De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

BELIJDENIS EN BEDE

9 minuten leestijd

Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp. Markus 9 vs. 24b.

Een enkel woord eerst over de aanleidende oorzaak tot de uitroep in bovenstaande tekst. Ze is genomen uit de geschiedenis van de maanzieke knaap.

Aan deze geschiedenis gaat vooraf Jezus' verheerlijking op de berg, waar Hij van gedaante werd veranderd en Hij wederom iets aanschouwde van de heerlijkheid, die Hij tevoren bij de Vader had. Maar deze verheerlijking moet weer prijsgegeven worden. Hij is de vernederde. Hij moet voort, voort naar het kruis, dwars in en dwars door allerlei ellende.

Zo is het niet bij geval, dat Hij aanstonds, als Hij van de berg is afgedaald, die ontmoeting moet hebben met een toonbeeld van jammer, waaruit te redden Hij immers zich zo diep vernederd had.

Wat gebeurde er dan ? Wel, het is ons natuurlijk bekend, dat kort tevoren Jezus Zijn discipelen kracht en macht gegeven had over alle duivelen en om ziekten te genezen en hen vervolgens uitgezonden had om te prediken het Koninkrijk Gods.

En zie, nu is daar tot die discipelen gekomen een beproefde en bedroefde vader, met een deerniswekkend kind, een jongen, waarin zich een boze geest had gehuisvest, die hem de spraak en het gehoor ontnomen had, en tevens Jeed deze knaap ernstig aan vallende ziekte.

De discipelen blijken echter niet in staat hier te helpen, waardoor zij zich teleurgesteld gevoelen. Een schare mensen verdringt zich om de vader met zijn zoon en de discipelen, en tussen die schare in staat een aantal Schriftgeleerden in druk twistgesprek, maar tevens vol heimelijke vreugde, dat Jezus' discipelen hier machteloos staan.

Daar komt Jezus naderbij. De menigte wijkt uiteen en weldra deelt de vader van de knaap Zijn lot en dat van zijn kind aan Jezus mede, ook, dat de discipelen niet hebben kunnen helpen.

Wel was de overgang voor de Heere Jezus 'groot! Kort tevoren nog zo dicht bij de heerlijkheid van de hemel en nu midden in de nasleep van jammer, die de zonde in de wereld heeft gebracht. Hoe begrijpelijk is dan ook Zijn verlangen naar het eind van Zijn aardse taak, om daar te zijn, waar dit alles niet is, even begrijpelijk Zijn ontboezeming, die zeker voortkwam uit de zo grote overgang : „O, ongelovig geslacht, hoe lang zal Ik nog bij u zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen !"

Het zal de vader van de jongen echter ook wel heel vreemd te moede zijn geweest. Zijn gang naar Jezus' discipelen was bepaald door de nood in zijn gezin, naast al wat hij van Jezus gehoord had, waardoor het voor hem vaststond, dat Deze bezat Goddelijke kracht en macht. Daarom spreekt hij Jezus dan ook aan met de naam „Heere". Anders zou hij zeker „Rabbi" gezegd hebben. Maar . .. . . . als hij alleen let op de omstandigheden, dan is zijn hoop niet groot. En toch . . . . . hoe ook overal vastgelopen, hoe ook teleurgesteld, toch is er bij hem een sprank van hoop. Hij doet een dringend beroep op Jezus' hulp en als Deze dan tot hem zegt: „Zo gij kunt geloven, alle dingen zijn mogelijk dengene, die gelooft", dan roept hij onder tranen uit: „Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp".

Deze woorden, waarover we het nu verder hebben, zijn ongetwijfeld duizenden malen door monden en harten nagesproken geworden. Misschien ook wel door de uwe, lezers.

Drukken zij niet een gevoel uit, velen welbekend ? Doen zij niet een snaar trillen in menig hart ?

Daar is dan enerzijds een zwak vertrouwen, dat tegelijkertijd bestookt wordt door de werkelijkheid, die voor ogen is. Calvijn zegt ergens: „immers voorzover wij het geloof kennen en onszelf kennen, kennen wij ook de ongelovigheid, die gedurig en telkens tegen het geloof getuigt, strijdt en worstelt".

