Subjectieve en objectieve prediking
I
De predikkunde - voor zover mij bekend althans — kent de onderscheiding subjectieve en objectieve prediking niet in de zin, als hier bedoeld. Wel weet zij van een objectief en subjectief gedeelte van de Dienst des Woords te spreken als onderscheiding van het voorgeschreven liturgisch gedeelte en de eigenlijke predicatie. Oudtijds en heden ten dage nog in Engelse en Lutherse kerken maakt de liturg bij het objectieve deel en gebruik van de kansel, maar van een lessenaar, terwijl hij spreekt van de kansel af. De predikatie als zodanig is dus het subjectieve deel. (Vgl. dr. A. Kuyper. Onze Eredienst, Kampen, 1911, blz. 279 v.v.)
De omstandigheid reeds, dat de Noodraad verzocht om over subjectieve en objectieve prediking te refereren, maakt het wel heel duidelijk, dat geen verhandeling wordt verwacht over de verhouding, tussen liturgie en predicatie, maar over een practische onderscheiding van methode en inhoud, de preek zelf betreffende, zoals die in de gemeente wordt aangetroffen. Men behoeft zich nog niet bezig te houden met de Evangelisaties om te weten, dat het hier gaat om een critisch punt in de waardering van de preek, hetwelk zelfs onverzoenlijke tegenstellingen kan oproepen.
Allereerst dient alzo nader bepaald, wat men dan met deze terminologie : onderwerpelijke en voorwerpelijke prediking, bedoelt.
Daarna kan worden onderzocht, welke zin deze onderscheiding kan hebben en in welk opzicht daaraan een theologische betekenis kan worden toegekend.
Ten slotte dient te worden nagegaan, in hoeverre deze onderscheiding recht van bestaan kan hebben en in de predikkunde een recht op erkenning kan doen gelden.
Een dergelijke behandeling zal er van zelf toe kunnen leiden de argumenten te ontwikkelen, welke al of niet verwachting mogen geven de moeilijkheden der practijk te kunnen overwinnen.
Ad 1. Wat bedoeld wordt.
Bedoeld wordt een, onderscheiding niet in de prediking der Waarheid en een prediking, welke men leugenprediking acht te zijn, maar van de ware prediking en wat zulk een waardering niet verdient. Ook de objectieve prediking wordt in het hier bedoelde verband, wel als prediking der Waarheid erkend, maar de wijze, waarop zij wordt gebracht, is niet de ware prediking.
Het gaat dus niet over onzuiverheid in de leer — althans naar het schijnt — maar over de methode. Wij zullen straks kunnen opmerken, dat het zo simplistisch toch ook weer niet is en toch wel wat met de leer en zeker met de aard en het karakter van de religie van Christus te maken heeft.
Dit komt reeds daarin uit, dat de voorstander van de subjectieve prediking de objectieve prediking — zoal niet veroordeelt, dan toch als halve prediking, die tekort schiet, beoordeelt.
De objectieve prediker tracht de Waarheid Gods te ontvouwen voor de gemeente. ,,De gemeente, die haar gaarne hoort, wordt gedragen door het besef van de kostbaarheid der goederen, ons van de vaderen overgeleverd" . . . . .
„Er zijn er, Gode zij dank, nog velen, die dat oude niet verouderd achten, maar de Waarheid, vóór vier eeuwen als opnieuw aan, het licht gebracht, eren en liefhebben. Zij willen de beginselen zien vastgehouden, de lijnen door getrokken en de Waarheid zuiver voorgesteld".
„Daarnaar streeft dan ook de voorwerpelijke prediking. (Voorwerpelijke en onderwerpelijke prediking. Referaat, gehouden op de 13de jaarvergadering van de Geref. Bond, door prof. dr. J. A. C. van Leeuwen, blz. 8).
