De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het Verslag

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het Verslag

7 minuten leestijd

van de vergadering der Generale Synode op Woudschoten te Austerlitz van 8 tot 14 Juli 1948

(Overgenomen uit Weekblad van de Ned. Herv. Kerk).

Donderdag . 8 Juli.

Opening

De opening geschiedt door gemeenschappelijk gezang van Psalm 98 vs. 1, 2 en Schriftlezing uit 1 Korinthe 3.

De preses, ds. H. J. F. Wesseldijk, spreekt een woord, waarin hij de betekenis van de behandeling van het ontwerp-Kerkorde ontvouwt. Hij legt de nadruk op de betrekkelijkheid van dit werk en van de Kerkorde zelf. Het gaat om de Kerk zelf, om haar leven, belijden en werken, om haar vernieuwing. En de Synodeleden hebben verantwoordelijkheid voor die Kerk, de gehele Kerk, zonder mandaat van iemand, zelfs niet van een vergadering, zeker niet van een groep, maar wel voor het aangezicht van Hem, Die het fundament is en ons door Zijn Geest wil leiden.

Hierna volgt het gebed en het zingen van Gezang 112.

Notulen van 11 Mei goedgekeurd. Voortaan geen voorlezing van de notulen meer, maar bespreking na ronddeling van een stencil.

Appèl nominaal. Regeling van werkzaamheden. 55 Agendapunten.

Vrijdag 9 Juli.

Morgenwijding, geleid door ds. J. Hoogenkamp.

Welkom aan de leden van de Commissie voor de Kerkorde, prof. dr. A. A. van Ruler en dr. H. M. J. Wagenaar, die de behandeling zullen bijwonen.

Inleiding van de voorzitter der Centrale Commissie van Rapport, dr. H. J. Honders. Deze spreekt zijn grote waardering uit voor het magistrale werk van de Commissie van de Kerkorde, releveert verder het reeds verrichte werk der subcommissies uit de Synode. Ter tafel ligt het eindrapport van de Centrale Commissie, de conclusie na breedvoerige besprekingen ; het bleek, dat men tenslotte toch in vele opzichten de opzet en redactie van de Commissie voor de Kerkorde wilde blijven volgen, ook al om de kerkelijke vergaderingen zelf de gelegenheid te geven zich hierover uit te spreken ; hier ging het o.a. om de verhouding van apostolaat en belijdenis, verder om de begrippen apostolaat en kerstening.

Algemene beschouwingen.

De eerste spreker komt op voor de betekenis en het recht van de plaatselijke gemeente, voor de precisering van hetgeen onder het belijden der Kerk is te verstaan en voor de handhaving van de belijdenis, voor de belijdenis van de lichamelijke opstanding ; immers hiermee — al­dus spr. — staat en valt het christendom.

De tweede spreker is in het bijzonder dankbaar voor de nadruk op het apostolaat en de plaats, die dit ook door de volgorde der artikelen, ontvangt; daarna dankbaar voor de poging tot eenheid in belijden en liturgie. Maar wat zal er nu in 't beoogde dienstboek komen; die inhoud heeft beslissende betekenis voor ons oordeel over deze Kerkorde. Wat is bedoeld met de dankbare gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift ? Wat betekent : in gemeenschap met de belijdenis der vaderen ? Gaat het om de belijdenis van de wezenstriniteit of om de religie in de belijdenis ? Wat is strijdig met de H. Schrift en het belijden der Kerk, zodat daardoor de fundamenten der Kerk worden aangetast ? Deze spreker mist node de vrouw in het ambt, vreest voor te grote binding van de catechese en van de liturgie, critiseert de ietwat archaïstische vorm van de formuleringen.

Als derde spreekt de algemeen gedelegerde. Onze beoogde reorganisatie kan alleen wat worden door reformatie. Wij hebben gemeenschappelijk schuld en verantwoordelijkheid, wij weten niet vanzelfsprekend, dat het met onze Kerk zal goedkomen. Wij moeten de orde vinden, geen wettische orde, maar een orde van het Leven van Hem, die overgeleverd is aan onze zonde en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.