Nu is het onze bedoeling niet, een leerstellige uiteenzetting te geven van het geloof; ook gaan we niet na of het geloof van de vader van de maanzieke knaap zaligmakend of wondergeloof was — ge kent toch die onderscheiding wel ? —, neen, wij stellen die uitroep : „ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp", op dat plan, waarop het bewogen hart deze stelt, dat wil zeggen, hoe is het, als het gaat om het vertrouwen op God in Christus Jezus, als de waarmaker van Zijn Woord, het persoonlijk vertrouwen, maar dan ook de persoonlijke omgang ? Hoe is het daarmee ? Want dat is toch nodig, en daar moet het toch om gaan. De noodzaak van persoonlijk geloof kunnen we nooit genoeg onderstrepen, dat begint met: „ken uzelf". Ken uzelf in het licht van Gods Woord. En wat zegt mij dat Woord dan ? Dit: „want er is geen onderscheid, want zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods". Luther heeft eens van dit woord uit de Romeinenbrief gezegd : „dit is het voornaamste stuk en het middelpunt van deze brief en van gans de Heilige Schrift"., Heeft ons dat woord al wel eens ernstig toegesproken ? Met niets van ons kunnen wij die heerlijkheid Gods kopen — met ons offeren niet, of met ons ijveren, of met onze gewaarwordingen of stemmingen, of met onze deugd of ons verstand, waardoor wij wel heel geleerd kunnen zijn in wereldse en geestelijke dingen, maar bij dit alles blijft de kern nog onveranderd en stijgen wij niet op tot God, wat alleen kan door te zinken, door in de nood te komen, in de stikdonkere nacht, waarin de vader van de maanzieke knaap gekomen was. Wanneer God inkomt in het leven met Zijn Heilige Geest, dan komt de brand in het leven, en dat doet zeer. Dan komt die grote verlegenheid tegenover God, Die ons niet nodig heeft. Die Zijn stoel op sterren sticht en grondvest op de wolken en met Wien wij toch te doen hebben. We verstaan dan Jesaja's uitroep : „Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben . . . . . ., want mijn ogen hebben de Koning, de Heere der heirscharen gezien", en nog sterker spreekt het woord ons toe „allen gezondigd" en „derven van de heerlijkheid Gods".

Maar is dit niet het grote wonder, dat onze verlegenheid Gods gelegenheid is ? Hij heeft Zijn heerlijkheid in Zijn Zoon doen nederdalen. En ziet, dit is iets, wat beter doorleefd, dan verklaard kan worden, de aantrekkingskracht, die er dan van Christus uitgaat.

Dat mijn ziele zich verlieze. Dit is 't deel, dat ik verkieze In die liefde zonder peil.

Die liefde, die bereid was om de dood in te gaan voor hen, die als schapen gewaald en grotelijks tegen God gezondigd hebben. „Mijn hart roept uit tot God, Die leeft, en aan mijn ziel het leven geeft" — hoe spreekt elk woord van deze psalmregels toe: „was ons in de zuivere fontein Zijns bleeds, opdat wij rein en sneeuwwit worden". Maar wij weten óok, dat wij dit niet waardig zijn, want als wij zien wie wij zijn, dan kunnen wij enerzijds niet geloven, dat God ons in genade wil aannemen. Vandaar het woord van onze tekst, uit zo menig hart gegrepen : „Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp". Maar als God ons door Zijn Geest te sterk is geworden, dan moeten wij de hand leggen op Zijn Woord en staat maken op de waarachtigheid van het Evangelie en vertrouwen op Zijn Woord, dat ons zegt, dat wij nooit klein genoeg van onszelf, maar nooit groot en goed genoeg van de Heere Jezus kunnen denken.

Doch daarmee beweren wij niet, dat het ongeloof nu weggevallen is. Het ongeloof blijft altijd het geloof vergezellen. En dat is het juist, wat velen verontrust.

Nu is het altijd nodig de oorzaken van ongeloof op te sporen. Die kunnen liggen in een bedroeven van de Heilige Geest, doordat men bepaalde zonden koestert, metterdaad of in het denkleven — gedachten zijn niet tolvrij. — Dan gaat de adem van een koude geestelijke herfstwind over de ziel. Of ook, men kent niet en zoekt niet de ogenblikken van afzondering. De drukten van het leven, ook vaak van het kerkelijk leven, kunnen oppervlakkig maken. Men kan zelfs draven in allerlei z.g. geestelijke arbeid, terwijl men nooit aan Jezus' woord denkt: „kunt gij dan niet één uur met Mij waken ? "

En dan, hoe vaak zien wij niet op de krachten en machten in de wereld en denken daarbij en daardoor klein van de Heere. Zie, als wij dan ineens opmerken hoe onze ziel kleeft aan het stof, dan kan de vrees ons overvallen en doen zeggen : Heere, zal ik nog wel ingaan en voor Uw aangezicht verschijnen ? Dat alles vergezelt op weg naar huis, zodat het blijven zal tot aan het einde : ,ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp". . . . . . ., „O, God, wees mij zondaar genadig".

Op Jezus' school wordt geleerd tot de laatste snik : „ik val mij zelf tégen". Maar daarom zal het lied hierboven zo schoon zijn en alleen de roem van Jezus verkonden :

Dan zullen daar de blijde zangers staan. De speelliên op de harp en cimbel slaan.

en zij zullen zingen in aanbidding voor het Lam : „Gij zijt geslacht en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed uit alle geslacht en taal en volk en natie, en Gij hebt ons onze God gemaakt tot koningen en priesters".

„Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp". De blijdschap en de droefheid vergezellen beide op weg naar Zion. Hoe zouden anders door God, na het ontwaken, tranen van de ogen afgewist worden ?

Maar in het hoogtepunt van de crisis, breekt telkens toch weer door het wonder van de ontferming Gods en daarom mag het steeds weer gezongen worden :

Hij kan en wil en zal in nood,  Zelfs bij het naad'ren van de dood. Volkomen uitkomst geven,

ook al ziet geen mens daar wat van.

De vader met zijn jongen werden door de Heere Jezus geholpen. En wij hopen, dat er zo velen mogen zijn, die, zij het voor eigen besef met o zo weinig geloof, niet kunnen buiten die grote God en Zaligmaker, Jezus Christus.

J. Ch. W. KRUISHOOP.

Rotterdam-Charlois,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's