De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GELOOFSVERZEKERDHEID

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GELOOFSVERZEKERDHEID

10 minuten leestijd

II.

Hoe staat het daarmede in onze dagen ?

En nu willen we direct, in dit verband, buiten beschouwing laten alle ongegronde geloofsverzekerdheid. De geloofsverzekerdheid van hen, die aan de hemelpoort zullen aankloppen met een „Heere, Heere, doe ons open. Hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, enz.", doch waarvan het zal blijken dat ondanks hun z.g. geloofsverzekerdheid, Christus hen toch niet kent. Het was de geloófsverzekerdheid van de zandgrond.

Neen, we willen ons beperken tot de geloofsverzekerdheid onder hen, die getrokken zijn van de duisternis tot Gods wonderbaar licht.

Het is een moeilijk en teer punt, dat hier wordt aangeroerd. Maar ook een punt dat het verdient om onze gedachten daarover te laten gaan.

Moeten we niet met droefheid constateren, dat er helaas zo weinig geloofsverzekerdheid gevonden wordt ? Dit roept tot ernstige bezinning, zowel voor herders en leraars, als voor de gemeente zelf.

Want, en laten we dit maar direct voorop stellen, velen hebben van geloofsverzekerdheid een onschriftuurlijke opvatting. Velen gaan n.l. van de veronderstelling uit dat geloofsverzekerdheid iets is, dat slechts enkele bijzonder begenadigde kinderen Gods ten deel valt. En de practijk schijnt hen in het gelijk te stellen. Ze kunnen wijzen op meerdere personen waarvan men uit de aard der liefde en uit de vruchten van hun leven mag geloven, dat het nieuwe leven, door Gods Geest gewerkt, hun niet vreemd is. En toch zullen ze van zichzelf niet durven zeggen dat ze een kind Gods zijn. Ze zullen niet durven te ontkennen dat ze een „eertijds" en een ,,nu" kennen, maar om blijmoedig te belijden des Heeren te zijn ? Dat durven ze niet. Ook al geloven ze het in hun hart misschien wel, dan menen ze toch dat het van hoogmoed zou getuigen, zulks van zichzelf te zeggen.

Is het werkelijk zo ?

Is geloofsverzekerdheid iets, wat God in Zijn vrijmacht alleen wil schenken aan een enkele Zijner gunstgenoten ?

Is het hoogmoedig van iemand, die overgegaan is van de dood tot het leven, om van zichzelf in ootmoed te getuigen, een kind Gods te zijn ?

Het al of niet bevestigend beantwoorden van deze vragen is van een diepingrijpende betekenis voor het geestelijke leven van Gods gemeente, zowel wat het inwendige leven betreft als de openbaring naar buiten.

Want, kan er zonder deze verzekerdheid werkelijk de kracht van Gods levende gemeente uitgaan, die er van haar behoort uit te gaan temidden van een krom en verdraaid geslacht? Kan ze zonder dat een lichtend licht, een zoutend zout en een stad op de berg zijn ?

Dat er zo weinig ware geloofsverzekerdheid gevonden wordt, heeft meerdere oorzaken.

Daar zijn zij, die als in de barensweeën van het nieuwe doorbrekende geestelijke leven verkeren. Die het "Och, Heer', och wierd mijn ziel door U gered" voor eigen ziel doorleven. Voor wie Gods wonderbaar licht nog niet in volle glans opging, al zien ze mogelijk wel enkele lichtstrepen van de aanbrekende dag des heils. Ze staan nog niet op de Steenrots, waar een nieuw lied in de mond gegeven wordt. En zolang men Christus door een waarachtig geloof, gewerkt door Gods Geest, nog niet heeft leren kennen als persoonlijke Borg, kan er van geloofsverzekerheid nog geen sprake zijn. Maar onder hen, die op de Rotssteen werden geplaatst, die niet alleen het stuk der ellende, maar ook het stuk der verlossing leerden kennen en onafscheidelijk daaraan verbonden het stuk der dankbaarheid, onder hen kan het zo vaak zijn dat alle geloofsverzekerdheid verre is.

Wie, die iets vain het leven en de worsteling des geloofs kent, zal zich daarover verwonderen ?

De berijming van het gebed des Heeren zegt het zo treffend juist:

Verlos ons uit des bozen macht. Bescherm en sterk ons door Uw kracht. Wij zijn toch zwak, zijn sterkt' is groot. Dies zijn w' elk ogenblik in nood. Daar komt nog vlees en wereld bij. Ai sterk ons dan en maak ons vrij.

