MEDITATIE
EEUWIGE LIEFDE
]a. Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde. Jeremia 31 vers 3 m
Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde. Dit is een woord om stil te overdenken in heilig verbazen. Alles van de wereld valt weg en er blijft alleen dit éne over : Gods liefde. Zo ervoer het een middeleeuwse vrome, die in bewogen woorden spreekt van Gods liefde, grondeloos en mild. Zij biedt en toont aan de ziel al wat zij is en dat alles wil zij haar vrijwillig geven. En eerbiedig beaamt dit Lodestein : ,,De zoetheid en de bekoorlijkheden van de Heere Jezus worden nooit beter gesmaakt en gezien, dan wanneer men de ogen afwendt van de wereld . . . . . en wij onze zinnen bepalen op de beschouwing van de volmaakte liefde Jesu".
Wij worden er stil van. Wie dit mag zien, vindt geen woorden meer, maar stamelt in schier sprakeloos aanbidden :
Ik bid U aan, o macht der Liefde, die zich in Jezus openbaart; die mij gezocht heeft, hoe 'k haar griefde, die 't zoeken mag, schoon gans onwaard. (Tersteegen).
Want dat is niet meer van de aarde, maar hemels, goddelijk : eeuwige liefde !
Schuchter, vrezend de stilte der aanbidding te storen, vraagt u, wat deze liefde eigenlijk is? Hij, die u zou moeten antwoorden, staat enigszins verlegen. Want is dit wel uit te spreken ?
Eerbiedig herhaalt hij de woorden, die Jeremia schreef in het Oude Testament als aanduiding van de liefde Gods : Is Efraïm niet mijn lievehngszoon, mijn troetelkind . . . . . . (ik) blijf hem genegen ; daarom is mijn ziel over hem bewogen ; ik moet mij zijner ontfermen, spreekt de Heere. Of waarom zouden wij het juist hier niet zeggen met de woorden, die onze onze Statenvertaling „getrouwelick" overzette : ..daarom rommelt mijn ingewand over hem" ? zegt dit zeer menselijke beeld niet, wat de Heere van Zijn volk denkt ?
Of zal hij, die u antwoorden moet, in het Nieuwe Testament zoeken naar een omschrijving van deze liefde ? Niemand heeft meerder liefde, dan dat iemand zijn leven geve voor zijn vrienden. God bevestigt daarmee Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.
Stil wil hij u leiden tot de heuvel Golgotha. Daar, waar Gods Zoon hangt aan het kruis voor een schuldige wereld, daar wordt Gods liefde ten volle openbaar. En terwijl het bloed uit vele wonden ter aarde lekt, fluistert Hij zacht: Alzo lief, alzo lief . . . . .
Begerig om die groote liefde te kennen, te loven en te aanbidden, vraagt de ziel, tot wie deze hefde uitgaat. Het hoge woord van Gods liefde is gesproken, maar wat zal het haar baten, als zij niet weten mag dat het tot haar werd gezegd ?
Weet u, dat de Heere u liefheeft ?
Gelooft u, dat Hij tot u zegt: Ik heb u liefgehad ?
Misschien zult u dankbaar het hoofd buigen en met ogen, waarin eeuwige wederliefde straalt, opzien tot Hem, Die u zó liefheeft van eeuwigheid.
Of is dit woord te persoonlijk ? Willen wij wèl over Gods liefde spreken, maar huiveren wij terug, als de vraag tot u komt, of u deze liefde kent en erkent ? Moeten wij belijden, dat wij in volle ernst hierover nog nooit hebben gedacht ? Dat wij dus rustig deze liefde versmaden, zoals een dichteres klaagde :
De zoetste liefd' op aard. Ik wist haar des begerens En des benijdens waard. Toch heb ik nooit getracht Haar vreugde mij te winnen. (}acq. V. d. Waals).
En kunt u in het verwerpen van die liefde des Heeren voortleven ; durft u zo voort te gaan en zo eenmaal te sterven ? Weten wij niet, dat dit het allergrootste is ? En dus het allerlaatste : wie die liefde versmaden blijft, vindt aan het einde enkel de heilige toorn des Heeren, Wiens liefde men niet begeerde en verruilde voor een rijk en vruchtbaar leven. Dan zal er zijn tot in eeuwigheid: Ik haat u nu met een eeuwige haat!
