KERK EN THEOLOGIE
De ontwikkeling der theologie vertoont in haar geschiedenis een treffend beeld te midden van de reacties in het algemene culturele leven. Dit beeld is vooral daarom zo treffend, wijl zij te midden van de heen en weer golvende stromingen in de bewegingen der wereld aan een zuigkracht onderworpen wordt, die haar van het ene uiterste in het andere voert en in een tragisch conflict brengt met haar eigen wezen.
Wij ontkennen niet, dat zij in die weg ook haar invloed deed uitgaan op het culturele denken en streven. Doch zij vindt deze invloeden veelal terug in een verburgerlijkte gestalte, waaraan zij haar eigen vervreemding ontdekt.
Het is niet toevallig, dat de reformatoren hebben geworsteld om de zekerheid des geloofs en dat het zoeken naar zekerheid zich ook bij de wijsgeer vertoont, maar dan gericht op de kennis. Welke is de grond van de zekerheid van ons kennen en weten. Terwijl de kerk in de nieuwe geschiedenis haar vastigheid vindt in de zekerheid des geloofs, gegrond in het Woord, als grond, regel en richtsnoer des geloofs, grijpt de humanistische geest naar de zekerheid, welke haar grond vindt in het zelfbewustzijn van de mens. Dit laatste met een beroep op een woord van dezelfde Augustinus, die voor de reformatoren van zo grote betekenis is geweest.
Men zal moeilijk kunnen volhouden, dat dit beroep recht van bestaan heeft, maar het feit is van betekenis. En meer nog, dat de theologie van de na-reformatorische tijd, dank zij een ongegronde waardering ener natuurlijke Godskennis, zich heeft laten meeslepen in de wateren van een allengs heersend rationalisme. Zij verloochende haar eigen beginsel en werd oorzaak van een verdorring van het kerkelijk leven, die op haar beurt reacties wekken moest in de kringen van hen, wier gemoed uitging naar een geestelijk leven en bijbelse vroomheid.
In het algemeen wordt de reactie aangeduid als piëtisme, van pietas vroomheid. In binnen- en buitenland vindt men daarvan onderscheidene voorbeelden. Het geestelijk karakter des geloofs werd op de voorgrond gesteld en aangezien menige kerk in de officiële prediking van het „innige Christendom" verre verwijderd bleef, moest dit aanleiding geven tot sectarische vergaderingen, conventikels en gemeenschappen.
De geschiedenis kan aantonen, hoezeer ook deze reacties in tegengestelde eenzijdigheid de evenwichtigheid van een gezond geloofsleven lieten varen en vaak oversloegen in een geestelijkheid, die de tucht des Woords verliet en verdoolde in een ongeestelijk mysticisme.
In de negentiende eeuw zou de theologie ervaren, dat zij haar ontrouw aan eigen beginsel moest boeten met een smadelijke vernedering. Eenmaal als de koningin der wetenschappen geëerd, zou haar zelfs een plaats in de rij der wetenschappen worden ontzegd. De theologen, die daaraan hebben medegewerkt, hebben de kerk beroofd en zijn oorzaak geworden, dat deze instede van een pilaar der vastigheid in de woeling der geesten te zijn, is als een verbijsterd lam, onbeschermd en als door wolven Omringd, met machteloosheid geslagen.
Onder de heerschappij van de critische geest van het modern intellectuahsme, in een wereld, die allengs meer wegzonk in mens- en stofvergoding, vond zij bij velen slechts de waardering van een stukje overleefde cultuur.
Zoveel had zij van diezelfde geest in zich opgenomen, zoveel wereldgelijkvormigheid overgenomen, dat zij geen weerstand vermocht te bieden en geen kracht vond, haar roeping in getrouwheid te vervullen.
Instede van gesteund te worden door de theologen, werd de kerk veeleer door dezen in het moeras gedreven en aan de dienst van het gouden kalf overgeleverd.
Intussen werkte de wereld aan de verwezenlijking van wat zij als ideaal ontleende aan het versmade Christendom : naastenhefde en een paradijs op aarde zouden verwerkelijking vinden in nieuwe vormen van staat en maatschappij. Voor de kerk had men slechts het verwijt over, dat zij niet de sociale gerechtigheid had gebracht, waarvan de moderne mens droomde. Men sprak van het bankroet van het Christendom.
