MEDITATIE
De hoognodige verbetering....
Maar Hij zeide: Ja, zalig zijn zij, die het Woord Gods horen en het bewaren. Lukas 11 vers 28.
Het woordje maar, waarmee onze tekst begint, drukt een tegenstelling uit tussen het voorafgaande en het volgende. De Heere Jezus gaat hier het woord van een vrouw uit de schare verbeteren ; Hij moet haar om haar gezegde berispen. Zij was er naast.
Ze stond versteld over Jezus' prediking. Zijn woorden waren raak en overtuigend. Jezus had een duivel uitgeworpen en die het meegemaakt hadden, verwonderden zich er over. Ook deze vrouw. Maar er waren er óok, die niet voor Jezus buigen wilden. Ze vroegen in hun ongeloof een teken, om Hem op de proef te stellen. En anderen lasterden Hem met hun verklaring, dat Hij de duivel had uitgeworpen door Beëlzebul, de overste der duivelen. Satanische verzoeking, maar Jezus doorzag hen en Hij weerlegde hun helse beschuldiging op een duidelijke, overtuigende manier, zodat ze zich nu verwonderden over Zijn daad en woord.
Die verwondering werd een vrouw te machtig. Ze riep het luide uit: zalig is de schoot, die u gedragen heeft, en de borsten, die gij hebt gezogen. Zij wonderde Christus' heerlijklieid uit in de zaligspreking van Zijn moeder Maria.
Moet daarop nu een berisping volgen ? De Schrift neemt toch ook over Maria het woord van de Engel, dat in Gods opdracht gesproken is: gezegend zijt gij onder de vrouwen ? Is die vrouw er dan naast ?
Ja, toch, want Jezus weet wat Hij doet en Hij doet het niet zonder reden. Hij verbetert haar door zalig te noemen, niet de vrouw, die Christus gebaard heeft, maar allen, die uit Hem geboren zijn. Zalig zijn zij, die het Woord Gods horen en het bewaren.
Waarin komt Christus' heerlijkheid uit ? In Zijn moeder ? Maar dat is voor Maria alleen, en niet voor anderen. Jezus' woord en daad, Zijn wonderen en Zijn prediking, hebben wel een ander doel dan Maria te verheerlijken. Hij verheerlijkt de Vader in allen, die uit Hem geboren worden, en dat zijn er meerderen; dat wordt straks een schare, die niemand tellen kan, uit alle geslachten, talen, naties en tongen. Zij zullen in het Lam de Vader eeuwig eren !
Jezus moet hier om Gods wil berispen en verbeteren.
Toch gaat de Roomse Kerk door met haar Maria-verering, ondanks dit Woord van Christus. Het is ook veel gemakkelijker, Maria te eren, dan het Woord Gods te horen en te bewaren.
Deze vrouw blijft ondanks haar verwondering toch in een blote beschouwing steken. Zo staat ze zelf buiten schot en blijft ze ook buiten schot. Dat is wèl zo eenvoudig. Het heeft de schijn van vroomhnid en wij kunnen dezelfde blijven.
Jezus kent het hart van deze vrouw en ook ons hart. Hij weet, dat we zo graag, zelfs in verwondering, de daden Gods beschouwen als een grootheid buiten ons. We spreken en horen graag spreken over Gods wondere leidingen met Zijn volk. Waarom ? Om het alles op een afstand te houden en de vrome schijn nog mee te hebben. Het strekt toch wel tot onze eer, als we voor de waarheid zijn, voor de goede waarheid, en die eer past ons wel, ons hoogmoedige schepselen, die eigen eer zoeken en de eer, die God toekomt, nalaten.
Dit gevaar ziet Jezus bij deze vrouw en Hij ziet het ook bij ons en daarom komt Hij met de terechtwijzing en onderwijzing.
Hij moet altijd weer berispen en verbeteren. Wij zijn er zo vaak naast, omdat we onze eer zoeken en daardoor Gods Woord op een veihge afstand van ons houden, zodat wij buiten schot blijven en het Woord ons niet raakt en dodelijk treft in onze eigenwaan. Gelukkig houdt Hij niet op met Zijn terechtwijzingen door Zijn Woord. Zo kunnen we ons nooit verontschuldigen. Hij maakt zich vrij van ons bloed. Wéé ons, als we bij onze verwonderingen en beschouwingen blijven staan en de dood ons onbekeerd overvalt, we zullen voor Hem niet bestaan.
Jezus' onderricht gaat door. Hij bestraft en verbetert. Is Hij niet de geduldige, de ontfermer bij uitnemendheid ? Welke onderwijzer zou het niet zat worden, altijd weer te moeten verbeteren ? Hij is de leermeester, die het nooit moede wordt de Zijnen te leren. Zijn wij op Zijn leerschool ? Hoe leren we dan meer en meer Hem te aanbidden om Zijn wijsheid en liefde, omdat bij elke les, die Hij de Zijnen geeft, onze eerzucht een gevoehge slag krijgt. Hij moet wassen en ik minder worden. Ware leerlingen op Zijn school bidden en leren bidden :
Leid mij in Uw waarheid, leer ijv'rig mij Uw wet betrachten. Want Gij zijt mijn heil, o Heer', Ik blijf U al de dag verwachten.