Wij willen prof. Van Leeuwen nog even aan het woord laten om te doen horen, dat het twistgeding niet gaat over de Waarheid of over de leer. „Zij beweegt zich" —' zo gaat prof. Van Leeuwen verder — „om de voornaamste stukken der gereformeerde leer, en spreekt over de verkiezing, over de vrijmacht Gods, over de heerlijkheid der schepping, de staat der rechtheid en de val des mensen, over zijn onvermogen tot het waarachtig goed; zij heeft het over de volkomenheid van het werk van de Middelaar ; over de genoegzaamheid van Zijn verzoenend en borgtochtelijk lijden; zij verzuimt niet te wijzen op de noodzakelijkheid der wedergeboorte, en de eis van bekering en geloof te doen horen ; zij handelt van de rechtvaardigmaking, de heiligmaking en verheerlijking ; zij verheerlijkt dé genade van de Heilige Geest, door Wiens machtige werking de dode zondaar wordt levend gemaakt, en de blinde ogen geopend", (blz. 8).
Men zou zo zeggen, dat de gemeente daarmede tevreden kan zijn. Wat wil men nog meer ? Heel erg formeel gesproken, heeft de gemeente recht op nog wat meer, hetwelk, de „voorwerpelijke" prediker, die in het citaat wordt getekend, zelfs naar zijn voorwerpelijke maatstaf gaarne heeft. Immers de confessie geeft nog meer dan het daarin aangestipte: de leer der sacramenten, etc.
Wat dan de man van de onderwerpelijke prediking nog meer wil? Hij vraagt niet om meer, maar hij vraagt om wat anders. Van Leeuwen grijpt naar het beeld van de huisvader, die zijn kinderen met liefdevolle hand brood uitdeelt, en van de notaris, die mededeling doet van een belangrijke, inhoudrijke acte. (blz. 9).
Laat mij iets dichter bij de ambtelijke titel van de Dienaar des Woords blijven : Herder en Leraar. Bij de objectieve prediking valt het accent op de doctor ecclesiae, die de Waarheid aan de gemeente voorstelt, de subjectieve prediking vraagt naar de Herder, die zijn kudde in de Waarheid leidt.
Vandaar, dat de subjectieve prediking kan worden aangeduid als bevindelijke prediking.
Zij spreekt over het leven des geloofs in zijn veelzijdige rijkdom, over zijn ups and downs over de strijd te midden van de wereld, over zijn aanvechtingen en moeiten, m.a.w. over het bevindelijke kennen van de ontfermingen Gods voor de wedergeboren en bekeerde zondaar". (Vgl. v.L., a.w. blz. 13).
Nu wil dat volstrekt niet zeggen, dat de objectieve en de subjectieve prediking, die wij naar haar aard poogden te schetsen, in de practijk zich altijd houdt aan de uitgestippelde lijnen. Evenmin kan men de conclusie trekken, dat de gegeven onderscheiding reeds dateert van de reformatorische .prediking, al mag men veilig aannemen, dat het accentverschil - de verscheidenheid der predikanten in aanmerking genomen —zakelijk wel aanwezig is geweest. De historische ontwikkeling echter heeft
aanleiding gegeven tot een onderscheiding, die zelfs de vorm ener tegenstelling kan aannemen. De geschiedenis kan dan ook aantonen, dat de bevindelijke prediking op zichzelf genomen als reactie-verschijnsel is ontstaan tegenover de gangbare dogmatische prediking van de nareformatorische tijd. Voetianen en Coccejanen stonden reeds tegenover elkander. De Utrechtse school volgde Voetius in zijn dogmatische stijl, niet zonder polemiek en geleerdheid. Bij de navolgers van Coccejus kwam het stichtelijk element reeds op de voorgrond. Lampe zocht deze te verenigen en bevorderde de bevindelijke prediking, waaraan de invloed van de Labadie niet vreemd is geweest. (Vgl. Achelis. Practische Theologie. Holl. uitgave, bladz. 188 V.). Hij verdeelt de toehoorders in de uitverkorenen Gods of de bevestigde gelovigen, de zoekenden en de geestelijk doden en spreekt ze achtereenvolgens toe. Deze methode wordt ook gevolgd door Jod. v. Lodensteijn en A. Smijtegelt. (Vgl. Achelis, blz. 189).
