VERBOND EN ROEPING
Alvorens verder te handelen over het Verbond, kan het zijn nut hebben eerst een andere kant te beschouwen, n.l. de roeping, welke in het Verbond ligt.
De mens is geschapen, onder het grote voorrecht, dat God verbondmatig met hem omgaat, een voorrecht boven andere schepselen.
De verbondmatige omgang laat 't licht vallen op de zin van de schepping naar den Beelde Gods. Wat toch bedoelt die uitdrukking verbondmatige omgang ? Omgang volgens een Verbond, en derhalve volgens de orde van het Verbond. Die orde, dat behoeft geen betoog, wordt door de souvereine God en door Hem alleen bepaald en gezet. Daarin heeft de mens niets mede te bepalen. Bovendien gaat die orde aan de schepping des mensen vooraf. Zij is een werk van Gods welbehagen. Veeleer wordt de schepping van de mens door die goddelijke orde bepaald, opdat hij daarmede overeenkomstig zou kunnen leven. De Heere heeft de mens alzo geschapen, dat hij dat doen kon, zegt de Catechismus.
Wij zouden kunnen zeggen: God heeft de mens macht gegeven, dat hij dat doen kon, gelijk daar staat geschreven, dat Hij zovelen Hem aangenomen hebben, macht heeft gegeven kinderen Gods genaamd te worden.
Blijkens de zondeval heeft God de mens echter ook macht gegeven de orde des Verbonds ongehoorzaam te zijn, of liever, in de macht om aan de eis des Verbonds te kunnen gehoorzamen, lag besloten, dat hij zulks ook kon weigeren. Hierover ware veel breder te handelen, doch dat laten wij thans rusten.
Doch nu wat de verbondmatigheid verder meebrengt.
Ten eerste. Als God een Verbond met de mens stelt (denken wij aan het z.g.n. werkverbond), dan houdt dit niet alleen in, dat de Heere met de mens naar dat Verbond handelt, maar ook, dat deze onder de orde van dit Verbond staat en bestaat, en dat hij gehouden is aan de eis door het Verbond aan hem opgelegd.
Dit sluit wederom in, dat hij van Godswege in kennis wordt gesteld van die orde. Hoe anders kon hij uit het Verbond leven en zijn bestemming bereiken ? Het Verbond toch is op zijn leven en bestemming aangelegd. Hij moet kennis dragen van de Wet des Verbonds.
Dit betekent alzo, dat de verbondmatige omgang insluit, dat God zich aan de mens openbaart en hem Zijn wil bekend maakt. Uit dien hoofde is het reeds duidelijk, dat de mens bij brood alleen niet zal leven, maar bij alle Woord dat uit de mond Gods uitgaat. De Heilige Schrift bevestigt dit ook, want het is volkomen juist, wat Calvijn zegt, dat de mens nooit zonder het Woord Gods is geweest. Wij wezen reeds vele malen er op, dat de Godsopenbaring onmiddellijk een aanvang nam bij de schepping van de mens. (Gen. 2 vs. 15 v.)
Zo sluit de verbondmatige omgang Gods het grote voorrecht der Godsopenbaring in. Die openbaring gaat ook over de oorsprong, het leven en de bestemming van de mens.
Ten tweede. De verbondmatige omgang Gods met de mens sluit ook in, dat de mens alzo gezet is tot kennisse Gods en welbewuste arbeid in het Koninkrijk Gods.
Tot kennisse Gods. Dat is zijn leven. Hierin, is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige en waarachtige God en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt.
Ten derde. Reeds uit het onder 1e. en 2e. genoemde volgt, dat de mens uit het geloof zal leven. Hij is geroepen tot geloof. Geloof dat het God is, die met hem spreekt, dat Zijn Woord de waarheid is. Hij is geroepen dat Woord te bewaren en te onderhouden. Het geloof is de centrale beheersende macht in het leven en het vindt zijn grond en richtsnoer in hetgeen God gesproken heeft.
Ten vierde. Uit die verbondmatige verhouding volgt de eis van gehoorzaamheid en onderwerping aan de wil Gods.
De mens is tot de dienst des Heeren geroepen en dat met zijn ganse leven. Gij zult de Heere, uw God, liefhebben met geheel uw hart, met geheel uw ziel, met geheel uw verstand en met al uw kracht. In de rechte verhouding valt niets in ons leven buiten die Dienst.
Daarom ook is die dienst ambtelijk. Ambtelijk, omdat deze aan de gehoorzaamheid aan 's Heeren Woord is gebonden. Geen eigenwillige dienst, want dat is afgoderij en in de grond der zaak dienst aan de mens, aan menselijke begeerten en idealen.
In die heilige dienst Gods is de mens gezet tot een medearbeider Gods, en dat in het besef van zijn roeping, als een welbewust wezen en als een persoonlijkheid.
De medearbeid des mensen naar de orde zijner schepping komt in verschillende ordeningen Gods uit. Zo het bevel om heerschappij te voeren over het schepsel, opdat de mens daarin zijn God zou dienen.