Zo is het met hen, die Zijn Woord horen en bewaren. In hen komt Christus' heerlijkheid uit, niet in Maria, de moeder des Heeren. Daarom sprak Hij hen zalig.
Het Woord Gods horen en bewaren. Hier bedoelt de Heiland Zichzelf en toch. Hij noemt hier niet zichzelf, maar het Woord Gods. Waarom ? Omdat Hij ons zichzelf door Zijn Woord deelachtig maakt, is het recht en billijk, dat Hij ons vermaant het te horen en te bewaren, opdat Hijzelf door het geloof ons eigendom worde. (Calvijn).
Al de schatten van Zijn werk ja. Zichzelf, geeft Hij door Zijn Woord, en die zijn niet voor één, Maria, maar voor velen. Zijn Woord gaat uit over de gehele aarde en moet overal gebracht worden, opdat Hij de Zijnen, Zijn Kerk, vergaderen zou, allen die het Woord Gods horen en bewaren.
Horen en horen, het maakt een groot verschil. De gehele schare hoorde Zijn Woord, maar het stuitte af op hun harde hart. Daarom hadden ze het wel gehoord en daarom waren ze niet te verontschuldigen. We kunnen horen en toch niet horen. Het horen van Gods Woord is daar, waar het Woord Gods het hart wederbaart tot een nieuw leven. Dat is ook de macht van het Woord Gods. Het slaat door Gods Geest in in het hart en gaat daar werken en doorwerken en uitwerken. Daarom is het geloof door het gehoor en het gehoor door het gepredikte Woord Gods.
Verachten wij soms de dienst van het Woord Gods ? Maar zij, die er roem op dragen, dat zij met verborgen ingevingen tevreden zijn en dit tot voorwendsel nemen om zich aan de uiterlijke prediking te onttrekken, worden van het hemelse leven uitgesloten. Hetgeen dan de Zoon van God samengevoegd heeft, mogen de mensen in hun heiligschennende vermetelheid , niet scheiden. (Calvijn).
Of verachten wij het Woord Gods door ons prediken meer van eigen gedachten en meningen, dan van het Woord Gods ? Klagen we dan over de geesteloosheid van onze dagen ? Geen wonder, want het Woord Gods alleen en niet onze gedachten en overleggingen, die we met de Schrift willen dekken, bekeert de mens. We hebben sprekers genoeg, maar we behoeven bedienaars des Goddelijken Woords, die zelf door het Woord gegrepen zijn en alleen onder de tucht van het Woord Gods prediken kunnen, alleen het Woord Gods.
Het Woord Gods horen en bewaren. Die twee gaan samen. Wie het Woord Gods hoort, zal het ook bewaren. Als het Woord Gods door de oorpoort heen in ons hart levenmakend ingaat (dat is het horen, door Jezus hier bedoeld), vinden wij in God, die Zichzelf in Zijn Woord laat zien, de grootste schat, die we niet meer missen kunnen. Hem bezitten in Christus dringt tot bewaren. Hoe dierbaar is dan Gods Woord! Hoe heerlijk en kostbaar is dan God zelf in het aangezicht van Christus Jezus ! Schatten willen we tot elke prijs behouden, de grootste schat het allermeest. Horen dringt tot bewaren.
Bewaren, want er zijii rovers genoeg. De doodsvijanden houden niet op met hun aanvallen. Bewaren is een geestelijke strijd. Waakzaamheid en werkzaamheid is geboden, en wie is bij machte door eigen kracht die schat te bewaren ? God bewaart de parel van grote waarde. Uw leven is met Christus verborgen in God. Gelukkig ook, het ging uit onze handen zeker verloren. Van ons, die het Woord Gods horen en bewaren, geldt het woord : want gij zijt gestorven. Daarom zal de rechtvaardige door het geloof alleen leven. En het geloof rust alleen op Gods Woord. Wij hebben altijd weer gronden gezocht in onszelf, maar de Heere deed ons alleen leven uit Hem, door Zijn Woord.
Bewaren. Het is ook de uitdrukking, die wijst op het wandelen in Zijn wegen, naar Zijn geboden. Bewaren is een waken tegen de overtreding van Gods wet. Het geloof wordt uit de werken gekend. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting de ganse dag. Wie zal God liefhebben en Zijn geboden verachten ? Maar de wet is en zij iiöoit een nieuwe en andere grond ter zaligheid. Christus en Zijn volbracht werk is de enige grond, die nooit faalt.
Jezus noemt hier zalig, die het Woord Gods horen en bewaren. Dat is nog iets anders dan deze vrouw deed. Zij was er naast.
Wie zijn wij en wat doen wij ?
Spreken wij anderen of onszelf zalig ? Of spreekt Christus ons zalig ? Zijn wij ook, die het Woord Gods horen en bewaren ? Zo zijn we zahg ! Hij heeft het gezegd ! Er staat geschreven. Zijn getrouw Woord is en zij de bron van de blijdschap en de kracht.
(Nunspeet)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's