Op deze wijze werd de onderscheiding van de subjectieve en de objectieve prediking geboren. De tweeledige invloed, welke zich daarbij heeft laten gelden, is tevens aan de dag getreden. Enerzijds een dogmatisme, dat zich al te ver van het leven der kerk ging verwijderen en de pastorale taak veronachtzaamde, anderzijds het piëtisme, dat de nadruk.legde op wat Schortinghuis typisch tekent als het „innige Christendom".
Ad II. De zin.
In de onderscheiding van het. doctorale en het pastorale is de eigenlijke zin zo van de objectieve als van de subjectieve prediking reeds aangeduid. Het is van groot belang, dat de gemeente voortdurend bepaald wordt bij de fides quae creditur. Zij kan om een gezond leven te voeren, de leer niet missen. De leer is als het skelet in het lichaam. Denk het skelet uit het lichaam weg en gij zult inzien, dat het in elkander moet zakken, onbekwaam om te functioneren overeenkomstig de bewegingen des lichaams. Zo kan ook de gemeente niet leven zonder de vastigheid van de leer. Het verdient dan ook wel de aandacht, dat wij door de pastorale brieven herhaaldelijk worden vermaand om acht te geven op de leer. Daarom zal de Dienaar des Woords deze doctorale taak slechts tot schade der gemeente kunnen nalaten. De gemeente heeft nodig voortdurend bij haar belijdenis te worden bepaald.
Met name de Catechismus-prediking kan daaraan tegemoet komen, mits zij Catechismusprediking is en de geloofsstukken behandelt. Het is een oefening voor de gemeente en de predikant beiden. Immers een goede Catechismus-prediking zal de predikant nopen tot dogmatische studie en deze komt ook ten goede aan de prediking van de z.g.n. vrije stof.
Het ligt echter voor de hand, dat de pastorale roeping daarbij niet mag worden vergeten. De predikant is Herder en Leraar, zelfs in de eerste plaats Herder. Deze roeping laat het licht vallen op de zin van de subjectieve prediking. Het geloofsleven is maar niet alleen een stellig weten. Het neemt de ganse mens in beslag, vraagt de ganse mens in al zijn doen en laten. Het is centraal van aard en nochtans niet aards uit de aarde. Het roept strijd en tegenstelling op, gaat met innerlijke worsteling gepaard, heeft zijn gestalten en ervaringen, en Wat .alles zegt: het betreft de verborgen omgang met de God der religie. In dit verband moet de vraag opkomen, of iemand predikant kan zijn, die zelf een vreemdeling is in deze dingen.
Objectieve en subjectieve prediking hebben dus een goede zin, die in het leven der kerk is gegrond. Maar daarom is het ook duidelijk, dat zij niet gescheiden mogen worden, zomin het pastorale van het doctorale in de Dienst des Woords mag worden gescheiden. Zo waarlijk de Herder en Leraar in één persoon zijn verenigd, en deze in het Woord Gods als de enige regel des geloofs geroepen is te arbeiden, zo waarlijk mag die tweevuldigheid in zijn werk niet ontbreken. Hij heeft te onderwijzen als een herder en te schaapherderen als een leraar der gemeente.
Eenzijdigheid leidt overal tot excessen, die, met het leven in strijd, verwarring brengen en reacties oproepen, die op haar beurt wederom eenzijdig andere excessen uitlokken. Van de prediking geldt dit in niet mindere mate dan van welke actie ook. En de eenzijdigheid heeft in dit opzicht tot excessen en verwarring gevoerd en deze zijn ook niet onschuldig aan het feit, wat wij hier geroepen werden om dit onderwerp onder de ogen te zien.
(Wordt voortgezet).
*) Inleiding, gehouden op een conferentie van de Noodraad, 15—16 Juli 1948.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 1948
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 1948
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's