De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VERBORGENHEID EN LEER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERBORGENHEID EN LEER

7 minuten leestijd

I

De Schrift spreekt van een wijsheid boven hetgeen men wijs behoort te zijn, en van een ijver niet met verstand. De ervaring leert, dat dit niet zonder oorzaak is en ook in ons eigen persoonlijk en kerkelijk leven zullen wij, indien wij kennis hebben aan ons zelf, kunnen opmerken, dat wij haastelijk geneigd zijn in de beide euvelen te vervallen — niet zonder goede bedoeling, zoals wij dat heten.

Gewoonlijk komen deze feilen juist voort uit onze z.g. goede bedoelingen. Ook de kerkgeschiedenis kan aantonen, dat de zaak des Heeren niet zelden schade heeft geleden door deze goede bedoelingen. Zelfs theologen van grote naam en wier godzaligheid niet ten onrechte wordt geroemd, kunnen niet altijd van deze smetten worden vrijgesproken.

En hoewel zekere lieden, die de mond vol hebben van tolerantie (d.i. verdraagzaamheid) in het stuk der religie (godsdienst), ook haastelijk gereed staan de pen te voeren niet zonder de grenzen der wellevendheid te overschrijden, heeft de twistgierige ijver van voorvechters der orthodoxie in de geschiedenis veel onderlinge strijd gegeven, die zelfs deed spreken van de razernij der theologen en 'niet altijd bevorderlijk is geweest aan de zaak des Heeren.

Ook in de huidige situatie van de gereformeerde gezindheid werkt die strijd nog altijd na en is mede oorzaak van de onenigheden en de scheuringen onder het gereformeerde volk. Men roemt het goddelijk gezag der Heilige Schrift, en komt op voor de belijdenis der vaderen, en terwijl men kracht zoekt in de wapenen, die zij hanteerden, en daarmede ook zijn standpunt zoekt te verdedigen, schijnt men veelal ook in hun feilen te vervallen. Wij ontveinzen ons n.l. niet, dat de vaderen in hun ijver en goede bedoelingen veelal zijn verstrikt geweest in een scolastische methode, die voor de ontwikkeling der gereformeerde theologie eer schade heeft gebracht dan voordeel. Wij vergeten daarbij niet, dat de denkwijze van hun tijd daartoe aanleiding heeft gegeven en dat sommigen op magistrale wijze hun geleerdheid hebben ingezet voor de verdediging van het geloof, waarin zij met grote standvastigheid hebben volhard. Wij denken aan een man als Voetius, die meer dan 40 jaar lang een ereplaats heeft ingenomen als Hoogleraar in de Godgeleerdheid en als verdediger van de gereformeerde religie.

Nochtans kunnen wij ook hem niet vrij pleiten van de genoemde zwakheden. En wie zoude er vrij uitgaan? „Dragen wij niet de schat des geloofs en der godzaligheid in aarden vaten ? Het aarden vat wordt dikwijls meer verdedigd dan de schat, hoezeer het ook goed wordt bedoeld. Ten slotte is ook de kerk naar haar uitwendige verschijning slechts een aarden vat en ook onze theologie heeft daar uit de aard der zaak wat van.

Ware het niet, dat de Heere zelf voor Zijn zaak opkwam, wat zou er van worden ?

Het behoeft ons dus niet te verwonderen, dat wij zulke slechte schatbewaarders zijn, maar wij mogen daarin niet berusten. De beloften Gods en de leiding Zijns Geestes moeten ons wakker maken en opwekken tot getrouwheid en wijsheid. De ware Godzaligheid is een verborgenheid, welke ons ook zal weerhouden de verborgenheden Gods te verdedigen met de ontoereikende gronden van ons menselijk verstand. Dat is geen gemakkelijke zaak, omdat anderzijds de gave Gods ook uitdrijft tot getuigenis en tot dapperheid in de mihtia Christi. De hartgrondige overtuiging der waarheid kan niet toestaan, dat deze wordt gekrenkt en zoekt haar bereids redelijk te verdedigen tegen de tegensprekers.

Uit dien hoofde loopt men gevaar de verborgenheden des geloofs binnen de sfeer van het menselijk redevermogen te trekken. Van het geloof uit kan dat klaar en duidelijk zijn, maar de buitenstaander kan die klaarheid niet zien, omdat het geloof hem ontbreekt.

Wij willen dit met een paar voorbeelden trachten op te helderen.

Het goddelijk gezag der Heilige Schrift.

De kerk belijdt, dat de Heihge Schrift is Gods Woord, omdat de Heilige Geest getuigt in het hart van Gods kind, dat het zo is. De kerk des Heeren ervaart, dat het Woord Gods een levend Woord is en ervaart dit als een verborgenheid des geloofs.