De vierde spreker meent, dat wij pas een eindoordeel kunnen uitspreken, wanneer tevens alle ordinanties zijn behandeld en ook de inhoud van het dienstboek bekend is. De Kerkorde heeft een stijl, die vele binnenkerkelijken met de buitenkerkelijken niet aanspreekt. De nomenclatuur, de naamgeving kan eenvoudiger worden gehouden. Verheugend is de voorname plaats van het apostolaat en de daarvoor dienstige organen. Door deze arbeid zal de functie der belijdenis worden bevorderd. Spr. heeft bezwaar tegen een verkeerde hoogkerkelijkheid, waardoor zichtbare en onzichtbare Kerk worden vereenzelvigd, tegen een overspanning van de ambtsgedachte, waarbij het algemeen priesterschap van de gelovigen in de verdrukking komt, tegen een volstrekte binding, b. v. aan de catechese.

De vijfde spreker brengt in het midden de openstelling van het ambt voor de vrouw. Hierbij komt de vraag naar de gehoorzaamheid aan de H. Schrift en naar onze gemeenschap met andere Kerken. Welk contact heeft voorrang, dat met de Kerk in Indonesië en in Frankrijk, of dat met de Anglicanen ? Komt er, op grond van dit ontwerp, geen te grote spanning tussen ambt en bediening en zal in de grote steden geen bijzonder beroep juist op de dienst van de vrouw worden gedaan ? Daarom mogen wij niet wachten om met deze zaak bezig te blijven. De vrouw moet zich in onze Kerk nu wel gepasseerd voelen.

De zesde spreker heeft, naast veel waardering, bezwaar tegen de geringe betekenis, die blijkbaar aan de gemeente — als grondvorm van het Lichaam van Christus — wordt toegekend. Ook als er geen algemene organisatie is, blijft toch het gemeente-zijn van de gemeente. Waar is de gemeenschap der heiligen, d.i. der gelovigen ? Er is een te grote nadruk op het ambt. I5 werkelijk de gemeente daar waar het ambt is ? Is er anders geen gemeente, ook al zijn er twee of drie gelovigen in Zijn naam bijeen ? Een is uw Meester en gij zijt allen broeders.

De zevende spreker merkt op, dat een nieuw belijden nooit ten achter mag staan, maar ook niet behoeft te staan bij de inhoud van de belijdenis, die wij hebben. Maar voortgaande, kunnen wij niet blijven staan, bij wat reeds gezegd is. De belijdenis : Jezus is Heer, heeft uitbreiding gekregen en moet dit voortdurend krijgen. Het ambt wil de gemeente bij haar apostolische bestaan houden en tot haar apostolische taak roepen. Het ambt is een representatie van de apostolische volmacht, het staat als geleiding tussen de apostelen en de gemeente, er moet een instantie zijn tegenover de gemeente èn in de gemeente.

De Voorzitter van de Centrale Commissie geeft kort antwoord op wat tot nu toe door de zeven sprekers is gezegd. De sterke autonomie der plaatselijke gemeente is niet zonder meer schriftuurlijk of gereformeerd, maar zeker ook te verklaren uit ideeën van de 19e eeuw. De worsteling om het rechte belijden en onze gemeenschap met de bestaande belijdenis vraagt juist om een orde, waarin deze zaken goed kunnen worden behandeld. Het gaat nu allereerst om het schriftuurlijk verantwoorde apparaat hiervoor. De gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en het leven in gemeenschap met de belijdenis moeten nu juist worden betracht. Simpele handhaving van de belijdenis blijkt geen verweer tegen kerkelijke versplintering, want hoeveel verschillende denominaties in ons land zeggen allen, dat zij met de handhaving bezig zijn. Het dienstkarakter van het ambt is ongetwijfeld vastgehouden en het gevaar van hoogkerkelijkheid is gering. Spr. pleit ten opzichte van de dienst der vrouw in de Kerk om, nu de vrouw waarschijnlijk niet tot het ambt zal worden toegelaten bij het aannemen van deze Kerkorde, een studiecommissie te benoemen, die zich met deze taak bezig houdt en de Kerk van voorlichting kan dienen. Tenslotte spreekt de Voorzitter van de Centrale Commissie als wens der Commissie uit: vaststelling van de 27 artikelen in deze Synode, daarna behandeling van de ordinantiën, dit alles met bekwame spoed. Tevens een spoedige indiening van een ontwerp-dienstboek en — voor wat de Commissie voor de Kerkorde betreft — samenstelling van overgangsbepalingen, om zodoende in het voorjaar 1949, zo enigszins mogelijk, met dit alles in eerste lezing gereed te komen.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 augustus 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Uit het Verslag

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 augustus 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's