De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ISRAËL

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ISRAËL

4 minuten leestijd

II.

Wat zullen wij tot deze dingen zeggen ? Er schuilt een geweldig stuk tragiek in de geschiedenis van het Joodse volk. Telkens worden wij herinnerd aan de oude Griekse treurspelen, die ons verhalen van mensen, die hun noodlot willen, doch niet kunnen ontlopen. Wij denken aan het verhaal van koning Oedipus. Bij zijn geboorte ontving diens vader een godsspraak, dat dit kind zijn vader zou doden en met zijn moeder zou trouwen. Om dit te voorkomen geeft zijn vader de kleine Oedipus aan een herder, met het bevel, dat deze dit kind in het gebergte moet doden. De herder echter; met medelijden bewogen, doodt het kind niet, maar geeft het aan een andere herder, die niet weet, wie dit kind is. En al wat de mensen, ook Oedipus zelf, verder doen, dient slechts om de vreselijke godsspraak te vervullen.

Zo staat er ook een Godsspraak aan het begin van Israels geschiedenis. Een vreselijke Godsspraak, die de eeuwen door vervuld wordt, hoezeer ook Israël haar alle eeuwen door tracht te ontlopen.

Dit is de Godsspraak, die wij vinden in Deuteron. 28. De Heere heeft Zijn Verbond opgericht met Israël. Dit volk draagt door de eeuwen Gods belofte mede : „Ik zal u tot eea God zijn, en voor uw zaad na u, tot een eeuwig verbond — en gij zult Mij tot een volk zijn".

Deze belofte Gods betekent voor Israël een geweldig voorrecht, maar ook een hoge en dure roeping. Israël is onder de volken Gods eerstgeboren zoon, heeft dus het eerstgeboorterecht. Doch nu heeft het ook God als .zijn Vader te erkennen. God de Heere heeft Zich een Vader voor hen getoond door hen op wonderbare wijze te verlossen uit Egypte. Daarom heeft Zijn volk Hem ook als Vader te eren en Hem gehoorzaam te zijn.

„Aldus zult gij tot het huis Jakobs spreken en aan de kinderen Israels verkondigen : Gijlieden hebt gezien, wat Ik de Egyptenaren gedaan heb, hoe Ik u op vleugelen der arenden gedragen en u tot Mij gebracht heb : nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stemme zult gehoorzamen en Mijn Verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken ; want de ganse aarde is Mijn — en gij zult Mij een priesterlijk Koninkrijk en een heilig volk zijn" (Exodus 19 : 3—6).

Israels leven staat dus onder het teken van Gods Verbond en Gods belofte. Maar dat Verbond is nooit een noodwendige band, die de Heere zou.binden aan Zijn volk. Israël heeft op Gods belofte geen vanzelfsprekend recht. De belofte moet in geloof worden aangenomen. De keerzijde der belofte is de roeping tot gehoorzaamheid. Israël zal Gods eigendom zijn uit alle volken, indien : „indien gij naarstiglijk Mijner stemme zult gehoorzamen en Mijn Verbond houden !"

Dat is ook de inzet van bovengenoemde Godsspraak in Deuteron. 28. „En het zal geschieden, indien gij der stemme des Heeren uws Gods vlijtiglijk zult gehoorzamen, waarnemende te doen al Zijn. geboden, die ik u heden gebied, zo zal de Heere uw God u hoog zetten boven alle volken der aarde. En alle deze zegeningen zullen over u komen en u aantreffen, wanneer gij der stemme des Heeren uws Gods zult gehoorzaam zijn". Die zegeningen worden opgesomd Deut. 28 : 3—14. Het deel hebben aan die zegeningen wordt doorlopend gebonden aan de conditie : „wanneer gij de geboden des Heeren uws Gods zult houden en in Zijn wegen wandelen".

,,Daarentegen zal het geschieden, indien gij der stemme des Heeren uws Gods niet zult gehoorzaam zijn om waar te nemen dat gij doet al Zijn geboden en Zijn inzettingen, die ik u heden gebied, zo zullen alle deze vloeken over u komen en u treffen".

En als deze vervloekingen worden opgesomd in Deut. 28 : 16—68, treft het ons, dat daaraan zoveel meer aandacht wordt besteed, dan aan de zegeningen. Het is, alsof de Heere daar reeds voorziet de geschiedenis van Israël: een lijdensweg van eeuwen.

Doch dit is niet het lijden van een onschuldige, dat enkel medelijden wekt. Het zijn tenslotte niet de mensen zonder meer, die onafzienbaar veel ellende over Israël brengen. Telkens en telkens weer wordt de Godsspraak herhaald : „De Heere zal onder u zenden de vloek, de verstoring en het verderf, in alles waaraan gij uw hand slaat dat gij doen zult; totdat gij verdelgd wordt en totdat gij haastelijk omkomt, vanwege de boosheid uwer werken, waarmede gij Mij verlaten hebt". (Deut. 28 : 20).

De Heere doet het. „De Heere zal u slaan : dat is het refrein in deze vreselijke Godsspraak, waarin beschreven wordt de geschiedenis van Israël, zoals wij die weer voor onze ogen zich zien afspelen. ,,En de Heere zal u verstrooien onder alle volken en aldaar zult gij andere goden dienen Daartoe zult gij onder die volken niet stil zijn, en uw voetzool zal geen rust hebben "

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

ISRAËL

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's