VERBORGENHEID EN LEER
Het stuk der uitverkiezing
Een van de voornaamste en kenmerkende stukken der gereformeerde belijdenis is het stuk der praedestinatie of voorbeschikking. Art. 16 der Ned. Geloofsbelijdenis : Wij geloven, dat, het gehele geslacht van Adam door de zonde des eersten mensen in verderfenis en ondergang zijnde. God zichzelven zodanig bewezen heeft als Hij is, te weten : Barmhartig en Rechtvaardig. Barmhartig, doordien dat Hij uit deze verderfenis trekt en verlost degenen, die Hij in Zijn eeuwige en onveranderlijke raad, uit enkele goedertierenheid, uitverkoren heeft in Jezus Christus, onze Heere, zonder enige aanmerking hunner werken. Rechtvaardig : doordien Hij de anderen laat in hun val en verderf, waar zij zich zelf in geworpen hebben.
Het is bekend, dat dit stuk sterk bestreden is geworden in de vaderlandse kerk met name tijdens het Twaalfjarig bestand. Zó scherp stonden remonstranten en contra-remonstranten tegenover elkander, dat sommige gemeenten zelfs werden gescheurd. Reeds tegen het einde der 16de eeuw waren de geesten in de gemeenten gedeeld en werden grote moeilijkheden veroorzaakt enerzijds door het drijven van remonstranten, anderzijds door het verzet van de voorstanders der gereformeerde religie. Er waren zelfs gemeenten, waar voor de gereformeerde prediking geen plaats meer werd gevonden, zodat degenen, die deze zochten, op eigen gelegenheid trachtten te voorzien. Voor hen, die van mening zijn, dat het in het toenmalig kerkelijk leven zo ideaal was, is het ontnuchterend eens kennis te nemen van de toestanden, om te ontdekken, hoeveel strijd en moeite, hoeveel wanorde en eigenmachtig optreden van kerkelijke en politieke personen in de kerk van die dagen, de rust verstoorden, terwijl het vaderland nog in volle oorlogstoestand verkeerde.
Men krijgt dan ook de indruk, dat de remonstrantse gevoelens van meet af voortwoe kerden. Dat behoeft ook niemand te verwonderen, die bedenkt, dat de reformatie volstrekt niet overal een vrucht was van inwendige verandering, maar veelal afhankelijk was van de politieke omstandigheden. In hoeverre de reformatie in verschillende plaatsen en gewesten doorwerkte, was weer afhankelijk van de geestelijke kracht van voorgangers en leidslieden. Zonder twijfel heeft de gereformeerde religie in die dagen mannen van krachtige geloofsovertuiging, taaie volharding en bekwame theologen voortgebracht, doch het ontbrak ook den remonstranten niet aan mannen en aan steun onder de politieke machthebbers. Daarbij komt, dat onder de predikanten vele vroegere pastoors werden gevonden.
Hoewel de strijd tussen Augustinus en Pelagius niet in alle opzichten te vergelijken is met die van contra-remonstranten en remonstranten, is er toch wel een voornaam punt van overeenkomst op het stuk der praedestinatie. Het semi-pelagianisme speelt een belangrijke rol in de strijd om de praedestinatie, een strijd, door de Synode van Dordrecht beslecht in de zin der gereformeerde religie, maar daarom niet uitgestreden. Ook in onze dagen is de leer der praedestinatie nog evenzeer actueel als haar bestrijding, al doet deze laatste zich anders voor in de theologische discussie van heden.
