De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ONS KERKELIJK STANDPUNT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ONS KERKELIJK STANDPUNT

6 minuten leestijd

Onder deze titel verscheen in 1924 te Maassluis een brochure, uitgegeven door het toenmalig Hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond en samengesteld door de heren ds. Batelaan, Jongebreur en Goslinga.

Het leek mij nuttig enkele principiële en typisch reformatorische gezichtspunten uit deze brochure weer eens naar voren te brengen.

Men zocht in die dagen een weg „tot reformatie van de Kerk der belijdenis onder de Synodale Organisatie", waartoe een Commissie een Ontwerp had klaar gemaakt. Het Hoofdbestuur kon dit Ontwerp echter niet geheel onderschrijven en geeft hiervan rekenschap in deze brochure.

Onder meer wordt dan verklaard, dat het wezen der Hervormde Kerk niet is aangetast, zolang haar belijdenis niet ondergraven of geheel weggenomen wordt. Daarom wil men niets weten van afscheiding uit de oude Hervormde Kerk, die krachtens haar belijdenis nog altijd de Gereformeerde Kerk is.

"Voor ons is de Ned. Herv. Kerk als zodanig nog de Kerk der belijdenis. Ondanks de ongereformeerde Bestursinrichting is zij nog de openbaring van het Lichaam van Christus", (pg. 7). In het Ontwerp ging men echter uit van de gedachte, dat alleen zij tot de Kerk der belijdenis behoorden gerekend te worden, die zulks begeerden. Deze opvatting was volgens het Hoofdbestuur te individualistisch en in strijd met de Gereformeerde opvatting van het wezen der Kerk. Bovendien betekende dit „een loslaten van een brede groep , die door zijn Doop als het teken des Verbonds in de Kerk des Heeren is ingelijfd".

Juist om deze principiële gedachten over het wezen der Kerk naar reformatorische belijdenis, leek het mij goed deze gedachten ook nu weer naar voren te brengen, nu een ander Ont­ werp ter tafel ligt, n.l. de nieuwe Kerkorde.

Voor een Kerkorde is immers van primair belang hoe men de Kerk ziet en hoe men denkt over haar belijdenis, die in deze brochure zelfs het wezen der Kerk genoemd wordt. In ieder geval spreekt de Kerk in haar belijdenis zich uit over haar wezen. Nu meen ik, dat er in onze kringen t.a.v. de waardering der belijdenis wel overeenstemming wordt gevonden. Of er eenzelfde overeenstemming zal bestaan in onze visie op de Kerk, lijkt mij niet geheel zeker.

Sommigen immers willen volgens hun prediking en kerkelijke practijk het begrip Kerk louter beperken tot een gemeenschap van „bekeerden", zich beroepend op art. 27 der Ned. Geloofsbelijdenis. Daar wordt echter gesproken over de algemene Christelijke Kerk, zoals deze verspreid en verstrooid ligt over de ganse wereld. Hier is aan de orde de plaatselijke gemeente en de landelijke (Herv.) Kerk, of zo men wil de „zichtbare Kerk", al kent de H. Schrift deze onderscheiding niet. Volgens art. 29 Ned. Gel. Bel. is daar de ware Kerk, waar het Woord Gods verkondigd, de Sacramenten bediend worden naar Christus' instelling en Jezus Christus voor het enig Hoofd erkend wordt. Hier bepaalt dus niet het persoonlijk geloof der gemeenteleden het al of niet Kerkzijn, maar de verkondiging van het Woord Gods op alle terreinen der gemeente. Dit is ook specifiek Calvinistisch. Calvijn had blijkens zijn Commentaar op de Corinthebrieven een ruime gedachte over de Kerk als gemeente des Heeren. Zelfs deze gemeente te Corinthe, waar zoveel ketterijen en grove zonden heersten, erkende hij nog als „gemeente des Heeren".

Op reformatorisch standpunt zullen wij dus deze opvatting t.a.v. de plaatselijke gemeente en de gehele Kerk moeten delen — voorzover althans de Christus der Schriften beleden wordt. ledere andere opvatting leidt tot sectarisme, aangezien dan toch eigenlijk de gemeente gezien wordt als een gemeenschap van heidenen, waarbinnen dan „Gods volk" gevonden wordt. Het gevaar ligt voor de hand, dat de anderen van alle verantwoordelijkheid ontheven worden, omdat men bij deze opvatting niet kan komen met de eis van Gods Verbond! Calvijn zag de gedoopte gemeente als een gemeente, die het teken des Verbonds draagt. Juist daarom kon hij tot deze gemeente komen met de eis Gods. Deze gemeente leeft immers onder het genadeverbond, waarin twee delen zijn begrepen : het éne is Gods liefde en genade in Christus, het andere, dat wij door dit Verbond vermaand en verplicht worden tot een nieuwe gehoorzaamheid. Hier komt de betekenis van de H. Doop ten volle tot zijn recht, evenals de besnijdenis onder het oude Verbond enerzijds een pleitgrond was om Gods beloften aan te grijpen en anderzijds de besnedene er aan herinnerde, dat God recht op hem had. Zo moet ook voor iedere gedoopte de Doop tot een pleitgrond zijn van Gods genade in Christus, maar ook tot een teken van het recht, dat God op hem heeft.

Natuurlijk heeft deze opvatting op de practijk der prediking grote invloed. Waar de gemeente niet gezien wordt als levend onder het genadeverbond, zal „Gods volk" een bijzondere plaats krijgen in de prediking, terwijl de anderen hoogstens opgeroepen worden tot bekering onder aanzegging van het oordeel, of, wat erger is, over hen hoogstens de wens wordt uitgesproken, dat het de Heere behagen mocht ook hen nog eens tot verandering te brengen. Hier wordt echter alle schuldbesef over het feit, dat men de Heere niet dient krachtens het genadeverbond, gemist. Het feit, dat de H. Doop ons dubbel verantwoordelijk stelt tegenover God, wordt hier niet eens aangeroerd.

Natuurlijk moeten allen steeds weer opgeroepen worden tot bekering, ook Gods volk, maar bij deze beschouwing is het enig motief, dat men anders verloren zou gaan, waardoor dus niet de ere Gods vooropgesteld wordt, maar het eigen zielsbelang. Wanneer de gemeente echter op haar Doop en dus op haar verantwoordelijkheid gewezen wordt, komt een heel ander motief tot bekering naar voren, n. I. de grove zonde van ongehoorzaamheid aan Gods eis en de verharding des harten, ondanks het duidelijk bewijs van Gods liefde en genade in Christus, dat immers in de Doop verzegeld is. Hier komt God alleen aan Zijn eer! In deze echt Calvinistische prediking zal ons dus niet slechts de angst voor het gericht Gods tot bekering drijven, maar zal juist het bewusïzij|i van onze verharding tegen 's Heeren nodigende roepstem in Woord en.Sacrament ons in ootmoedig schuldbesef voor Gods aangezicht doen neerknielen. Dit alles natuurlijk onder voorbehoud van het werk des Heiligen Geestes;

(Slot volgt)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

ONS KERKELIJK STANDPUNT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's