MEDITATIE
Een rijke belofte voor een arm volk
En zie, Ik ben met ulieden alle de dagen, tot de voleinding der wereld. Mattheüs 28 vers 20.
Toen eens aan iemand de vraag gedaan werd, wat naar zijn mening het armste volk op aarde was, gaf hij dit antwoord : Gods volk. En toen hem daarna gevraagd werd, wat naar zijn gedachte het rijkste volk was, gaf hij hetzelfde antwoord en sprak wederom : Gods volk.
Wonder iets. Hoe kan nu een volk tegelijk zeer arm en zeer rijk zijn ? Hoe wonderlijk dit ook lijkt, toch is het waar en wordt het door Gods Woord bevestigd.
Van Gods volk geldt, dat het een arm volk is. Nu bedoel ik dat niet in de eerste plaats in stoffelijk opzicht. O zeker, 't wordt nog telkens ervaren, wat Paulus schreef aan de gemeente van Corinthe (1 Cor. 1 vers 26) : ,,dat gij niet vele wijzen zijt naar - het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen". Maar, wanneer ik zeg dat Gods volk een arm volk is, dan bedoel ik dit in geestelijke zin.
Zij zijn arm. Dat zijn zij door de Heere gemaakt. Van zichzelf meenden zij evenals de gemeente van Laodicea, dat zij rijk en verrijkt waren en geen ding gebrek hadden en zij wisten niet, dat zij arm, ellendig, jammerlijk en arm en blind en naakt waren. Door ontdekkend Geesteslicht werd dit anders. Zij werden arm van geest. De Heere liet hen zien, dat zij door eigen schuld Hem misten. Ja, dat hun zonden scheiding maakten tussen Hem en hen en zij niet in staat waren om zichzelf anders te maken. Het was daardoor, dat zij zich hoe langer hoe meer leerden veroordelen en gering van zichzelf begonnen te denken, zodat zij met Paulus moesten belijden, dat in hen, dat is in hun vlees, geen goed woonde. Zo werden zij arm en moesten belijden, dat zij van zichzelf niets bezaten en zij van gegeven goed moesten leven. En niet alleen werden zij arm, maar moesten zij het ook ondervinden, dat zij het bleven. Hoe verder zij op de weg werden geleid, hoe armer zij werden. Ja, zij ondervonden de waarheid van het woord : ,,Ik zal doen overblijven , een arm en ellendig volk".
Geldt het dus in waarheid van al Gods kinderen dat zij o zo arm zijn, aan de andere kant is het óok waar, dat zij o zo rijk zijn.
Rijk, omdat God hun Vader is, ook al durven zij menigwerf het ,,Abba Vader" niet te zeggen. Rijk, omdat zij erfgenamen des eeuwigen levens zijn en hun eenmaal het goed ten deel zal vallen, dat weggelegd is voor allen, die de Heere vrezen. Voor hen gelden ook de woorden, door Jezus Christus eenmaal gesproken : „Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen".
Maar rijk zijn zij óok, omdat zij het eigendom van Jezus Christus zijn en Hij voor hen de belofte gegeven heeft: „Ik ben met ulieden, al de dagen tot de voleinding der wereld".
Deze woorden bevatten een belofte, door de verrezen Christus aan Zijn discipelen en in hen aan Zijn gemeente gegeven, voordat Hij opvoer ten hemel. Wanneer Hij hun als taak geeft om heen te gaan en het evangelie te prediken in de gehele wereld, de volken te onderwijzen en te dopen, dan belooft Hij, dat Hij met hen zijn zal al de dagen tot de voleinding der wereld. En om hen nog meer te sterken, voegt Hij er aan toe : „Mij is gegeven alle macht, in hemel en op aarde".
Wat ligt daar een troost in die woorden. Waar is het schepsel, dat macht heeft in de hemel ? Er zijn machtige aardse vorsten. Denk aan Farao, Salomo en Nebukadnezar, Augustus en ook nog aan Napoleon. Deze laatste sprak eenmaal tot zijn zoon : „Mijn zoon, laat God maar regeren in de hemel; gij en ik zullen het wel op aarde doen!"
Droeve woorden, maar ook woorden, waaruit duidelijk sprak, dat hij geen macht had in de hemel. Neen, dat heeft geen mens. Alleen Jezus Christus. Dat heeft de moordenaar aan het kruis ondervonden. Tot hem klonk het: heden zult gij met Mij in het paradijs zijn. Dat heeft ook die grote schare ondervonden, die Johannes zag staan voor de troon en het Lam. Het is daarom Goddelijke genade, wanneer een mens eenmaal komt in het Vaderhuis met vele woningen.
Maar Jezus Christus, Die het woord van onze tekst sprak, heeft niet alleen alle macht in de hemel, maar ook op de aarde.
Het lot der volkeren, ook voor onze tijd, en dat van Gods kinderen in het bijzonder, ligt in de hand van de Christus. En zie, die Christus, Wien gegeven is alle macht in hemel en op aarde, beloofde, dat Hij met de Zijnen alle dagen zou zijn tot de voleinding der wereld.
