Samuël, een zoon der Wet
FEUILLETON
EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA
119)
De manier, waarop die vrouw hem had aangekeken, kwam hem pas later te binnen. Een blik was dat geweest net als die, waarmee die eerste morgen te Jeruzalem die logementhouder hem de weg naar de Tempelberg had beschreven !
Was daar niet iets in van medelijden en droefheid ?
Hete angst omklemde zijn hart en deed hem zijn voeten nu nog te meer reppen. Het was hem te moede, als liep hij naar een dierbare, die hem toebehoorde, die hij vreesde niet meer in leven te zullen aantreffen. Hij liep om de zekerheid te verkrijgen, die hem waarschijnlijk even vreselijk was als zijn angst.
Bij de volle aanblik van het aangeduide gebouw bleef hem de adem steken en stond zijn hart even stil: Ook hier had de Islam weer zo'n wassen pop opgesteld ! Een moskee welfde zich over de plaats, waar Abraham en Sara, Izaak en Rebekka, Jacob en Lea, nu al drie en 'n half maal duizend jaren sliepen.
Hij wou de trap op, hopend door de wachters te worden binnen gelaten, als hij alles, wat hij aan munten bij zich droeg, bijeenzocht, en dat als fooi gaf. Maar hij werd middenop reeds tegengehouden en met scherpe beslistheid terug gewezen : zijn plaats was daar beneden aan de trap ; ook hier was een soort „klaagplaats" voor de Joden ! Dat was nu Israels lot! . . . . . . .
Als versuft wankelde hij naar beneden, en geen trots kwam hem nu te hulp als bij de tempelmuur, op welks toestand hij nog enigszins was voorbereid geweest. Geheel ontdaan gaf hij zich beneden, als duizend anderen reeds vóór hem, over aan zijn smart. Hij sloeg zich met de vuisten tegen de borst, hij wierp zich op de grond en strooide aarde op zijn hoofd.
Teleurstelling en toorn namen de overhand over hem, zodat hij, door vertwijfelingssnikken geschud, zich op de bodem wendde en keerde.
„O Abraham, onze vader! Gij Jehovah, Heere der heirscharen, wend toch ons lot, en laat Uw aangezicht over ons lichten, opdat wij gered mogen worden ! — Wij zijn wel te gering, maar gedenk de gebeden, die de aartsvader, en de koning en de profeten voor Uw troon hebben gebracht. — Zie, Heere, onze schande aan, onze vreselijke versmaadheid !"...
Met een onbewogen gelaat keken de wachters op hem neer. Toen hij dat merkte, gelukte het hem zich wat te herstellen. Zonder een blik terzij te werpen, liep hij naar zijn logies en nam zijn reiszak op. De waard begeleidde hem tot aan de huisdeur.
,,Hoe kunt gij iedere dag die aanblik verdragen ? " vroeg hij doodsbleek en verstoord.
„Wij wachten af", was het antwoord. Achter twee door een korte inzinking van heuvels verbonden bergen strekte zich Bethlehem uit. Akkers en tuinen breidden zich daar vóór uit; olijven, vijgebomen en wijnstokken bekleedden de terrassen. Weidende kudden en vlijtige veldarbeiders waren op de weg.
Hij ging de stad in en vroeg een man, die met een andere man Russisch sprak, naar een Joods logement. Maar dat was hier niet.
Hij ging verder om ergens een Joods gezin te vinden, dat hem wel zou willen opnemen, maar hij zocht tevergeefs, tot dat hij nog één keer vroeg en toen moest vernemen, dat er geen enkele Joodse bewoner in dit stadje was.
Meer nog dan om, zijn zorg voor een nachtleger, deed hem deze boodschap schrikken om der wille van een andere gedachte : Geen enkele Jodenfamilie in Bethlehem, en zou hier dan toch de Redder geboren worden ? !
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's