MEDITATIE
VERLANGEN NAAR GOD
Ik verwacht de Heere, mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord. Mijn ziel wacht op de Heere, meer dan de wachters op de morgen, de wachters op de morgen. Psalm 130 : 5 en 6.
Psalm 130 zouden we wel kunnen noemen : een „kort begrip" van geloofswaarheden. In deze kleine Psalm — lees even de acht verzen - vinden we de klanken van ellende, verlossing en dankbaarheid heel dicht bij elkander. Zo komt het, dat wij in deze Psalm zulk een volheid van geestelijk leven ontmoeten. Al weten we niets af van de dichter van deze Psalm — ik bedoel: Al weten we niet te zeggen, wie de dichter van deze Psalm is geweest, of wanneer deze Psalm is gedicht —, toch durven we niet volle zekerheid te zeggen, dat deze onbekende dichter niet slechts een pelgrim is geweest naar het aardse Jeruzalem, (al heeft hij voor die gelegenheid dit lied hammaäloth, dit lied van de opgang gedicht), maar dat hij ook geweest is een reiziger naar het hemelse Jeruzalem ; naar het Sion, dat boven is.
Iets belangrijkers kan van iemand toch niet gezegd worden. Dat is toch zeker het voornaamste, dat van iemand getuigd kan worden : Dat hij een reiziger, een pelgrim is naar het hemels Jeruzalem.
De oud-Israëliet deed er goed aan, wanneer hij op gezette tijden naar Jeruzalem trok, om zich in de Tempel te vertonen. Wanneer die opgang werd nagelaten, dan was dat altijd een bedenkelijk verschijnsel van achteruitgang iri het godsdienstige leven en van verslapping in het waarnemen van de dienst des Heeren.
Datzelfde geldt ook altijd nog van de gemeente onder het Nieuwe Verbond. Waar de kerkgang wordt nagelaten ; waar men laks is in het opgaan naar het Huis des Heeren, daar is het droevig gesteld met het geestelijk leven van de gemeente en van de enkeling.
Maar dat wil nog niet zeggen, dat als het andersom is ; als men zeer plichtsgetrouw op de dag des Heeren opgaat, dat men dan ook vanzelfsprekend een reiziger is naar het hemelse Sion. Ook onder oud-Israël zullen er onder degenen, die opgingen naar de Tempel, wel geweest zijn, wier hart er niet bij was. Voor wie net slechts was een eis der Wet en daarom de vervulling van een godsdienstplicht. Maar al Waren zij dan op weg naar het aardse Jeruzalem, daarmee waren zij nog niet op reis naar net hemelse Jeruzalem. Het wezen ontbrak er aan. Hun begeerte ging niet uit naar God. Hun ziel was er niet bewogen onder. Hun Tempelgang was lang niet altijd een geestelijk verschijnen voor God.
Maar uit Psalm 130 spreekt ons een dichter toe, wie het werkelijk om God te doen is. „Mijn ziel verwacht en ik hoop op Zijn Woord". Wat zal deze man een vruchtbare en gezegende Tempelgang gemaakt hebben. Wat vinden we hier een dorstige ziel, om de troost des Evangelies in te drinken. Wie zó, in zulk een zielegesteldheid, opgaat naar Gods Huis, die zal niet ledig weggezonden worden ; die zal daar vrede vinden voor het ontrust gemoed.
In dat opzicht staan Oud- en Nieuw Verbond nog zo dicht bij elkaar. Wie onder het Oude Verbond opging naar de Tempel in een zielegesteldheid, die hier aldus getekend wordt: ,,Ik verwacht de Heere, mijn ziel verwacht en ik hoop op Zijn Woord", die heeft in de aanschouwing van de offerdienst de prediking der verzoening ontvangen ; de prediking, dat God genadig is en gaarne de zonden vergeeft aan een ieder, die ze Hem belijdt. En precies diezelfde prediking mag ook onder het Nieuwe Verbond tot elke kerkganger uitgaan, maar dan in nog veel duidelijker bewoordingen ; veel meer omschreven, omdat het geheim der verzoening nu geopenbaard is in Jezus Christus, in Zijn werk, in Zijn lijden en sterven, in Zijn offerande aan het kruis, waardoor Hij geheiligd heeft allen, die door Hem tot God gaan.
De eerste helft van deze Psalm maakt het ons duidelijk, hoe het komt, dat de dichter zo'n behoefte aan God heeft gekregen. Hij heeft n.I. met zijn ongerechtgheden (vers 3) te doen gekregen. Hij is er aan ontdekt, dat hij voor God niet kan verschijnen. Dat hij verwerpelijk is voor God. „Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, wie zal bestaan ? " En toch is hij op weg naar Jeruzalem ? Toch dicht hij zijn lied van de opgang ? Ja, want al kan hij in zichzelf voor God niet verschijnen ; al moet hij uitroepen : „Heere, ik kan voor U niet bestaan !", toch roept diezelfde heilige God hem en Hij leert Zijn geroepenen, dat hun zonden, wanneer hun die berouwen, hen toch niet mogen weerhouden om te komen.
Ik schreef zojuist: Deze dichter heeft geleerd, dat hij voor God niet kan verschijnen. Maar ik moet daar nog iets aan toevoegen. Ik moet zeggen ; Deze dichter heeft geleerd, dat hij voor God niet kan verschijnen, als er geen vergeving is.
Maar die is er !!!
Ik weet niet, hoeveel uitroeptekens ik hier achter moet zetten.
,,Maar bij U is vergeving !"
