De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ISRAËL

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ISRAËL

11 minuten leestijd

III

De Heere doet het. De Heere slaat . . . .. 

Wordt deze zijde van de zaak niet al te zeer vergeten in de discussie, die weer ontstaan is rondom Israël ? 

In het weekblad „De Waagschaal" van 18 Juni 1948 schrijft (ds.) K. H. K(roon) over de Jodenrazzia op 20 Juni 1943. Het is goed, dat over deze gruwelen telkens weer geschreven wordt, want wij vergeten snel en graag, wat ons kan doen kleuren van schaamte. Daaronder behoort ook in menig opzicht onze houding tegenover het Joden-vraagstuk in de bezettingstijd. 

Toch kan ik niet in alles accoord gaan met ds. Kroon. In het bijzopder niet met de volgende passage uit zijn artikel:

„Laten wij de gelegenheid aangrijpen om ons volk op deze Zondag te zeggen . . . . . wat er toen eigenlijk gebeurd is. Laten wij het vooral onze kinderen inprenten, opdat zij het voor hun gehele leven zullen weten ; dit land is verontreinigd geworden door een goddeloosheid, waarbij alle „atheïsme" der z.g.n. „godlozenbeweging" kinderspel is en tot een theoretische aangelegenheid ineenzinkt. Het antisemitisme, de zonde tegen de Heilige Geest bij uitstek, heeft ons volk in zijn greep gehad en wij hebben er ons maar betrekkelijk weinig effectief tegen kunnen verweren". (Cursivering van ds. K.).

Tegen deze passage heb ik drie bezwaren.

Ten eerste, dat het lichtvaardig is om het „atheïsme" der z.g.n. „godlozenbeweging" , al is het vergelijkenderwijze, kinderspel en een theoretische aangelegenheid te noemen. Ik vrees, dat de slachtoffers achter het „ijzeren gordijn" daarover anders zullen oordelen. Is destijds niet in Sowjet-Rusland een standbeeld voor Judas opgericht? Het kan voor ons de vraag zijn, in hoeverre de godlozenbeweging, in Rusland haar doel heeft bereikt. Het kan zijn, dat de tactiek der officiële instanties in Rusland tegenover de Kerken veranderd is. Dit wil echter volstrekt niet zeggen, dat de geestelijke instelling van het communisme tegenover de godsdienst veranderd is. En hoe weinig dit een theoretische aangelegenheid is, kan men lezen in hetgeen de Russische filosoof Berdyaev schrijft over „Russische religieuse psychologie en communistisch atheïsme".

Mijn tweede bezwaar is, dat het ongeoorloofd is en een volkomen verwarring van begrippen, om het antisemitisme te noemen „de zonde tegen de Heilige Geest bij uitstek". Op grond van de Bijbelse gegevens (Matth. 12 : 24-32, Hebr. 6 : 4—6, e.a.) meen ik te mogen zeggen: de zonde tegen de Heilige Geest wordt bedreven, wanneer iemand in zijn ziel overtuigd is, dat God werkzaam is, doch willens en wetens stelt hij dit voor als Satans werk. Dit kunnen wij toch moeilijk toepassen op de Jodenpogroms der Christen-Kruisvaarders, waar ds. K. op wijst. Deze waren een uitvloeisel van het misverstand, alsof alleen de Joden, en niet wij, heidenen, schuldig staan aan de kruisdood van Christus. Dit is de zuurdesem der Farizeërs. Het is eigengerechtigheid, maar niet bij uitstek de zonde tegen de Heilige Geest.

Mijn derde bezwaar geldt de uitdrukking van ds. K., dat het antisemitisme „ons volk in zijn greep heeft gehad en wij hebben er ons maar betrekkelijk weinig effectief tegen kunnen verweren !"

Het antisemitisme hééft ons volk niet in zijn greep gehad. Dit zou eerst dan het geval geweest zijn, wanneer ons volk gehoor had gegeven aan de antisemitische propaganda der nationaal-socialisten; wanneer het dus zélf bevangen was door Jodenhaat en actief had meegewerkt aan l\et deporteren en ombrengen der Joden. Dit nu is stellig niet het geval geweest. De Februari-staking in 1942 te Amsterdam is daar om dit te bewijzen. Om niet te spreken van de velen, die eigen vrijheid en leven hebben gewaagd door Joden als onderduikers te herbergen. Dat ons verzet niet meer effectief is geweest, is bijzaak. Dit lag o.a. aan de tactiek van de bezetter, die ons isoleerde : wat wist men b.v. te Rotterdam van wat er te Amsterdam gebeurde, vóórdat het gebeurd was ?

