Het Christelijk Nationaal Vakverbond
De regelingscommissie van de G.Z.B, stelt ieder jaar de dag van de landelijke samenkomst te Driebergen vast, na eerst geïnformeerd te hebben naar de vacantieweek der bouwvakarbeiders.
Onder hen zijn ongetwijfeld ook vele lezers van De Waarheidsvriend, die ook in dit blad wel eens gaarne een woord willen lezen over hun Vakverbond, het C.N.V. Dit bracht mij op de gedachte (en het is mij ook door enkelen gevraagd), over dit onderwerp iets te schrijven. Als Calvinisten kennen wij maar één uitgangspunt bij al onze vragen en antwoorden, n.l. de Heilige Schrift als het Woord van God. Als Christenen willen wij daarom op alle levensterreinen trachten te leven naar dit Woord Gods. Daar vinden wij immers de gedragslijn, voor ons persoonlijk geestelijk leven, maar even zeer voor het sociale en maatschappelijke leven. Wij kunnen God immers niet slechts dienen op een of andere bepaalde dag of plaats in ons leven, maar de Heere vraagt ons ganse hart, dat is dus heel ons leven in Zijn dienst te stellen. En nu mogen de tijden veranderen en daarmede de maatschappelijke en economische stelsels, doch ook onder deze gewijzigde toestanden hebben wij te vragen naar de wil des Heeren.
Reeds in de wetten van Mozes onder het Oude Verbond vinden wij een streven naar sociale rechtvaardigheid om al te scherpe tegenstellingen in de samenleving te voorkomen. De mens zonder bezit is immers een economisch zwakke, wie echter de mogelijkheid gegeven moet worden om zijn arbeid, die een goddelijke opdracht is, te verrichten.
Daarom kende reeds Mozes allerlei bepalingen betreffende rusttijd, een vrije dag, enz., alsook de regeling van loon en rente.
Wij kennen immers de verschillende bepalingen betreffende het om de zoveel jaren braak liggen van het land, het jubeljaar, waarin de eigendommen weer terug moesten keren naar de oorspronkelijke eigenaar, enz.
Ook bestond er reeds een soort van armenzorg in deze vorm, dat men bij het oogsten aan de armen gelegenheid behoorde te geven om aren te lezen op het land. Dit verschijnsel hebben wij inmiddels in de oorlogsjaren ook meermalen kunnen waarnemen, toen vele stedelingen de akkers nazochten en dikwijls nog aardig wat graan verzamelden.
Thans leven wij echter in een gans andere wereld. Schier alles is in de huidige samenleving gebaseerd op de industrie. Daardoor liggen de verhoudingen tussen werkgever en -nemer heel anders en toch is er ook weer genoeg overeenkomst om onze houding te bepalen. De naastenliefde, door God Zelf ons geboden als het tweede gebod, even belangrijk als het eerste, eist ook in de huidige maatschappelijke orde „sociale gerechtigheid", waarover de profeten onder het Oude Verbond menigmaal gesproken hebben, toen zij in de naam des Heeren de sociale wantoestanden van hun tijd scherp geselden. Gods Woord leert ons duidelijk, dat de mensheid uit énen bloede is voortgesproten. Dit houdt dus in een door God gewilde verbondenheid. Wij zijn geen losse individuen, zonder meer.
Dit is juist het wonder van ons mens-zijn, dat wij enerzijds naar Gods beeld geschapen, geheel op onszelf staan en daarom ook persoonlijk jegens God verantwoordelijk zijn, terwijl de Heere ons anderzijds zeer direct in de gemeenschap heeft gesteld, daar wij immers reeds uit de meest intieme gemeenschap van twee mensen geboren zijn.
Daarom zullen deze beide kanten van ons mens-zijn altijd weer duidelijk ons voor ogen moeten staan, enerzijds in onze verhouding tegenover God en anderzijds in onze verhouding tegenover de medemens, naast wie God ons heeft gesteld. Gods Woord leert ons, dat wij als mensen elkander gelijkwaardig zijn in onze verhouding tegenover de Heere. Daarom moet zowel de persoon als de gemeenschap geëerbiedigd worden. Het duidelijk gebod van liefde tot God' en tot de naaste moet elke vorm van egoïsme in ons verdringen. De Heere Jezus Christus heeft ons zelfs deze gulden regel gegeven : „Wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun ook alzo !" Dat is inmiddels heel wat sterker dan wat wij er van gemaakt hebben : „Wat gij niet wilt, dat u geschiedt, zo doe dat ook een ander niet!" Dat is slechts negatief.