Wat kan er een aanvechting en bezorgdheid zijn. Wat kan er ook na verlossende genade, weer zijn een nederzitten in ongeloof en twijfelmoedigheid, in verachtering in de genade. Als van deze dingen niets gekend wordt, mogen we onszelf wel afvragen of ons geloof misschien daarom onbestreden is, omdat het geen levend geloof is. Gods werk wordt nu eenmaal bestreden en nog steeds zijn er de drie doodsvijanden, de wereld, de duivel en het eigen vlees.

Dat het leven van Gods kerk heus niet altijd een leven is op de zonnige hoogte van het welverzekerd geloof, bewijzen o.a. de Psalmen. Ook de reformatoren hebben steeds weer op het wisselende in het geloofsleven gewezen, maar — en daar wil ik in dit verband de nadruk op leggen — ze hebben, in navolging van Gods Woord, nooit door hun prediking of geschriften een toestand van twijfel en kleingeloof gekoesterd en aangekweekt. In de kracht des geloofs hebben zij anderen en zichzelf, want zij waren er ook in hun eigen leven niet vreemd aan, er steeds weer boven uit gebeurd. Niet twijfel en vrees, maar vastheid en zekerheid, was de normale toestand van hun geestelijk leven.

Zoals ook het vers uit het gebed des Heeren, hetgeen we hierboven aanhaalden, wordt gevolgd door dat van geloofsvertrouwen sprekende vers :

Ja, amen, trouwe Vader, ja. Wij maken staat op Uw gena. Ons hart, o God, Die alles ziet. Veroordeelt ons in 't nad'ren niet. Het zegt, daar G' op ons bidden let. Gelovig amen op 't gebed.

Wat kan vaak gebrek aan geloofsverzekerdheid als iets normaals worden beschouwd en het leven in de blijdschap des geloofs als iets dat niet al te lang mag duren, wil het echt zijn.

Hoe dikwijls worden in dit verband teksten aangehaald als: „De Heere zal Zich doen overblijven een arm en ellendig volk".

„Ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods ? "

„Ik moet minder worden" ; waarbij echter vergeten of verzwegen wordt, dat van dat arme en ellendige volk gelijktijdig gezegd wordt dat ze op de Naam des Heeren zullen betrouwen.

En de apostel voegt aan het „Ik ellendig mens" in één adem toe : „Ik danke God door Jezus Christus, onze Heere". Terwijl aan het ,,Ik moet minder worden" verbonden zit: „Hij moet wassen", d.w.z. dat Christus door geloofsverbinding met Hem gestalte in ons hart verkrijgen moet.

Bij dergelijke teksten als hierboven vergeet men zo vaak, dat het zo waar is : „als ik zwak ben, dan ben ik sterk". Zwak in zichzelf, alle eigen kracht verloren, alle eigen roem buitengesloten, maar juist in die gestalte van het zich onbekwaam gevoelen tot enig geestelijk goed. is er plaats voor een kinderlijk geloof. En kinderlijk geloof is de kern van geloofsverzekerdheid. Bij geloofsverzekerdheid past geen hoogmoed, geen gestalte, die van de schouderen en opwaarts hoger is dan al het volk, doch een ootmoedig hart dat diep leerde knielen.

De zekerheid is een wezenlijke eigenschap van het geloof en het behoort, tot zijn nafuur. Het geloof als zodanig, is altijd welverzekerd, de gelovige echter niet altijd. Toch heeft deze in de weg des gebeds er naar te staan dat de aard van zijn geloof hoe langer hoe meer met de aard van het geloof in overeenstemming komt.

Het is verlijdelijk om verschillende uitspraken der reformatoren en van de opstellers onzer Belijdenisgeschriften aan te halen, betreffende de verzekerdheid des geloofs. Ik wil met een aanhaling van Calvijn volstaan.

,,De gelovigen" — zo zegt Calvijn — „hebben zich zorgvuldig en nederig te onderzoeken, opdat niet in de plaats van de zekerheid des geloofs, de zorgeloosheid des vleeses over hen kome. Hoe verl^eerd is het, de zekerheid des geloofs te beperken tot een punt des tijds, terwijl toch dit aan het geloof eigen is, dat het over de tijd van dit leven heen zich uitstrekt tot in de toekoende onsterfelijkheid. Daar dus de gelovigen dit danken aan de genade Gods, dat ze, door Zijn Geest verlicht, door het geloof genieten de aanschouwing van het hemels leven, is zulk een roemen zo ver af van aanmatiging, dat, indien iemand zich er voor schaamt dat te belijden, hij daardoor meer blijk geeft van de uiterste ondankbaarheid, doordat hij Gods goedheid boosaardig onderdrukt, dan dat hij getuigt van bescheidenheid of onderworpenheid".