Ook daarom is het van belang de aandacht voor dit geloofsstuk te vragen. En als wij dat doen, is dat onder het aspect der verborgenheid. Ook in dit stuk des geloofs hebben wij met een verborgenheid van doen, die door het natuurlijk verstand niet kan worden verklaard. Wij vorderen niet, als wij de leer der prsedestinatie willen steunen met logische redenen. Het is wel zo, dat het voor geen tegenspraak vatbaar is, dat er geen toeval kan zijn, als God de Heere de wereld uit Zijn Souvereine wil heeft geschapen. Doch wat is in die redenering niet al begrepen ! God, de Heere, dat is de God der Schriften, die God, die Zich in Zijn Woord heeft geopenbaard. Wat al geloofsstukken zijn daarmede uitgesproken. Die God, die de wereld uit vrije wil heeft geschapen, zodat tegen Zijn wil geen schepsel zich roeren of bewegen kan. Wederom geloofsstukken. Wat weet het natuurlijk, verstand van het Souvereine welbehagen Gods, van Zijn voorzienigheid, van de regering der wereld door de Souvereine God ?
Het natuurlijk verstand wil ook van geen toeval weten, maar staat voor het probleem van de vastheid en orde der dingen. Maar het natuurlijk verstand staat ook voor het probleem van de vrijheid van de menselijke wil, van onze verantwoordelijkheid. Gods Souvereiniteit en menselijke vrijheid. Ziedaar, een tegenstelling, welke ons verstand niet vermag te overwinnen. Als God alles doet, is de mens niet vrij. En als de menselijke vrijheid geen illusie zal zijn, kan God niet de vrijmachtige Onderhouder en Regeerder der wereld zijn, tegen Wiens wil geen schepsel zich roeren of bewegen kan.
Dit zijn zo enkele opmerkingen, welke duidelijk kunnen maken, dat men hier met menselijke redeneringen niet uitkomt.
Nochtans is de Heilige Schrift zó duidelijk, dat zelfs het verstandelijk lezen van haar getuigenis op dit punt moet leren, dat zij de predestinatie en de uitverkiezing tot zaligheid leert. Hij, die daarbij uitgaat van het geloofsstandpunt der belijdenis omtrent de Heilige Schrift (Art. 1.—7 Ned. Gel. Belijdenis), zal zelfs niet ontkennen, dat zij scheiding maakt tussen twee volken, tweeërlei mensen, tweeërlei zaad. Het is niet alles Israël, wat Israël genoemd wordt.
De heilige mond van de Zaligmaker onderscheidt het zaad Abrahams en duivelskinderen in Israël. Hij waarschuwt degenen, aan wie het Evangelie verkondigd is en die zich daarop be roepen zullen, terwijl zij volhardende in hun goddeloosheid, nochtans van Zijn mond zullen vernemen : „Ga weg van Mij, gij werkers der ongerechtigheid. Ik heb u niet gekend". En toch willen sommigen van geen verwerping weten. De Schrift zou daarvan volgens hen niet spreken. God is liefde, zo zegt men, ea zulk een God kan niet van eeuwigheid het besluit genomen hebben een deel der mensheid als een massa des verderfs te verwerpen.
Maar de Dordtse Synode wijst in haar uiteenzetting van de leer der goddelijke verkiezing en verwerping (1 e Hoofdst. Dordtse leerregelen) op het getuigenis der Heilige Schrift: De gehele wereld is voor God verdoemelijk. Zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. (Rom. III vs. 19, 23). En: De bezoldiging der zonde is de dood. (Rom. VI VS. 23). Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave. (Efeze n VS. 8). Het is u gegeven, in Christus te geloven. (Phil. 1 vs. 29). Al Zijn werken zijn de Heere van eeuwigheid bekend. (Hand. XV vers 18). Hij werkt alle dingen naar de Raad Zijns willens. (Efeze I vs. 11). God heeft ons uitverkoren in Christus, vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde, Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in zich zelven, naar het welbehagen Zijns willens, tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde. (Ef. I vers 4, 5, 6). Die Hij tevoren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen, en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd ; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt. (Rom. VIII vs. 30).
Verder nog Rom. IX vs. 11, 12 en XIII vs. 48. Hand.