In deze regel van Christus ligt een duidelijke oproep tot sociale rechtvaardigheid, zowel voor de werkgever als voor de werknemer. Daarom wil het Evangelie geen klassenstrijd, zoals deze gepredikt wordt door Karl Marx en nog door het huidige Communisme gepropageerd wordt.
Deze klasenstrijd bevordert alleen maar haat en nijd jegens elkander en brengt dus steeds meer verwijdering.
Intussen leven wij niet in een ideale wereld, waar het woord van Christus wet zou zijn. Integendeel, onze wereld en dus ook onze menselijke samenleving ligt onder de vloek der zonde. Wij zijn meer geneigd tot haat dan tot liefdebetoon. Daarom moet in deze wereld gestreden worden voor sociale rechtvaardigheid op alle terreinen des levens. Dit nu eist organisatie. Alles is immers in deze wereld georganiseerd ! Ideaal is het niet, maar het moet. Ook hier geldt: de nood is ons opgelegd. Waar naar Gods Woord niet wordt geluisterd, is wel terdege organisatie. Daarom kan het slechts een verblind en onwerkelijk idealisme zijn, dat de organistatie op Christelijk terrein bestrijdt. Men wil midden in de wereld staan, zegt men ! En met deze leus wordt men inmiddels lid van een z.g.n. neutrale organisatie. Het einde is duidelijk. Ook in een gemengd huwelijk is schier altijd het resultaat, dat de stem van het Evangelie aanvankelijk roepende is in de woestijn en na verloop van tijd zwijgt. Dat zien wij ook onder hen, die in de ,,georganiseerde" wereld zijn gaan staan, maar hun stem schijnt alle kracht verloren te hebben. Dit neemt niet weg, dat wij als Christenen natuurlijk ook een roeping hebben tegenover een wereld, die van het Evangelie vervreemd is. Inderdaad is elke verafgoding van een organisatie in strijd met het eerste gebod Gods, en daarom vooral voor Christenen zeer verwerpelijk. Maar anderzijds heeft Christus ons ook geleerd oprecht te zijn als de duiven en listig als de slang ! Wij moeten dus ons verstand gebruiken en doen, wat onze hand vindt om te doen.
In dit verband kan ik het dan ook slechts betreuren, dat onze Synode ten aanzien van het C.N.V. zulk een slap geluid heeft laten horen. Waarom niet dankbaar en vol schuldbesef erkend, dat hier door particulieren een strijd gevoerd is voor Christelijke gerechtigheid, welke door de Kerk gevoerd had moeten worden, wat het principiële althans betreft. Menig arbeider stond na de oorlog voor de moeilijke vraag, waarvan lid te worden, van het N.V.V. of van het C.N.V. Omdat het N.V.V. groter was, had men daarvan meer verwachting. Hier lag voor hen een „vleselijke" verzoeking. Had de Kerk nu ook maar gezwegen of een duidelijk principieel geluid laten horen, waar onze Hervormde arbeiders houvast aan hadden ! Maar een dubbelzinnig geluid werd vernomen ten aanzien van het N.V.V. Daarom prijs ik hier die vele arbeiders, die ondanks de slappe leiding der Kerk op dit gebied, zélf hun keuze hebben gedaan en . . . . . principieel. Want het C.N.V. telt nu zelfs meer leden dan vóór de oorlog. Dat is een verblijdend verschijnsel, terwijl door de denkbeelden van het socialisme zovelen zijn beïnvloed.
Op grond van ons geloof in God erkennen wij de regering als dienaresse Gods, die het zwaard niet tevergeefs draagt, n.l. om het goede te bevorderen en het kwade (in welke vorm dan ook !) te bestraffen. Maar evenzeer erkennen wij de zonde als een blijvend element in dit leven. Daarom ook zijn wij bang voor machtsconcentratie in handen van een enkeling, waaruit dictatuur voortvloeit. Doch een wettige regering behoort het recht te handhaven en wantoestanden te bestraffen.