Ik zeg deze dingen niet om onze schuld te verdoezelen. Op een bijeenkomst, ik meen te 's Gravenhage, midden in bezettingstijd, heeft dr. Gravemeijer ons met grote ernst gezegd : „Mannen broeders, als wij allen deden, wat wij moesten doen en alles zeiden, wat wij moesten zeggen, hadden wij allen al tegen de muur gestaan !" Dit was waarheid. Het invullen der „Joden-verklaringen" is fout geweest — al ware ook daarover méér te zeggen . . . .. . ..

Doch het erkennen van onze schuld en nalatigheid neemt niet weg, dat het Joden-vraagstuk nog een andere zijde heeft, die niet verwaarloosd mag worden.

En die andere zijde raakt in de eerste plaats niet ons volk, maar de Kerk — èn de Joden zelve.

Voor de Kerk is inderdaad het antisemitisme een vraagstuk van de eerste rang. De voorbede voor de Joden was voor de Kerk in bezettingstijd van minstens even groot belang en wezenlijke betekenis, als de voorbede voor H. M. Koningin Wilhelmina en Haar Huis.

Wij hadden steeds beleden, dat de Koningin over ons regeerde ,,bij de gratie Gods". Nu moest blijken of wij die belijdenis getrouw bleven, ook al bracht zij ons in gevaar, wanneer wij voor Haar bleven bidden naar het woord van Paulus in 1 Tim. 2 : 1 en 2.

Wij hebben steeds beleden, dat Israël het eerstgeboorterecht heeft onder de volken, en dat de zaligheid uit de Joden is. Nu moest blijken, of wij die belijdenis getrouw bleven, juist in gevaar.

Doch het feit blijft, dat de Joden zélve over het algemeen de zaligheid in Christus blijven verwerpen ! En dit feit wordt al te zeer verzwegen in de huidige discussie, die plaats vindt rondom Israël.

God heeft Zijn Verbond opgericht met Israël. Doch dit Verbond ligt vast in Jezus Christus. Israël is onder de volken uitverkoren, opdat in Hem alle volken der aarde gezegend zouden worden. Israël is uitverkoren om Christus wil: om de komst van Christus vóór te bereiden, om de Christus voort te brengen, en om Hem te verkondigen aan alle volken als de Zaligmaker der wereld.

Maar Israël heeft zijn roeping niet verstaan. Het is aan zijn roeping ongehoorzaam geworden, en verloor dus feitelijk zijn recht van bestaan. Het heeft zijn profeten gedood en gestenigd, die tot hen gezonden werden. En ten laatste heeft het Gods eigen Zoon uitgeworpen en gekruisigd. Het heeft de gemeente van Christus vervolgd en gedood, geblazen dreiging en moord.

Wij zijn in onze ziel overtuigd, dat het antisemitisme van de leiders van het nationaalsocialisme zich in diepste grond richtte tegen Jezus van Narareth, de Koning der Joden. Wij zijn overtuigd, dat het nationaal-socialisme, had het overwonnen, na de Joden ook de Kerk van Christus zou hebben aangepakt en zo het mogelijk ware, uitgeroeid. 

Dit neemt niet weg, dat in hun haat tegen Jezus Christus de Joden stonden aan de zijde van hun antisemitistische vijanden. En daar staan zij nóg.

In het boven aangehaald artikel uit „De Stem van Israël" is geen spoor van verootmoediging, van bezinning, van zelf-onderzoek.

Als dit werkelijk is ,,de stem van Israël", dan is Israël blijven steken in een leer van ras, bloed en bodem, die op één lijn ligt met het nationaal-socialisme. Vol nationale trots wordt Israël vermaand om terug te grijpen op zijn geschiedenis : ,,leest en herleest hoe ons volk steeds weer door het vuur gegaan is, telkens opnieuw door de laaiende oven, maar ons volk bleef leven". Maar Daniel's vrienden werden in de vurige oven geworpen, omdat zij de knieën niet wilden buigen voor het beeld van Nebukadnezar. Hier wordt de knie wél gebogen, en de natie wordt tot een afgod, ook voor Israël.

Mozes heeft eenmaal verwonderd gestaan over het braambos, dat brandde, doch niet verteerde, omdat de Heere in het braambos was. Zinnebeeld van het volk Israël, dat menigmaal door het vuur gegaan is, doch niet verteerde, omdat de Heere in hun midden was.

Doch deze belijdenis missen wij in „De stem van Israël". Daar luidt het: „Wij hebben besloten om te leven. Groter dan de ,,oude stad" is het Joodse Jeroesjalajim". Groter dan Jeroesjalajim—Jisraeel". Als wij voor ,,Joods" lezen: „Duits", voor , .Jeroesjalajim" : „Berlijn", voor ,,Jisraeel" : ,,Duitsland" — dan herkennen wij de stem van . . . . . Hitler !