Kan er met meer klem en kracht dan Calvijn dit doet, op worden aangedrongen om te staan naar geloofsverzekerdheid ?

Spreekt die klaarheid van het geloof ook niet uit onze Belijdenisgeschriften ?

De Catechismus begint al direct met: „Wat is uw enige troost, beide in het leven en in het sterven ? ", waarop het kostelijke antwoord luidt: „Dat ik met lichaam en ziele, beide in het leven en in het sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben", enz.

En in de Nederl. Geloofsbelijdenis staat met het oog op de Dag van de wederkomst van Christus : „Daarom verwachten wij die grote, dag met een groot verlangen, om ten volle te genieten de beloften Gods, in Jezus Christus, onze Heere".

Ten volle te genieten de beloften Gods. Dan ten volle. Maar reeds nu, zo zegt de Geloofsbelijdenis, wordt er van die beloften Gods genoten door het geloof.

Want ik ben verzekerd, zo getuigt Paulus, dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods.

Wanneer Gods gemeente daaruit meer mocht leven, daartoe ook meer opgewekt werd door de prediking des Woords, wat zou het alles strekken tot meerdere ere Gods en tot meer welzijn van de dingen van Gods Koninkrijk.

Daarom zal het niet anders dan tot welzijn van Gods kerk en kind kunnen zijn, als we er steeds weer van doordrongen worden dat het leven van een christen zal moeten zijn een leven uit het geloof. De rechtvaardige zal uit het geloof leven!

Wat staan inzonderheid de Brieven van de Apostelen vol met opwekkingen betreffende wasdom in het geloof.

Mag ik een enkele tekst uit de vele u voorhouden ?

„Gelijk gij dan Christus, de Heere, hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem, geworteld en opgebouwd iri Hem, en bevestigd in het geloof, gelijkerwijs gij geleerd zijt, overvloedig zijnde in hetzelve met dankzegging". Col. 2 vers 6 en 7.

„Wij moeten God te allen tijde danken over u, broeders, gelijk billijk is, omdat uw geloof zeer wast". 2 Thess. 1 vs. 3.

„Laat ons toegaan met een waarachtig hart in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten en. het lichaam gewassen zijnde met rein water. Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vasthouden, want Die het beloofd heeft, is getrouw". Hebr. 10 vs. 22, 23.

In het leven van Gods kinderen moet, zal het wèl zijn, het geloof een allesbeheersende plaats innemen. Hun leven is geloofsleven. Hun strijd: geloofsstrijd. Hun blijdschap: blijdschap des geloofs. Hun bevinding : geloofsbevinding. En dat alles gewerkt door de Geest des geloofs.

Valt het u niet op, dat de apostelen, die zo dicht bij Christus geleefd hebben, die het Pinkterfeest hebben meegemaakt, die de H. Geest in bijzondere mate ontvingen, dat zij in hun brieven en dus ook in hun prediking de gemeenten na de oproep tot bekering, opwekken tot geloof en degenen die tot geloof gekomen zijn, opwekken tot een wandel des geloofs en tot wasdom in het geloof ?

Is dit niet de lijn, waarlangs elke prediking zich moet bewegen ?

Is dit niet de weg, waarlangs het leven van Gods kinderen dient te gaan ?

En in die weg is het ook dat Gods Geest de geloofsverzekerdheid komt te werken.

Dat onze bede daarom zij, Christus te mogen kennen en de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap Zijns lijdens. Zijn dood gelijkvormig wordende. Opdat we in Hem mogen bevonden worden, niet hebbende onze rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, n.l. de rechtvaardigheid die uit God is, door het geloof.

Besluiten we met eeh woord van Petrus, die eens zijn Meester vloekende verloochende, die bij ervaring geleerd had in eigen kracht tot struikelen ieder ogenblik gereed te zijn, besluiten we met dit woord :

,,Daarom, broeders, benaarstigt u te meer, om uw roeping en verkiezing vast te maken, want dat doende zult ge nimmermeer struikelen".

(Den Haag)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1948

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GELOOFSVERZEKERDHEID

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1948

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's