MEDITATIE
SPELEN MET VUUR!
En Petrus zeide: „Ananias! waarom heeft de Satan uw hart vervuld, dat gij de Heilige Geest liegen zoudt ? Handelingen 5 vers 3a.
„En de menigte van degenen, die geloofden, was één hart en één ziel! en niemand zeide, dat iets van hetgeen hij had zijn eigen ware, maar alle dingen waren hun gemeen, !"
Ziedaar het getuigenis over de eerste Christengemeente ! En is het ons niet, als we dit lezen, alsof het Paradijsleven is teruggekeerd ? Calvijn zegt van deze gemeente, dat zij meer een vergadering van engelen scheen dan van mensen. En dat vond Satan blijkbaar ook! Het was alles te mooi! Die heilige actie bij de gelovigen riep bij hem een onheilige reactie op. Reeds van de beginne is het niet anders geweest. Overal waar de zaak des Heeren groeit, is Satan paraat om, indien mogelijk, het werk Gods te vernietigen.
En wij mogen dit nog wel eens goed ter harte nemen ! Satan is maar geen idee fixe, geen hersenschim, geen vaag begrip, neen, hij is een iemand, een levend creatuur, een persoonlijkheid. En : hij is steeds actief ; geen kans laat hij onbenut voorbij gaan, maar als een uitmuntend strateeg tracht hij iedere voorname post in handen te krijgen.
Zo ook hier. Het werk van de Pinkstergeest is hem een doorn in het oog. Reeds heeft hij getracht het te verstoren door middel van de Joodse Raad, wanneer deze aan Petrus en Johannes het zwijgen tracht op te leggen. Doch deze aanval mislukt. En nu zal hij trachten zich binnen de gemeente toegang te verschaffen om van binnen uit zijn verderfelijk werk voort te zetten. Zo bedient hij zich van Ananias en Saffira. Twee leden der Christelijke gemeente met schoonklinkende namen niet alleen — Ananias betekent de Heere is genadig, of misschien de Heere antwoordt, en Saffira betekent: de schone —, maar mensen, die zo op 't oog veel beloofden voor de Kerk des Heeren. Ze waren toch maar tot de secte der Nazareners overgegaan, hoe veracht die dan ook was ! En dit was voor zulke aanzienlijke mensen als Ananias en Saffira, geen kleinigheid. We moeten dus niet te min van hen denken ! Het was een echtpaar, dat in hoog aanzien stond bij de gemeente. Ze hadden de naam dat zij leefden! Maar Satan kende hen anders. Hij wist, hoe het alles slechts schijn was. Van buiten schenen zij zo schoon, doch van binnen heerste de dood. En zo komen zij er toe om het werk des Heiligen Geestes na te bootsen. Vele rijken, die vervuld waren met de Heilige Geest, verkochten hun goed ten bate van de minder bedeelden. En nu zullen ook Ananias en Saffira eens net doen alsof zij ook door die Geest worden geleid, om ook de eer en het aanzien der gemeente te genieten !
En zo brengt Ananias dan, na overleg met zijn vrouw, een gedeelte van de opbrengst bij de apostelen.
Voorwaar, een harmonisch huwelijk, waar deze zaken zo samen besproken worden, doch de noodzakelijke basis in dit huwelijk ontbrak. God was hier niet de derde in het verbond! Nooit werd gevraagd : Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal ?
Is dit misschien ook het beeld van uw huwelijk, lezer ?
Ananias en Saffira zijn het dus samen eens geworden. Daar ligt nu het prachtige bedrag, bestemd voor het goede doel!
Doch Petrus, geleid door de Heilige Geest, ontmaskert Ananias en zegt: „Ananias, waarom heeft de Satan uw hart vervuld, dat gij de Heilige Geest liegen zoudt ? "
En Petrus voegt hier straks nog uitdrukkelijk aan toe : „Gij hebt de mensen niet gelogen, maar Gode. Liegen en bedriegen, het zijn „eigen werken des duivels". En dit duivelswerk verricht Ananias nu tegen God zelf! 't Is alsof Petrus zegt: „Ananias, hoe kunt ge dat toch doen ? Waarom heeft de Satan uw hart vervuld ? "
Ja, Petrus heeft het hier goed gezien. Satan wil onkruid zaaien tussen de tarwe van de akker van Christus' Kerk. En de man, die daar vóór hem staat, is zijn gewillig werktuig. Doch, lezer, zie nu Ananias niet als een arm slachtoffer van Satan. Neen, bedenk het wél, wanneer gij Satanswerk verricht, zijt gij maar geen willoos slachtoffer. Ananias had moeten worstelen en bidden om vari zijn zondige hoogmoed te worden bevrijd. De Heere wil gebeden zijn om Zijn bijstand en dan zal Hij die ons zeker niet onthouden in de strijd tegen de Boze.
Petrus bedoelt met deze woorden : Ananias, waarom hebt gij Satan vrij spel gelaten in uw hart ? Ananias, waarom hebt gij niet gestreden ?