,,De stem van Israël" zegt: „Ook ditmaal zijn wij door het vuur gegaan — ook ditmaal zullen wij de brand overleven als een mysterie voor de wereld — als een les voor onze vijanden". Wij voegen er aan toe : „als een teken van Israels God — als een les voor Israël: als een roep tot bekering !"

„Heilig waren ons en zijn ons vele — ja, alle plaatsen van het oude Jeruzalem — heiliger is ons het leven onzer mensen, de kracht van ons volk — de opbouw van ons land". Doch niet wordt gerept van het heilig recht van Israels God !

,,En heiliger nog ons recht op Erets Jisraeel (op het land van Israël), dat wij bevestigd hebben in eeuwenlange trouw — in opofferende arbeid en in bloedige strijd".

Maar, "de stem van Israël vergeet", dat Israels recht op het land van Israël enkel en alleen berust op Gods belofte. En die belofte is verbonden met de eis der gehoorzaamheid : „wanneer gij zult horen naar de geboden des Heeren uws Gods".

En in de Godsspraak van Deut. 28 wordt met grote nadruk gedreigd : wanneer Israël de stem van de Heere zijn God niet gehoorzaam zal zijn, dan zal de Heere hen verdoen en verdelgen, ,,en gij zult uitgerukt worden uit het land, waar gij naar toe gaat om dat te erven". Het slot van Deut. 28 spreekt een duidelijke taal, die in onze dagen weer op vreselijke wijze bewaarheid is geworden . . . . . .

Maar Israël ziet dat niet. Het is geslagen, maar het heeft geen schuld gevoeld. Wij kunnen verstaan, dat het niet gedenkt aan de roep der vaderen voor Pilatus : „Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen !" Want dit volk verwerpt nóg Jezus als de Christus, en leest daarom niet de boeken van het Nieuwe Testament.

Maar leest Israël nog wel de boeken van Mozes en de Profeten ? Leest het nooit meer Deut. 28 ? Daar wordt gesproken van een vreselijk oordeel : „De Heere zal u slaan met onzinnigheid, en met blindheid, en met verbaasdheid des harten; dat gij op de middag zult omtasten gelijk als een blinde omtast in het donker, en uw wegen niet voorspoedig zult maken, maar gij zult alleenlijk verdrukt en be­roofd zijn alle dagen, en daar zal geen verlosser zijn'.

Is dan ook dit aan Israël in vervulling gegaan ?

Intussen is het lot van Israël niet slechts een les voor Israël, maar ook voor óns.

Het past ons niet om onszelf op de borst te slaan en de staf te breken over Israël. Wij hebben het oordeel niet. Wij mogen ons niet plaatsen op Gods Rechterstoel.

Dit wil niet zeggen, dat het bovenstaande verzwegen zou mogen, worden. Want Jezus heeft gezegd: „Die Mij verwerpt en Mijn woorden niet ontvangt, hééft die hem oordeelt: het woord, dat Ik gesproken heb, dat zal hem oordelen ten laatsten dage". (Joh. 12 : 48). Dit moeten ook de Joden weten. Stéfanus in zijn rede in Hand. 7 heeft deze harde waarheid voor zijn volk niet verzwegen !

Doch wij, voordat wij ons het oordeel zouden aanmatigen — wij hebben te luisteren naar het woord van de Heiland : ,,Maar indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen desgelijks vergaan !" (Lukas 13 : 3 en 5).

Het volk Israël staat als een opgericht teken midden in de geschiedenis der mensheid, ook in onze dagen.

Wij roemen zo gaarne, dat de Kerk van Christus is het Israël van het Nieuwe Testament. Israël heeft zijn recht verspeeld, zijn eerstgeboorterecht. Nu is God tot óns, heidenen, gekomen en heeft Zijn Verbond met óns opgericht.

Tot op zekere hoogte moge dit waar zijn. Maar laten wij dan ook wél bedenken, dat de Heere niet verandert, en dat ook Zijn Verbond met ons niet veranderd is. Wij staan onder dezelfde wet als Israël. Ons recht op het land der belofte, ons recht op het nieuwe Jeruzalem, vindt zijn grond enkel en alleen in Gods belofte. Maar Gods belofte is verbonden met de eis der gehoorzaamheid! ,,Wie in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven ; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem !" (Joh. 3 : 36). Israels lot is ons een waarschuwend teken van God. Een schip op het strand is een baken in zee. Indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen desgelijks vergaan!

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 1948

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ISRAËL

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 1948

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's