De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

OUD EN NIEUW VERBOND

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

OUD EN NIEUW VERBOND

9 minuten leestijd

Werkverbond en genadeverbond hebben wij in hun saamhang gezien en daarin ligt ook de saamhang van Wet en Evangelie besloten. Hoe staat het nu met de Schriftuurlijke onderscheiding van Oud en Nieuw Verbond. Vgl. Jeremia 31. Zonder enige twijfel ziet het Nieuwe Verbond op het genadeverbond, zoals dat in en door Christus is vervuld geworden. Uit de profetie van Jeremia (en ook Ezechiël) kan dat zo duidelijk blijken, dat misverstand is uitgesloten. Immers zij spreken van de vernieuwing des harten. Vgl. Jeremia 31 : 31 en v.v. en Ezechiël 37 : 26 v.v. Jeremia stelt het Nieuwe Verbond tegenover de Sinaï (31 : 32).

Hoe moeten wij nu de tegenstelling Oude en Nieuwe Verbond verstaan ? In het Oude Verbond treden twee momenten op de voorgrond: 1 e de openbaring van de Wet op de Sinaï en de eis tot bekering en gehoorzaamheid in woord en daad, 2e de profetie van de Messias, die komen zal.

Kenmerkend is voor de houding van Israël, dat het is een wederhorig kroost. Vandaar de oordeelsprediking der profeten. Slechts een rest zal behouden worden. Een klein gedeelte verwacht de zaligheid Gods, die naar de belofte is.

Zozeer treedt de Wet op de voorgrond, dat zelfs het gehele Oude Testament onder die naam wordt genoemd. De leidslieden des volks gaan voor in wetsbetrachting en werkheiligheid en onderscheiden zich van „het volk, dat de Wet niet kent". Zij moeten herhaaldelijk de bestraffing van de Christus horen, gelijk ook de profeten reeds hebben gesproken van misleiders des volks.

Deze wetsbetrachting en werkheiligheid is niet de gewenste vrucht van het Oude Verbond, maar de profetische prediking wijst op een andere vrucht: n.l. de kennis, dat uit de werken der Wet geen vlees gerechtvaardigd wordt, maar dat de rechtvaardige uit het geloof zal leven (Hab. 2:4). Vgl. ook de bovenaangehaalde profetieën.

De slavernij in Egypte en de verlossing uit het diensthuis is voor vele Israëlieten slechts in zijn historische betekenis, de wording van de onafhankelijke natie onder de volken, in blijvende gedachtenis gehouden zonder die in zijn profetische symboliek te verstaan. Zo is het ook met de dienst van het heiligdom.

De volksgodsdienst draagt een wettisch karakter, gaat in de cultus op en vermengt zich telkens weer met de heidense afgoderij. Vandaar de oordeelsprediking der profeten.

De eis der gehoorzaamheid aan de Wet kenmerkt weliswaar het Oude Verbond, en in zoverre kan het de schijn hebben van een volharding in het werkverbond, een schijn, die wordt versterkt door de werkheiligheid, waartoe het heeft geleid. De Tafelen der Wet worden dan ook als de Tafelen des Verbonds gewaardeerd. Openbaring en kennis der Wet behoren zeker tot de gaven des Verbonds. God treedt in gemeenschap met Zijn volk. Hij bindt het volk aan Zich door de eis der Wet. Het bondsvolk moet dus in de eerste plaats leren, dat het nog altoos onder de Wet, dat is onder het werkverbond staat.

Wat boven naar aanleiding van Jeremia en Ezechiël werd opgemerkt, (en met voorbeelden uit de andere profeten kan worden vermeerdeerd), blijft echter bij het werkverbond niet staan. Het volk moet leren, dat het als een verloren volk onder het werkverbond bestaat, en alleen uit genade leven kan. Dat het behoud alleen in de ontferming Gods bij de hemelse Goël kan gevonden. Dat is de blijvende betekenis van de Wet en de goddelijke leiding tot de toegang der genade. God zelf zal de vernieuwing des harten schenken. Oude en Nieuwe Testament worden dan ook ten onrechte tegen elkander gesteld als Wet en Evangelie. Er is geen Evangelie buiten de kennis en buiten het oordeel der Wet. Geen genadeverbond zonder een schuldig volk. Met de eerste Adam zijn wij onder de eis der Wet gesteld en hoe zou zijn nakomelingschap vrij van de Wet Gods zijn, welke des mensen levenswet is ?