Ananias is hier wel degelijk zelf verantwoordelijk voor zijn ernstige zonde. En welk een waarschuwing is dit ook voor ons. Wanneer wij zonder strijd Satan in ons hart vrij spel laten, dan kan het er op uitlopen, dat we een middel in zijn hand worden om de gemeente des Heeren afbreuk te doen, om ze tot een aanfluiting te maken en om de kleingelovigen te ergeren.
Hier in deze jonge gemeente, waar alles nog zo ongerept is, waar allen gedreven worden door de Heilige Geest, die hen vervult, hier moet terdege gewaakt worden, want het oog der wereld is met volle aandacht op die jonge gemeente gericht. Daarom bestraft Petrus hier Ananias zo ernstig. Hij onderkent door de leiding des Geestes het Satanswerk !
Hier wordt gespot met de alwetendheid Gods. Hier wordt de spot gedreven met het werk des Heiligen Geestes.
Petrus gevoelt het dat hier groot gevaar dreigt voor de gemeente van Christus en voor de naam van Christus.
Ananias' zonde is maar niet een gewone leugen, een zakenleugen, of een noodleugentje om bestwil, hoezeer die ook af te keuren en zondig zijn. Maar hier is meer!
Ananias, liegt tegen God, en wat nog erger is : hij wil opzettelijk liegen, hij durft te liegen, terwijl hij toch heel goed weet, dat God Alwetend is. Hij durft hier tegenover God te doen alsof hij door de Geest van diezelfde God wordt gedreven, terwijl wat hij doet, puur zondig duivelswerk is.
Welk een verharding in het boze is hier, om zelfs tegenover God te doen, alsof men van Zijn Geest vervuld is, om te spelen met die Geest. En Ananias zal bemerken dat, wie speelt met de Geest, speelt met heilig vuur !
Ananias wil die Heilige Geest wèl bezitten om er zelf mee te handelen, naar eigen goeddunken, om hem ten eigen bate te exploiteren, om van de mensen geprezen te worden als zo'n echt vroom en milddadig mens, maar hij verlangt die Geest niet om er door onderricht te worden, om er van vervuld te zijn en er geheel door te worden geleid in zijn handel en wandel.
O, neen, hij wil wel met de Geest pronken, maar verder niet. Hij wil wel met vuur spelen, maar bedenkt niet, dat dat gevaarlijk is. 't Is alsof we Ananias hier zorgeloos een brandende lucifer zien werpen op wat kruit.
En deze roekeloosheid kon niet ongewroken blijven. God waakt over Zijn gemeente ! Het vuur van Gods toorn vaagt in één ogenblik Ananias weg uit het land der levenden. Ananias wordt getroffen door het Woord Gods, dat uit Petrus' mond uitgaat. Het is voor hem als een tweesnijdend scherp zwaard! Neen, Petrus straft hier Ananias niet. God zelf rukt hem hier 't vrome masker af en velt hem neer.
Spotten met of gering schatten van het heilige, het heeft steeds zulke ernstige gevolgen gehad : Achan bijv. vergreep zich aan iets, wat de Heere gewijd was en hij werd gestenigd. Ook de zonen van Aaron moesten hun onachtzaamheid met de dood bekopen. De Heere Jezus zelf heeft eenmaal de heihgschenners uit de Tempel verdreven met een geesel van touwtjes.
Maar nu de uitstorting des Heiligen Geestes heeft plaats gehad en nu deze Geest woont in de Kerk, nu is het Woord het tuchtmiddel, het zwaard des Geestes.
Gods Woord — een zwaard.
Gods Geest - een vuur.
En dan toch de durf en de lust hebben om zich aan die Geest te vergrijpen ! Dan moet men toch wel de zonde der verharding, de zonde tegen de Heilige Geest zeer dicht bereikt hebben of reeds tot die zonde vervallen zijn !
Welk een hoogst ernstige geschiedenis wordt ons hier beschreven ! Maar heeft deze geschiedenis ook óns iets te zeggen ?
Inderdaad, juist voor ons heeft ze zo ontzaglijk veel te zeggen. Want deze geschiedenis is maar niet neergeschreven voor mensen, die zich niet bekommeren om God of Zijn dienst, maar ze is verhaald voor ons, die des Zondags trouw opgaan onder de prediking des Woords, voor ons, die kerkelijk medeleven, kortom, voor de gehele zichtbare Kerk. Want ook Ananias, en Saffira behoorden tot de getrouwe "kerkgangers". Doch: alles was maar schijn bij hen ! De vroomheid zat bij hen aan de buitenkant. Zij hadden het Evangelie wel aangenomen, maar het had hun harten niet in vuur gezet, ze waren niet in liefde ontbrand voor de Heere.
Wat echter bij hen het meest verschrikkelijke was, was wel dit : zij lieten zich er op voorstaan, dat zij juist door de.Geest van God geleid werden bij al wat ze deden.
En hoe is het, wat dit betreft, bij ons gesteld ? Is het bij ons alles waarheid in het binnenste ? Worden alle leden der Kerk en worden ook wij geleid door Gods Geest ?
Ach, wij weten wel beter ! Ook in óns kerkelijk leven is zoveel schijn.