Dat is het onuitsprekelijke, dat hij heeft ervaren. Bij God is vergeving ! Daarin ligt de verklaring van heel deze Psalm.Dat is ook de kern van het Evangelie. Dat is de open hemel boven de diepte, waarin de berouwvolle zondaar worstelt. Dat is tevens de verklaring van het onverklaarbare, hoe een mens, die zojuist beleden heeft : „Heere, ik kan vanwege mijn ongerechtigheden voor U niet bestaan !", nu zijn brandend verlangen uitspreekt om de Heere te mogen ontmoeten en zegt: „Ik verwacht de Heere, mijn ziel verwacht!"
Hoe kan een zondaar, die toch eigenlijk voor Gods toorn moet vrezen, met zijn ziel zo naar God verlangen ? Wel, dat kan alleen, omdat hem bekend gemaakt is, dat er ontkoming aan de toorn, ontheffing van de straf, vergeving van zijn zonden mogelijk is. En als God zondaars roept, dan is dat niet anders, dan om hen te laten zien, hoe er voor berouwvolle zondaars nog verzoening is. „Bij U is vergeving !"
Dat geloof maakte de opgang naar de Tempel voor de Israëliet zo rijk. En worden wij op de rustdag niet voor hetzelfde doel naar Gods voorhovefi geroepen ? Wij worden geroepen om te komen als zondaars; als mensen, die het moeten belijden : „Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, wie zal bestaan ? " — en opdat wij ons als zondaars zullen gaan kennen, wordt ons iedere week de Wet voorgehouden, daaruit is de kennis onzer ellende —, maar dat alles is, opdat de prediking der genade bij ons ingang zal vinden : de prediking, dat God zondaars roept en dat Hij verzoening heeft gegeven in het werk van Jezus Christus en dat bij Hem goedertierenheid is en veel verlossing, (vers 7).
Aan deze dingen was de dichter van Psalm 130 niet vreemd en daarom was er zulk een liefde tot God in zijn hart geboren.
Ja, in heel deze Psalm is het woord liefde niet te vinden, .en toch zult ge me toestemmen, dat hierin wel heel sterk de liefde tot God aan het woord is. Vanuit dat gezichtspunt moeten wij ook het sterke verlangen van de dichter verklaren. Want dit wordt wel eens verkeerd begrepen. Daar zijn er, die menen, dat we in de tekstwoorden, die hierboven staan, eigenlijk een klacht moeten horen. Omdat de dichter dat beeld van die wachters gebruikt, die op de morgen wachten. Ze zeggen : Hij zit dus nog in het duister en ziet uit naar het licht. Hij heeft nog geen zekerheid van schuldvergiffenis en daarom voelt hij zichzelf nog in het donker.
Maar deze opvatting is uitgesproken onjuist. De Psalmdichter heeft toch zojuist getuigd : ,,Bij U is vergeving !" Hij heeft de troost van Gods genade, de volheid van het Evangelie aan eigen ziel ervaren en zou hij nu nóg in het duister verkeren ? Neen, het is licht geworden in zijn ziel na die bange diepte, waaruit hij riep, en nu voelt hij — en dat is de vrucht van Gods Geest, die de liefde uitstort in het hart — nu voelt hij zóveel dankbare liefde tot die gaarne vergevende God .in zijn hart ontbranden, dat hij wel Zijn yo//e nabijheid wil smaken. Dat hij zó wel in het heiligdom zou willen verschijnen om God te zien van aangezicht tot aangezicht.
Zo hebben wij die beeldspraak van de wachters op de morgen te verstaan. Bij beeldspraak moeten we altijd goed letten op het punt, waar het om gaat. Het gaat hier niet om de duisternis, waarin die wachters gedurende de nacht nog verkeren. Het gaat hier zelfs niet om dat ,,wachten", want dat woord is in onze Bijbel cursief gedrukt ten teken, dat het er in het oorspronkelijke niet eens staat, 't Gaat hier om niets anders dan om de kracht, de innigheid, de intensiteit van zijn verlangen uit te drukken. Van die brandende begeerte der ziel, die gewekt wordt, wanneer het hoogste Voorwerp der liefde ons trekt.
De Psalmist doet in deze beeldspraak een poging om zijn wederliefde tot God uit te drukken. De liefde, die door de Heilige Geest in zijn hart is uitgestort en die een vrucht is van zijn geloof in de schuldvergiffenis. Jieel dit verlangen van de Psalmist naar de Heere is een nagalm van het zo juist uitgejubelde : „Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt". Johannes, de Apostel, zegt dat in zijn brief zo duidelijk : ,,Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden".
Het verlangen naar God, zoals de Psalmist dat beschrijft, wordt in onze dagen maar spaarzamelijk onder ons gevonden. Des te meer reden is er, ons te onderzoeken, of er iets van in ons eigen hart wordt gevonden. Waar liefde is, daar is ook de begeerte om bij het voorwerp der liefde te zijn. Als wij door het geloof in Christus mogen leven bij de schuldvergiffenis, die God ons uit genade wil schenken (Bij U is vergeving !), dan kan de liefde tot God niet achterwege blijven. Dan is er een hunkering naar de nabijheid van Hem, die groot is van goedertierenheid en bij Wie veel, verlossing is.
Dan zingen we de Psalmist na, die ook al weer naamloos is in de Schrift:
't Hijgend hert, der jacht ontkomen. Schreeuwt niet sterker naar 't genot Van de frisse waterstromen. Dan mijn ziel verlangt naar God.
(Rotterdam)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's