Maar wat betekenen deze woorden ? Zijn zij eigenlijk niet in tegenspraak met Zijn heengaan ? Is dat mogelijk, heengaan en toch altijd blijven ? Een mens kan dat niet, maar Jezus Christus wèl. Hem is daarvoor gegeven alle macht in hemel en op aarde. Hij zegt wel, dat Hij eenmaal met Zijn discipelen, ja met al de Zijnen zal zijn in het Vaderhuis met vele woningen ! O zeker, dat zal ook worden ervaren. Maar wat onze tekst bedoelt, dat is, dat er een onafgebroken gemeenschap zal zijn tussen Jezus Christus in de hemel als het Hoofd en de Zijnen hier op aarde als de leden van het lichaam.
Steeds is Hij met de Zijnen. Ja, Hijzelf. Hij zendt in Zijn plaats geen engelen. Neen, Hij vervult Zijn belofte, dat Hij met de Zijnen is. Het gevoelen van die gemeenschap moge bij Zijn kinderen niet altoos even sterk zijn ; er mogen tijden komen, dat zij met David moeten klagen : zou er wel wetenschap zijn bij de Allerhoogste, en dat de Heere door hun eigen schuld, evenals bij de Bruid uit het Hooglied, Zich met Zijn gevoelige genade moet terugtrekken, nochtans, aan zichzelf overlaten doet Hij hen nimmer. Hij is altijd met de Zijnen, ook al hebben de Zijnen er dikwijls geen oog voor. Er is geen dag, geen uur, waarin de Heere de Zijnen aan zichzelf overlaat.
Welk een wonder van genade en liefde! Denk het u een ogenblik in : die Heere, de Heilige, die kon zeggen : wie overtuigt Mij van zonde, altijd met mensen, die moeten belijden dat er in hen geen goed woont.
De Heere, de Almachtige, altijd met hen, die zonder Zijn wil zich niet roeren, noch bewegen kunnen.
De Heere, de Getrouwe, met hen, die moeten belijden dat zij telkens zo ontrouw zijn. Welk een nederbuigende goedheid !
En hoe is Hij met de Zijnen ?
Allereerst met Zijn gedachten.
Wat een voorrecht, als wij mogen weten dat iemand in liefde aan ons denkt. Welk een bemoediging voor onze jongens in Indië, voor onze Zendelingen en hun gezinnen, als zij het telkens mogen ervaren dat hier in het Moederland aan hen gedacht wordt.
En toch al denken mensen aan ons in liefde, wat blijkt het telkens, dat het nietige mensen zijn, die dit doen. Wat is dat in de tijd van de bezetting ervaren. Hoeveel werd er gedacht aan hen, die gevangen zaten of naar Duitsland waren vervoerd.
Hoe gans anders is het met de Heere. Wanneer Hij aan de Zijnen denkt — en dat doet Hij steeds — dan zullen alle dingen medewerken ten goede. Dan gaan voor Petrus de gevangenisdeuren open. Dan wordt de ziel van Lazarus gedragen in de schoot van Abram.
Welk een zaligheid, te mogen ervaren, dat de Heere in genade aan ons denkt. David kende daar iets van en zong daarom :
Schoon 'k arm ben en ellendig, Denkt God aan mij bestendig.
En wat David heeft ondervonden, is de ervaring van allen, die zonder de Christus niet kunnen leven.
Maar de Heere Christus is niet alleen met Zijn gedachten met de Zijnen, maar ook met Zijn genade. Het is zo waar, wat de Catechismus zegt, dat Christus naar Zijn Godheid, Majesteit, Genade en Geest nimmer van de Zijnen wijkt. O, welk een zegen ! Hoe weinig wordt de rijkdom daarvan verstaan.
En toch, als Gods kind zijn weg eens mag overzien, moet hij dan Gods goedertierenheid niet roemen en met Jacob uitroepen : Heere, ik ben geringer dan al deze weldadigheid en trouw ?
En nu is Jezus Christus al de dagen met de Zijnen. Die dagen kunnen zo verschillend zijn. Er zijn dagen van vreugde en van droefheid. Vele. zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen, maar uit die alle redt de Heere.
Ja, al de dagen is Hij met de Zijnen. Ook de dag, waarop 's Heeren kinderen gaan door het dal van de schaduwen des doods. Alles verlaat ons dan. Alles en allen moeten wij achterlaten. Maar zalig de mens, wiens leven Christus was, het sterven zal hem ook gewin zijn. Eeuwig zullen zij dan met Hem zijn. Nooit meer zullen zij dan behoeven te klagen, dat hun zonden scheiding maken tussen God en hun ziel.
Dat wij niet rusten, voordat wij weten dat dit eenmaal ons deel zal zijn !
(Lopikerkapel)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 1948
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 1948
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's