Daarom is de traditionele onderscheiding juist, welke spreekt van belofte en vervulling. Alle beloften Gods onder het Oude Verbond zijn in Christus ja en amen. Zo heeft het Oude Verbond alles in de belofte, wat zijn vervulling in Christus reeds heeft verkregen of in de 'toekomst des Heeren nog zal verkrijgen. Maar daarom is de werking der Wet in het Nieuwe Verbond gelijk aan die in het Oude. Zij is een ontdekkende en veroordelende, een voorbereiding tot de uitnemende kennis van Christus en van de nieuwigheid des levens.

Oude en Nieuwe Verbond doen de eis van het werkverbond niet te niet, maar de genade Gods maakt de Zijnen vrij van de vloek der Wet door de toerekening in Christus, die de Wet heeft vervuld. En meer nog, zij doet de kinderen Gods ook delen in de nieuwigheid des levens door de kracht der wedergeboorte. Zo blijven Wet en Evangelie ook in het genadeverbond verbonden.

De gedachte van z.g. „Evangelische" Christenen alsof wij onder het Nieuwe Verbond met de Wet niet meer van doen zouden hebben, berust op een misverstand en een verkeerd inzicht in de betekenis en de dienst der Wet. De Catechismus leert hieromtrent anders, daar hij niet alleen in het stuk der ellende, maar ook in het stuk der dankbaarheid op de zin van de Wet wijst. Het misverstand heeft niet alleen ten gevolge, dat men in zijn eigenwillige godsdienst voorbij ziet, dat de Wet Gods expressie geeft aan de ware godsdienst, zoals Calvijn zegt, maar ook, dat men in de burgelijke saamleving de norm door God gesteld veronachtzaamt en de burgelijke vrijheid, welke God in Zijn genade wil gehandhaafd hebben, in gevaar brengt en inruilt tegen allerlei slavernij en tyrannic.

Een van de genadegaven, wier universele werking wij mogen genieten, is de openbaring der Wet, opdat ook de burgerlijke gerechtigheid worde onderhouden tot een ordelijke saamleving, welke een voorwaarde is voor de rustige arbeid van allen, maar ook voor een gezegend kerkelijk leven. Indien deze gehoorzaamheid wordt gevonden in een volk zal het duidelijk worden, dat de vruchten van het genadeverbond ook over de muur der kerk heen aan het volksleven ten goede komen. De rijkste vrucht der genade valt in de gemeente des Heeren en is het voorrecht der kinderen Gods, t.w, de aanneming tot kinderen, maar de zegeningen des Verbonds delen zich in dit leven ook mede aan de wereld. De vruchten van het genadeverbond Gods reiken veel verder dan wij gewoonlijk bedenken, ja dit ganse aardse leven met alles wat de Heere ons schenkt is een vrucht van het genadeverbond. Wat toch zou ons lot geweest zijn, indien de Heere geen genade had besteld en met ons gedaan had naar verdiensten ? Heel dit aardse leven genade ! Het brood, dat wij eten, genade ! Alles krachtens de verdiensten van Christus. Welk een licht werpt dat over de wereld in al haar zoeken en streven, in al de bewogenheid van haar verzondigd leven. De zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen.