Een gans bijzonder voorbeeld is ons ook gegeven in de ordening des huwelijks. In verschillend opzicht kan worden gewezen op de heiligheid des huwelijks. Doch wij willen de aandacht vestigen op één zaak. In de schepping van de mens Adam is die van alle geslachten der aarde gegeven, doch niet zonder de ordening van het huwelijk, waarin de mens zulk een belangrijke rol is toegekend in de procreatie. Op de geboorte van Christus wijdende, zegt de Schrift : „niet uit de wil des mans". Deze uitdrukking heeft alzo een positieve betekenis in verband met de geboorte, die in de gewone — ten onrechte natuurlijke gang genoemde — weg des levens uit de wil des mans. is. Met andere woorden. God heeft de mens ingeschakeld in Zijn scheppende arbeid. Dat neemt de verborgenheid der geboorte niet weg, noch ook de scheppende daad Gods, welke daarin tot openbaring komt, maar het tekent de heiligheid des huwelijks als een verborgenheid.
Ten vijfde. De verbondmatige verhouding sluit in, dat de mens is geroepen tot een leven in gemeenschap niet God. God spreekt met hem, maar omgekeerd moet er in die verhouding ook een weg zijn voor de mens tot God. Hij moet met zijn leven voor God kunnen verschijnen, de Naam des Heeren kunnen aanroepen. Dat is de weg des gebeds. Als het hem aan wijsheid ontbreekt, moet hij zijn God kunnen vinden, die hoort. Het gebed is een gave des Verbonds. Wij zien ook in de Heilige Schrift, dat Adam die weg kent en dat hij tot God komt, als het besef van zijn roeping als vader van het geslacht der mensen bij hem is ontwaakt. Hem ontbreekt de mens tegenover hem en God schept de vrouw.
Ten zesde. De verbondmatige verhouding stelt de mens tot een bewaarder des Woords en tot een onderwijzer en opvoeder in de Dienst des Heeren, waarin bijzonder zijn ambtelijke taak als profeet, priester en koning uit komt.
Ten zevende. De verbondmatige verhouding is een verhouding der persoonlijkheid. God gaat met de mens om van Persoon tot persoon en stelt hem mede verantwoordelijk voor zijn medemens. Gij zult uw naasten liefhebben als uzelf.
Al deze gaven en voorrechten, maar ook als deze roeping in de verhoudingen des levens, liggen in de Verbondmatige omgang besloten. In zulk een orde werd de mens geschapen en God houdt Zijn Verbond. Van Gods zijde is dat onverbrekelijk. Maar het is een Verbond. Doet dat en gij zult leven. Niet hoorders, maar daders des Woords, zo eist de profeet. Zo ligt het ook in de Verbondmatigheid, dat de mens het kon breken.
Wegens de trouw en de gerechtigheid Gods blijft de mens, die het Verbond breekt, wel onder het Verbond, maar hij staat niet meer in het Verbond.
Zo staan wij als gevallen mensheid nog altoos onder het Verbond, onder de eis en de belofte, onder de roeping tot gehoorzaamheid en dienst krachtens onze schepping, maar wij staan niet meer in het Verbond vanwege onze val.
Wanneer toch staan wij in het Verbond ? Als wij de gehoorzaamheid bewijzen, welke God van ons vordert. De Schrift getuigt echter, dat de Wet krachteloos is geworden vanwege onze ongerechtigheid. God zag neer van de hemel om te zien of er iemand is, die goed doet en Hij vindt er niet één. Tezamen verdorven. Dat is onze staat. Zo staan wij wel onder de eis des Verbonds, maar niet in het verbond. Wat wij leven, leven wij in ongerechtigheid en wij hebben de goederen des Verbonds verbeurd. In het Verbond zijn zij, wier leven is naar de orde des Verbonds.
De vraag rijst nu, hoe leven wij dan nog dit leven ? Hoe kan de aarde ons nog haar vrucht geven ? Hoe is het schepsel ons nog in zo menig opzicht dienstbaar, terwijl wij onze bestemming missen ? Krachtens de orde van het Verbond kan de ongerechtigheid van de mens ook niet zonder gevolgen voor het schepsel blijven.
De genoemde gaven zijn immers nog altoos gaven, welke aan het Verbond waren verbonden, terwijl wij daarop krachtens de Verbondsbreuk geen recht kunnen doen gelden. Deze weldaden komen ons derhalve toe uit onverdiende gunst. Het zijn genade-gaven, daar wij toch genade slechts kunnen verstaan als gunst Gods jegens de zondaar.
Tegenover de Verbondsbreuk van de mens staat alzo een genadebetoon Gods.
Desniettemin ligt het ook in de Verbondmatige verhouding, waaronder de mens werd geschapen, dat de gevolgen van zijn daden op zijn hoofd komen en dat hij de schuld en het oordeel draagt — en dat, terwijl hij nimmer in staat zal zijn de gerechtigheid van het. Verbond te herwinnen. Dat oordeel trekt door tot een iegelijk onzer persoonlijk. Wij missen de hoogste gaven van het Verbond. Wij missen de gemeenschap Gods en daarmede derven wij Zijn heerlijkheid en missen wij alles en kunnen geen verwachting hebben, tenzij dan in de barmhartigheid Gods, welke Hij in de Zoon heeft geopenbaard.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's