Dat is alzo een geestelijk feit, een werkelijkheid, welke zich in het geloof als zodanig ontsluit. Van dat feit kunnen wij getuigen. Wij kunnen de kracht daarvan ervaren in het leven des geloofs. Maar wij kunnen dat feit op geen enkel manier verklaren met ons verstand, of een ongelovige door redelijke bewijzen trachten te overtuigen, dat het zo is.

Het feit zelf echter laat voor wie die werkelijkheid kent in het geloof, geen ontkenning of loochening toe en wordt ook niet weggenomen door de verstandelijke tegenwerping van ongelovigen. De „Dageraad" moge een ganse reeks van voor het gewone verstand terecht of ten onrechte gerezen tegenstrijdigheden opmaken, het critisch onderzoek der theologische wetenschap moge velerlei opmerken, hetwelk tegen het goddelijk gezag zou pleiten, het geloof in het goddelijk gezag der Heilige Schrift wordt daardoor niet ontworteld.

Waarom niet ? Omdat het hier een goddelijke verborgenheid geldt, waaraan het geloof deel heeft.

De beschouwingen van het natuurlijk verstand over de Heilige Schrift kunnen de grenzen van het natuurlijk verstand niet overschrijden en behandelen haar als een product van het natuurlijk verstand. En alles wat men daartegenover wil aanvoeren met verstandelijke argumenten, beweegt zich licht in dezelfde weg. Men kan op die wijze even weinig aanbrengen om het goddelijk gezag der Heihge Schrift te bewijzen, dan het tegendeel. Een afbrekende critiek kan slechts de leer der kerk ondergraven in het algemeen Christelijk bewustzijn en bevorderlijk zijn aan algemene afval.

Het is opvallend, hoe veelvuldig critische geesten melding maken van de leer ener verbale inspiratie. Op geen punt schijnt de leer van het goddelijk gezag der Heihge Schrift zo kwetsbaar te zijn, dan juist op dit, n.l. de leer ener verbale inspiratie. Immers — zo redeneert men — als de Schrift door God woordelijk is ingegeven, moet zij ook naar de vorm volkomen onberispelijk en feilloos zijn. Reeds vele malen hebben wij er op gewezen, dat deze redenering alleen enige zin zou kunnen hebben, indien wij de oorspronkelijke door profeten en apostelen geschreven profetieën hadden. Dat dit niet het geval is, zal niemand betwisten. Niettemin blijft men een dankbaar gebruik maken van de leet ener verbale inspiratie om het Schriftgezag te ondermijnen.

Het is daarom te betreuren, dat men zich voor die leer kan beroepen op orthodoxe theologen, hoewel deze niets anders hebben willen uitdrukken dan hun vaste geloofsovertuiging dat de Heilige Schrift Gods Woord is. In de negentiende eeuw maakte deze leer bij vele gereformeerde theologen in navolging van Kuyper en Bavinck plaats voor de leer ener organische inspiratie. Deze leer scheen enigermate tegemoet te komen aan de bezwaren tegen die ener woordelijke inspiratie, maar bracht weer andere bezwaren mede. Het was al weer een leer, en wel een leer, die ook al weer goed bedoeld, de bezwaren en de consequenties, door de Schriftcritiek op de voorgrond gebracht in verband met de leer der verbale inspiratie, trachtte af te wentelen.

Doch zoals gezegd, niet zonder nieuwe bezwaren op te roepen.

De fout schuilt daarin, dat wij ons een leer der inspiratie niet mogen veroorloven en bij het eenvoudige getuigenis moeten blijven staan, dat de Heilige Geest de Auteur is van de Heilige Schrift, gelijk diezelfde Geest dat ook getuigt in de harten der gelovigen.

Ons verstand houdt niet op met vragen en wil begrijpen, zo het mogelijk ware ook de verborgenheden Gods. Wij willen het hoe en het waarom weten en vragen zonder onderscheiding van geopenbaarde en verborgen dingep. En zo wil de theologie ook wel eens wat meer verklaren dan haar past. Calvijn is ook op dit punt een voortreffelijk leermeester, die telkens waarschuwend de vinger opheft, als 't verstand geneigd is tot speculatie. Hij heeft dan ook geen leer der inspiratie gegeven, maar blijft staan bij het getuigenis en bij de feitelijkheid.

Wij zullen goed doen hem hierin na te volgen Schepping, inspiratie, wedergeboorte, zijn goddelijke werken en goddelijke verborgenheden, waarvan wij de waarheid en werkelijkheid in het geloof kunnen verstaan, maar waarin ons verstand niet kan indringen.

In alle werken Gods is zulk een verborgenheid, welke zich in onze menselijke leringen niet gevangen geeft, zo b.v. in de Heilige Doop, in het Verbond, in de verkiezing, ja in alle stukken des geloofs.

Een volgende keer daarover.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 augustus 1948

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VERBORGENHEID EN LEER

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 augustus 1948

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's