging met het middaguur wat liggen onder een eik. Geen woud en geen damp wiste als in Rusland de scherpe lijnen van de bergvormen uit. Het was alsof hem heel zijn reis het verste en wijdste uitzicht vergund zou blijven. Trots in het gevoel van in zijn eigen land te zijn, trok hij voort zonder de minste angst voor de zonderlinge Bedouïenengestalten en al dat rare Arabische roof- en bedelaarsgoedje, dat hij op weg ontmoette. Voor het uiterlijk was hij immers maar een arme jongen en volgens Oosterse voorstelling staat de arme onmiddellijk onder Gods bescherming ; dat feit alleen zou hem dus reeds veilig hebben doen zijn. Maar bovendien wilde de Enige hem thans begenadigen met het allerhoogste, dat een Joods hart kan verkrijgen of bedenken. Het stond voor Samuel vast, dat God reeds om die reden hem een veilige uiten thuisreis zou verzekeren.
Aan de weg stond hier en daar een stenen wachthuisje van de Turkse gendarmes. Hij was blij, dat hij hun bescherming niet nodig had. Hij wist niet, dat dit reeds een bewijs van vooruitgang in dit land was, net zoals de kalksteenrotsen die, jaren geleden nog geheel leeg, thans inet olijvenbosjes waren bedekt, en als de gouden oranjeappels, die, achter cactus- en acaciaheggen beschermd voor het stof van de weg, bloeiden en schitterden, en als de karavanen, die in manden en kisten voortbrengselen van allerlei aard naar de haven vervoerden. Hij zag de met klaprozen en korenbloemen doorweven gerst- en korenvelden ; hij zag de weiden als een tapijt van groen fluweel bezet met rood vlas en madeliefjes en met een sluier van bloeiende fijne grissen.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's