Zeker, wij kunnen en mogen elkaar niet oordelen, maar bedenken wij wel genoeg dat God in de hemel het hart aanziet ? Hij weet precies wat er in ons binnenste leeft. Hij kent onze innigste overleggingen. En nu is schijnvroomheid op zichzelf altijd al zondig, want zij openbaart het „zijn uit de vader der leugen".
En we zien bij Ananias en Saffira, waar schijnvroomheid hen tenslotte heeft gebracht!
Tot een opzettelijke liegen van de Heilige Geest. Tot een spotten met het Heilige. Ja, tot de zonde tegen de Heilige Geest!
En ook dit komt nu nog voor. Een schijnvrome kan zover komen, dat hij gaat spreken van de leiding van Gods Geest in zijn. leven ; dat hij gaat spreken over wat hij allemaal ondervonden heeft. Hij heeft gezichten gehad en een stem gehoord, en nog vele dingen meer. Doch als het sterfuur komt, blijkt het bij de schijnvrome al ijdelheid en bedrog te zijn geweest. Want nog nooit heeft hij bij het ontdekkend licht van Gods Geest zijn ellende-staat gezien, nog nooit heeft hij geroepen uit diepten van ellende. Dit gezicht, dat onontbeerlijk is om waarlijk naar de Christus Gods te gaan verlangen, ontbreekt hem ten enenmale. En daarom roept deze geschiedenis ons op tot bezinning. Zeg toch niet te spoedig, dat de gestalte van Ananias en Saffira bij u niet gevonden wordt! Al is het nu nog niet zover met u, het kan zover komen. Bij deze beide mensen kwam het ook niet plotseling tot deze zonde tegen de Heilige Geest. Dit kwam van lieverlee. Het begon met hoogmoed. Men werd gaarne van de mensen gezien. Dat was het begin.
Is dat begin soms ook bij ons te vinden ? Of is het bij ons zo, dat al ons handelen gaat om Christus' wil ? Moeten wij allen niet schuldbewust het hoofd buigen en belijden : ,,Heere, ik zoek nog zo vaak mijn eigen eer. Het gaat bij mij nog zo dikwijls om wat de mensen van mij zeggen, zelfs in mijn heiligste bezigheden". Moeten wij niet allen bidden : „Heere, ik heb verdiend, dat mij de straf van Ananias en Saffira zou treffen, maar, o God, wees mij nog genadig ! Wil Gij Zelf met Uw Geest in mij werken en wonen, opdat ik er voor bewaard blijve tegen Uw Geest te zondigen".
Wat is dit gebed noodzakelijk, want spelen met de Heilige Geest is spelen met vuur.
In onze geschiedenis blijkt immers zo treffend dat de Geest Godp heilig is. Wij, mensen, zien God altijd maar liefst als een God van liefde en de werkzaamheid van Zijn Geest zien we dan gelegen in het troosten. Hij is immers de grote Trooster. En als wij aan deze Trooster denken, zien we op de Pinksterdag een grote schare toegebracht.
Inderdaad, zo kan Gods Geest werken. Dat zien we ook nu nog somtijds op de Zendingsvelden. Dan stroomt een grote schare toe !
Maar hier ziet ge, dat die hefde Gods ook in heiligheid kan ontbranden voor Zijn Kerk. En voor Satan en zijn trawanten en allen, die zich tegen die Kerk keren, hetzij openlijk of bedekt, is die liefde een verterend vuur en werkt zij zuiverend. Dat is ook nu nog de werking van Gods Geest. Hij zuivert Zijn Kerk ook nu nog. En dan denk ik aan de grote verdrukking die aanstaande is er die haar schaduwen reeds voor zich uitwerpt. Zou ook deze verdrukking door Gods Geest opgeroepen kunnen worden om Zijn Kerk te zuiveren ? Om schijn van waarheid te onderscheiden ? En als deze zuivering onverhoeds komen mocht, zult gij dan veilig zijn, lezer ?
Vraag dit uzelven af in de binnenkamer op de knieën voor Gods aangezicht. En een iegelijk die dan heeft leren zien, dat hij niet kan bestaan voor die zuiverende werking des Heiligen Geestes, die mag de Heere vragen om een nieuw hart, dat naar Hem uitgaat en Hem vreest. Dan zal hij ervaren, dat die Geest wel overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel, maar — Gode zij dank — dan zal hij óok ervaren dat die Geest ook nog leiden wil naar Golgotha, naar het volbrachte werk van Christus voor een arm in zichzelf verloren zondaarsvolk.
Lezer, nu is het nog genadetijd. Doch eenmaal komt de grote zuivering. Dan zult gij u moeten kunnen legitimeren als een kind, der waarheid, als een kind des lichts, als een tempel des Heiligen Geestes, en zo niet: dan zal de bliksem van Gods toorn u treffen. En daarom zij ons gebed :
Doorgrond m' en ken mijn hart, o Heer, Is 't geen ik denk niet tot Uw eer? Beproef m' en zie of mijn gemoed, Iets kwaads, iets onbehoorlijks voed ; En doe mij toch, met vaste schreden. De weg ter zaligheid betreden.
(Op- en Neder-Andel.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's