De ingezonken staat van het kerkelijk leven scheen dit oordeel te rechtvaardigen in de ogen van velen, die de kerk hadden verlaten en die ontrouw waren geworden aan haar geloof, of in onwetendheid waren opgevoed en heil zochten bij de profeten van de tijdgeest.
Zolang het culturele leven nog de laatste reserve van geestelijke en zedelijke krachten niet had verteerd, kon men nog vasthouden aan het vertrouwen in de mens en zijn vernuft, maar na de schrikbarende ontketening van de daemonische machten, die de wereld in verwarring zetten, kwamen twijfelzucht en angst de gemoederen vervullen. De grond, waarop men gebouwd had, zonk weg. Men kwam tot de ontdekking, dat men de betekenis van ,,geestelijke en zedelijke waarden", die men had veracht, verre had onderschat.
In deze crisistoestand kwam ook het verwaterd Christendom tot de ontdekking van zijn zwakheid en onmacht, als een lekgeslagen schip in de branding. Op zich zelf een hoopgevend verschijnsel, maar tegelijkertijd ook benauwend vanwege de onevenwichtigheid der reacties daar door gewekt. Daarin werkt bewust en onbewust het idealisme van de moderne geest door. Men strijdt met de mond tegen de verburgerlijking van de kerk, terwijl men metterdaad haar verwereldlijking bevordert en de wereld wil winnen door haar op een wijze tegfemoet te treden, die het doel moet missen.
De theologie, zo ver vervreemd van het Schriftgeloof der gemeente, tracht in nerveuze spanning los te komen uit het net, waarin zij zich zelf heeft verstrikt. Inderdaad heeft zij ondanks alles de Bijbel gelezen en daarin qp zijn minst gewedijverd met het voorgeslacht, maar zij heeft die anders gelezen dan de vaderen. Zij heeft die niet gelezen als Gods Woord, gelijk de kerk de Heilige Schrift belijdt, niet volgens haar opdracht en roeping om het geloof der kerk te verstaan en aan zijn eigen norm te meten, maar zij heeft veeleer onwillig en wantrouwig zifrh tegenover dat geloot gezet en gezocht naar argumenten, die het geloof der kerk als ongerijmd en onredelijk zouden doen voorkomen. Het Schriftgeloof ontbrak niet alleen aan de moderne theologie, maar moest vóór alles worden bestreden.
Nochtans achten wij de veelvuldige studie aan de Heilige Schrift ook in deze zin gewijd, niet vruchteloos, maai nu het schip der kerk in de branding worstelt, ervaart het weinig hulp van het theologische loodswezen. Dat is voor de kerk niet dodelijk, ook al slaat het schip uit elkaar om in de golven te verdwijnen. Wat van Christus is, verzinkt niet in de zee. Maar het is voor de wereld en de naaste toekomst niet hetzelfde, of de kerk behouden door de branding komt of in de kolken verdwijnt.
De theologie, door de algemene nood tot de orde geroepen, komt tot de ontdekking, dat zij zich met vele zaken heeft beziggehouden, zonder ernst te maken met de kerk, haar geloof en haar roeping.
In de kerk van heden kan zij slechts de verwarring aantreffen, die zij merendeels zelf heeft teweeggebracht, terwijl zij onder de last van haar vooroordelen verhinderd wordt van uit het Schriftgeloof der reformatorische confessie opnieuw te beginnen. Indien zij dat deed, zou zij ontdekken, dat zij in de nieuwigheden, die zij aan de kerk tracht op te dringen, niet alleen buiten haar bevoegdheid gaat, maar tegen de enige regel des geloofs in drijft.
Wij denken daarbij aan beschouwingen, structuur en methode van de z.g. nieuwe theologie, waarop wij nader willen terugkomen.
Er is in dit alles een zekere tragiek. Een kerk, die aan de grondslagen van haar leven ontrouw is geworden en zich heeft verlaten op allerlei wind van leer. Een theologie, die vervreemd van het eigen leven der kerk, de vitale kracht derft, welke zij nodig heeft, omdat zij uit het leven der kerk niet werd geboren.
Zij zouden beide tezamen haar eigen aard en wezen terugvinden, indien zij samen terugkeerden naar de belijdenis, om van de kerk, die daar aan het woord is, onderricht te worden omtrent haar leven.
Die weg is voor veleh blijkbaar te moeilijk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's