Samuël, een zoon der Wet
FEUILLETON
EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA
114)
„Waar zijn de pijlen van Uw toorn, o eeuwige God ? Zijt Gij dan niet meer de God der wrake ? " zo stamelde hij. „Is Uw genade dan voor ons opgehouden ? Ziet Gij dan niets meer aan ons dan schuld ? Moet Uw naam hier begraven blijven onder deze ongelovigen, en zal Uw Gezalfde dan nooit komen ? Verdrijf toch. Heer, verdrijf toch de boosdoeners uit deze ongelukkige stad, dat zij niet langer triomferen over de gevallen Koningin, — of dek haar schande toe met nachtelijk duister, Eeuwige God! O Messias, kom ! Dan, ja dan, o Koning David, zal ons heil opgaan uit de woestijn. Gij, nu een bebouwde vuilnishoop, een plaats, waar al de volken hun wil doen ! En koningen zullen Uw stof lekken ! Messias, o kom ! Neem Uw koninklijk sieraad, en Uw helm, en verlos ons. Uw volk!"
VIII
Samuël naar Bethlehem.
Het Paasfeest van de Christenen was nabij, en daarmee naderde ook het Pascha, dat Samuël weer thuis zou moeten zien volgens afspraak.
Hij had vlijtig in de Jeschiwoth toegeluisterd. Zoveel hij maar van de lessen kon meenemen, had hij waargenomen, en hij had het doorkruisen van stad en omgeving zelfs verder als een bijzaak beschouwd. Maar als hij dan rondliep, nam hij elke gelegenheid te baat om met Russische pelgrims een gesprek aan te knopen, in de hoop, dat hij uit de vroegere woonplaats van Jossele iets te horen zou krijgen, wat voor deze van belang zou kunnen zijn. Eens had hij het geluk om mensen uit dat zelfde gouvernement te vinden, en een van hen wist, dat de oude schoenmaker, die het ongeluk had gehad om de doodslag van een politieagent in zijn huis te beleven, gestorven was. De zaak had veel opzien gebaard. Maar van de verdere familieomstandigheden van die man en zelfs van het bestaan van een dochter van hem, wist hij niets af.
Zijn sabbat vierend, liep Samuël wat rond in het Kidron-dal tussen de graven, steenklompen, en in het wild groeiende cactusplanten. Nauw aaneengesloten lagen in de kalkrijke bodem de oudere graven der Joden, net alsof die mensen waren samengestroomd uit Boekarije en Hongarije, uit Jemen en Marokko, uit Rusland en uit de Kaukasus, om hier te sterven. Zij waren tevreden Joden geworden en hadden zich kalm in de loop der zaken geschikt. Sedert enige dagen wist Samuël echter, dat er te Jeruzalem ook andere Joden waren, die daar waren gekomen om gedurende hun leven gelukkig te zijn.
En onder deze waren er een aantal, die stil en onvermoeid streden om eens weer het rijk hier in hun bezit te krijgen. Zij werkten zo weinig opzienbarend en tegelijk zo aanhoudend, als de onderaardse wateren, die hij hier onder zijn voeten kon horen ruisen. Die wateren waren uit de oude bedding diep in de bodem gezakt en vormden nu, misschien wel samengesteld uit een heel net van in de diepte klaterende aders, ondergronds een nieuwe stroombedding !
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 augustus 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 augustus 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's