Huiverend erkennen wij, dat wij dit alles hebben verdiend. Toch schreit de ziel om de liefde Gods, waarvan u voor uzelf niet durft geloven dat zij voor u kan zijn. Te schuldig weet zich het hart en het hunkert hulpeloos naar het heil, dat het zich zo gans onwaardig weet.
Maar wie zo het heimwee kent naar de lief de van God in Christus, onzen Heere, luistere nu voort. God sprak dit liefdewoord tot Israël, dat diep zondig was. Zó zondig, dat de hefde tot, Israël van de profeet dit niet meer verdragen kon.
Wanneer zijn eigen dorpsgenoten uit Anatoth een aanslag tegen hem beramen, die hij in zijn argeloosheid niet vermoeden kon, wanneer hij door de tempeloverste wordt gegeseld en alleen wordt achtergelaten op het verlaten tempelplein, hoewel hij zich geheel onschuldig weet — dan breekt zijn liefde tot Israël en hij vloekt.
Te zondig zijn zij nu geweest, daü dat de liefde van deze liefdevolle profeet het verdragen kon.
Te zondig, dan dat God ze verdragen zou, ,,om de grootheid uwer ongerechtigheid en omdat uw zonden machtig vele zijn". (Jeremia 30 vers 14).
Hier kan een mens alleen verwachten het woord van helle toorn en hete haat des Heeren.
En God spreekt van liefde : Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.
Dat is Evangelie! Evangelie voor zondaren. Evangelie voor u !
Hier gaan wij verstaan, dat de liefde van God enkel genade is. Dat wij alleen bij het kruis van Jezus Christus van liefde kunnen spreken. Want de liefde Gods is rood gekleurd door het bloed des Heeren.
Maar dan is er ook redding voor zondaren. Dan is er heil voor hulpelozen.
Dan is er de liefde Gods in een liefdeloze, met haat vervulde wereld !
Want het is een eeuwige liefde.
Dit is niet alleen van verre tijden, maar eeuwig. Al vóór het bestaan van Israël was er deze liefde Gods. Eer de wereld geschapen werd, had God hen lief. De oorzaak van de liefde Gods tot dit volk was dus niet, dat Israël beminnenswaardig was, maar de oorsprong is alleen Gods welbehagen van eeuwigheid, 's Heeren heilige verkiezing van voor de grondlegging der wereld. Niet de verdienste van Israël heeft dit bepaald, maar alleen de genade des Heeren, die hen in Christus verkoren heeft. Nu rijst het genadeteken der liefde hoger dan de hemel. Uit genade had de Heere lief en op die genade, die eeuwige genade, zullen wij pleiten.
En gij, die deze liefde kent en kennen leert, zult u verbazen over zoveel liefde van eeuwigheid.
En bij allen, die dit nog niet weten, zullen wij roemen in de liefde Gods, dat zij door het Woord des H. Geestes die liefde begeren zullen en mede zullen jubelen over en danken voor zoveel liefde.
Zoveel liefde, die ééuwig is.
Eeuwig, want nimmer zal deze liefde ver gaan. Kent de aardse liefde haar grenzen, doordat zij niet bestand is tegen de nood van de wereld, deze liefde blijft. Blijft tot aan de dood, tot over uw graf.
Eeuwig is deze liefde. De ongunst van deze wereld moge een teken zijn van de toorn Gods over ons leven, die wij al te zeer hebben verdiend. Bang mag het dan zijn, als God zich verbergt, maar
Een ogenblik moog' ons doen beven. Zijn gunst verduurt een eeuwig leven.
De donkerheid der doem verdwijnt, de luister der liefde zal eeuwig zijn.
Eeuwig is deze liefde. Met hoe grote bezorgdheid voor geest en lichaam zien wij vaak de toekomst tegemoet. Maar wat er ook mag gebeuren in dreigende doodsgevaren, de liefde Gods zal met u zijn, want eeuwig is Zijn liefde, waarmee Hij u in Christus heeft liefgehad. Ja, eeuwig is deze liefde.
In een wereld vol weedom, op een aarde vol haat, predikt dit woord van Jeremia de eeuwige liefde Gods. En al wie dit verstaat, zal het ten volle beamen : wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.
Amen.
Gouda
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 augustus 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 augustus 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's