Het zal moeilijk kunnen worden ontkend, dat deze getuigenissen heel duidelijk zeggen, dat God in Zijn vrijmachtig welbehagen zelf heeft uitgemaakt en daarmede besloten, wie der mensenkinderen Hij tot Zijn kinderen in de Zoon Zijner liefde, wilde verkiezen. Dat is een besluit van Zijn eeuwige liefde en dat besluit heeft Hij geopenbaard door de Geest der profetie, zoals Hij het uitgewerkt heeft en nog altoos uitwerkt in en door de Zoon.
De uitverkiezing is een daad van eeuwige liefde Gods, een verborgenheid, welke wij mensen met onze menselijke begrippen niet vermogen te ontsluieren. De redenering: God is liefde, en daarom kan het niet zijn, dat Hij scheiding maakt tussen mens en mens, dat Hij een deel der mensen verkoren heeft tot Zijn kinderen in Christus Jezus, een ander deel Iaat in het oordeel, is een menselijk meten met menselijke maatstaf.
Zo is het ook slechts menselijk zoeken en gissen naar een grond der eeuwige verkiezing : b.v. vooruit gezien geloof, hetwelk de grond der verkiezing weer in de gelovige mens verlegt, of vooruitgeziene volharding des geloofs, hetgeen wederom de grond in de volhardende mens onderstelt. Al dergelijke redeneringen zijn niet alleen menselijk, maar doen tekort aan de Souvereine liefde en vrijmacht Gods.
De ware Godsvrucht staat met eerbied tegenover de verborgenheid en aanbidt. Al de strijd over de verkiezing komt voort uit menselijke redeneringen over deze verborgenheid. God heeft Zijn liefde geopenbaard in de gave Zijns Zoons, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Zo wordt de eeuwige liefde in het geloof geopenbaard en ook het geloof is een gave Gods. Deze gave spruit alzo uit dezelfde verborgenheid der eeuwige liefde voort. Geloof en verkiezing staan niet los van elkander, maar hangen saam in de éne liefdedaad Gods, alzo het gelooft werkt in degenen, die daartoe verordineerd zijn.
Gods kinderen worden van hun verkiezing verzekerd door de vruchten der verkiezing : t.w. een waar geloof in Christus, kinderlijke vreze Gods, droefheid naar God over de zonde, geestelijke blijdschap. (Vgl. Dordtse leerr. I, XII).
In al deze dingen houden de belijdenisgeschriften zich, zoals gebleken kan zijn, aan de Heilige Schrift. Terecht waarschuwen zij ook tegen curieuselijk doorzoeken van de verborgenheden.
Wij kunnen de zaak des Heeren niet beter dienen dan door ons eenvoudig te bepalen bij de feiten des geloofs.
Dan zullen wij ook niet twijfelen aan de schuld en de verantwoordelijkheid des mensen. De kennis van zonde, schuld en verantwoordelijkheid, zijn niet minder vruchten der verkiezing door de werkingen van Woord en Geest.
Reeds is gezegd, dat wij alleen door het geloof deze dingen verstaan. Het verstand verstrikt zich in platvloerse redeneringen en vermag niet de tegenstellingen, die zich daarbij voordoen, op te heffen dan ten koste van de Waarheid.
Daarom moeten wij daaraan niet meedoen en dient er tegen gewaarschuwd, dat wij niet onbewust meedoen door onze houding te bepalen op verkeerde conclusies : b.v. onverschillig zijn, omdat wij immers toch niet geloven kunnen, als wij daartoe niet geordineerd zijn ! Ook dat is een verstandelijke redenering over dingen, die men niet verstaat en niet verstaan kan dan in het geloof. En zo wij iets van het geloof hebben, kunnen wij niet meer onverschillig zijn.
De strijdpunten in de gemeente over Verbond en Doop kunnen aantonen, dat zij al te weinig haar eigen belijdenis voor ogen houdt, die van geen andere regel des geloofs wil weten dan het Woord.
Wij willen dat nader aantonen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 augustus 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 augustus 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's