Doch hoe zullen wij daarvoor oog hebben ? Hoe zullen wij God leren danken voor deze menigerlei genade, anders dan door ontdekt te worden aan de Wet Gods en onze vloek ? Wanneer wij bedenken, dat de vrucht der genade zo ver reikt, en dat deze menigerlei genadegaven ons toevloeien krachtens het welbehagen Gods om zich een volk uit ons gevallen geslacht te verkiezen in de Zoon Zijner liefde, kan het verstaan worden, dat wij niet alleen geen grenzen vermogen te stellen aan de vruchten des Verbonds, maar ook dat alle die gaven, die wij aan de gemene gratie plegen toe te schrijven uit dat genadeverbond ons toevloeien. In zoverre is die spreekwijze dan ook minder voortreffelijk. Zij kan alleen zin hebben, als wij de nadruk leggen op dat algemene en op de gaven, die tot de mensheid in haar geheel uitgaan. De Heilige Schrift maakt geen onderscheid tussen algemene en bijzondere genade. Over de gaven des Verbonds kunnen wij niettemin in onderscheiding spreken, omdat de Schrift dat ook doet. Er is verscheidenheid van gaven in de gemeente, maar er is bok verscheidenheid van gaven in de wereld.

Ook het geloof is een gave Gods en zo heten wij de genade bijzonder, welke deel geeft aan de Christus, t.w. het kindschap Gods. Met deze bijzondere gave wordt het genadeverbond dikwijls gelijk gesteld, alsof het niet anders omvatte. Zonder twijfel is het kindschap Gods de hoogste vrucht van het genadeverbond. Terwille van de toevergadering van de kinderen Gods uit de geslachten der mensheid, reiken echter de gaven des Verbonds veel verder. Daaronder mogen wij ook, en in de eerste plaats, de openbaring der kerk op aarde rekenen, en de beschikking Gods om mensen in de dienst der toebrenging te stellen. (Vgl. 1 Cor. 2:9). Ook hier opent zich een wijd terrein van gaven en wie zal tegenspreken, dat ook de gaven, welke God in de wereld geeft, niet mede dienstbaar worden gesteld aan de zaak des Heeren. In zeker opzicht zou men zelfs de stelling kunnen verdedigen, dat de wereld in stand gehouden wordt terwille van de toevergadering der gemeente Gods.

Waarom wij dit alles op deze wijze naar voren brengen ? Omdat wij het genadeverbond zo gaarne afgrenzen en daardoor in moeite en kerkelijke onenigheid komen. Sommigen willen de gehele wereld in het genadeverbond betrekken (algemene verzoening-), anderen zetten de zichtbare kerk in het Verbond, weer anderen spreken van uitwendig en inwendig Verbond, en nog weer anderen begrenzen het genadeverbond tot de uitverkorenen.
Onder een of ander aspect zijn deze meningen ieder op zich zelf verklaarbaar. Immers het genadeverbond gaat ten dele de gehele mensheid aan, in zoverre dit aardse leven en zovele gaven haar uit het genadeverbond worden geschonken. Dat wil echter niet zeggen, dat de ganse mensheid tot het kindschap Gods in Christus is geordineerd. Wat het inwendig en uitwendig Verbond aangaat, deze onderscheiding vindt aanleiding in de onderscheiding van kerk en wereld. Zoals Israël door Gods Verbond werd afgescheiden van de heidenen, zo maakt de kerk scheiding tussen de belijders van de Christus Gods en de wereld. Gelijk gans Israël als het volk Gods wordt genoemd, hoewel niet alles Israël is, wat Israël genoemd wordt, zo wil men de kerk in haar zichtbare openbaring onderscheiden van de ware kerk door de genoemde spreekwijze van uitwendig en inwendig Verbond. Wie daarentegen de termen zichtbare en onzichtbare kerk wil betrokken hebben op de ware kerk alleen, en dit ten slotte ook ten aanzien van de openbaring der kerk op aarde wil volhouden, staat voor het probleem van de zuivere kerk, d.w.z. een kerk van ware Christenen alleen. De grenzen tussen kerk en secte dreigen hier verloren te gaan. Het begrip Verbond en kerk gaan hier dooreen en vragen nadere uiteenzetting.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

OUD EN NIEUW VERBOND

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's