Deze zelfde lijn volgen wij echter ook bij de mindere goden, degenen dus, die in de maatschappelijke orde over ons gesteld zijn. Als Christenen kennen wij onze plaats tegenover onze meerderen. In deze zin n.l., dat wij geloven, dat God aan ieder zijn taak geeft. Geen kruiperigheid dus en ook geen slavenhouding, maar een erkennen van orde, die er nu eenmaal in elke samenleving zijn moet. Doch ook hier weten wij van zonde, egoïsme en eigenbelang. Daarom zullen er ook hier wantoestanden zijn in allerlei verhoudingen. Door deze overwegingen geleid, is het C.N.V. opgericht, dat aanvankelijk langzaam groeide. In 1916 sprak het C.N.V. duidelijk als grondslag uit, dat het de Heilige Schrift aanvaardde als Gods Woord en mitsdien als norm voor het leven. Met name verwierp men de klassenstrijd, omdat deze de arbeider volkomen losmaakt van zijn arbeid als goddelijke opdracht. Volgens de leer der klassenstrijd is zijn werk immers niet anders dan geld verzamelen voor „de baas".
Het C.N.V. kentgeen voorkeur voor een socialistische of kapitalistische maatschappelijke orde, omdat geen van beiden volkomen in overeenstemming geacht worden met de goddelijke eis van gerechtigheid.
Het C.N.V. zal zich ook niet uitspreken voor een bepaalde maatschappij-vorm, omdat men uitgaat van de zekerheid, dat in deze zondige wereld altijd gestreden zal moeten worden voor de eis Gods.
Ook de profeten van het Oude Verbond hebben geen bepaalde vorm aangegeven. Jesaja riep het wee uit over hen, die ongerechtige wetten maakten. Amos striemde met zijn woorden de rijken, die schatten verzamelden op onrechtvaardige wijze. En ook Jacobus klaagt die rijken aan, die het loon der arbeiders hebben verkort om het in eigen lusten door te brengen. Neen, het zit niet in een maatschappelijke vorm, maar in ons menselijk hart. Vandaar zijn de uitgangen des levens. Ieder mens zoekt gemeenlijk slechts zijn eigen belang of het belang van eigen groep.
Intussen heeft het C.N.V. een organisatie in het leven geroepen, die strijden wil voor sociale rechtvaardigheid door overleg en arbeidscontract tussen belanghebbende partijen, waardoor reeds menig geschil werd opgelost en schone resultaten zijn verkregen.
Een groot deel van onze arbeiderswereld binnen ons vaderland is behoed voor de jammerlijke leer van de klassenstrijd, waardoor slechts revolutie in de hand gewerkt wordt, die straks weer niet anders dan ellende brengt, zoals dit onder de rode dictatuur van Moskou maar al te duidelijk kenbaar is geworden. In de weg van overleg bleek veel te bereiken. Zo immers kan ook de werknemer gezien worden als schepsel Gods, die een taak heeft te vervullen in deze wereld en daarom ook recht heeft op een menswaardig bestaan, voorzover wij als zondaren althans van recht kunnen spreken. Op voet van gelijkwaardigheid kunnen nu rechten en plichten van werkgever en werknemer worden vastgesteld. Alleen zo kan de vreugde in en over onze arbeid blijven. Het C. N. V. tracht dit alles steeds weer te bewerkstelligen door „collectieve arbeidsovereenkomst".
Het C.N.V. heeft ook thans nog een taak te vervullen. Als leden van het C.N.V. moeten wij inmiddels trachten de naam van het Vakverbond hoog te houden door :
1. elkander te dienen;
2. een sterk saamhorigheidsgevoel;
3. volharden ;
4. bovenal door ons geloof in Jezus Christus en de uiteindelijke komst van Zijn Koninkrijk, waarin al ons menselijke en zwakke pogen een einde zal nemen door Hem, die beloofd heeft: „Ik maak alle dingen nieuw".
Daarom is het ook onze plicht als Christenarbeiders onze kracht te geven aan het C.N.V. en vooral in deze geweldige tijd, waarin de toekomst in vele opzichten donker en dreigend is. Dit weten wij en zien we gebeuren, dat organisaties, die niet hun kracht putten uit het Woord Gods, ten prooi vallen aan de revolutie, die zeker geen heil brengt.
God roept ons tot gehoorzaamheid, ook in het sociale en maatschappelijke leven. Daarom : „Tegen de revolutie het Evangelie !"
(Vlaardingen)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's