Samuël, een zoon der Wet
FEUILLETON
EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA
113)
Als geslagen en versteend wendde hij zich af en ging zonder enig plan verder. Hem vervulde het doffe verlangen om nu ergens de hemel, de wijdte en de natuur te zien, die hem, de Israëliet, toch evengoed toebehoorden als die vreemde machthebbers. Ten Zuiden van de Mogrebinerspoort ging hij langs de weg van de vijver van Siloam een eindje naar buiten, tot hij over de steile kloof van de Kidron en over het dal Hinnom tussen ruïnes, kloosters en regeringsgebouwen eindelijk een stuk vrije horizont te zien kreeg. Wat hij eigenlijk zag, wist hij niet. Maar allengs week daar zijn beklemdheid zó ver, dat hij in staat was het daareven doorleefde wat terug te dringen en weer nieuwe indrukken in zich op te nemen. Deze waren echter niet naar een vast plan geordend en werden door zijn bewustzijn maar nauwelijks opgenomen. Zij drukten zich uit zichzelf af in zijn zin, zoals beelden zich indrukken op een fotografische plaat, en dan opgeborgen en later ter gelegener tijd voor de dag gehaald, weer in, onverbleekte getrouwheid ontwikkeld kunnen worden en tot leven kunnen worden gewekt.
Deze avond kon hij niet vroeg naar bed gaan. Zonder enige gids zwierf hij rond, de binnenstad mijdend, langs asylen, kolonies, uitgravingen en kloosters, overstroomd met taferelen en beelden uit. alle monotheïstische godsdiensten der wereld. Toch kwam hij door die veelheid niet in het gedrang, hij nam dat alles aan, en legde het op zij, onophoudelijk ontving hij nieuwe indrukken, en borg die op. Hij werd evenmin moe als een apparaat moe zou worden, en hij dacht er ook niet bij na.
Toen hij, in de nabijheid gekomen van de Griekse plantage, plotseling bemerkte, dat de reeds diep gedaalde zon weer lichtjes begon te toveren op de koepels van de stad en in de vensters van de kolonie van Montefiore, kromp hij ineen, en nu pas begon zijn geest weer wakker te worden en de doorleefde dingen met elkaarin verband te brengen.
Hij wist nu, dat het avond werd en het dustijd was, de Jaffa-poort weer te zoeken. Dwars door het midden van de stad liep hij, zo hard hij maar kon, nog eens naar de tempelplaats, en na veel vragen en zoeken bevond hij zich nu op een plek van de muur, waar men over het Kidron-dal kon heenzien ver naar de bergen van het land van Moab.
Boven het Jordaandal zag hij de hemel helder als een brede band te midden van de verdere schemering. De warmte, die uit het Ghor opsteeg, verhinderde daar alle vorming van nevels. Zelfs daarboven tekende zich 't vruchtbare gebied heel duidelijk af.
Hier kwam zijn hart eerst tot rust in het Kawwana van een vurig smeekgebed en droef geklaag. Hij moest heel zijn ontdaanheid naar de hemel slingeren, hij kon niet anders ! En God zou hem wel goed verstaan, — Hij was immers een jaloers God !
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 augustus 1948
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 augustus 1948
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's