De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het Verslag

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het Verslag

8 minuten leestijd

van de vergadering der Generale Synode op Woudschoten te Austevlitz van 8 tot 14 Juli 1948

De zesde spreker ziet als het grote gevaar, dat men van iemand, die ziek is, verwacht, dat hij zichzelf kan genezen. Wij moeten niet heersen over het Woord, maar het Woord moet ons beheersen.

De zevende spreker zegt, dat ieder wel zijn eigen critiek op dit artikel heeft. Wij leven echter toch allen uit de belijdenis der vaderen en wij moeten verder. Waar dit heengaat, weet niemand. Wij mogen er de rem niet op zetten, maar wij moeten het wagen in geloof. Dus geen grote wijzigingen aanbrengen, ondanks onze persoonlijke kanttekeningen. De Bijbel is door de belijdenis en door ons belijden nog niet uitgeput. Tenslotte nog de vraag : zou het niet mogelijk zijn om over en weer in onze kerkelijke bladen te schrijven, opdat onze lezers schrikken en zich verblijden?

De achtste spreker, vol dankbaarheid en bewondering voor het ontwerp, heeft bezwaar tegen de langademige term, belijdenis van de openbaring van de drieënige God. Hij heeft daarom een ietwat zuiverder formulering : de Kerk doet belijdenis van haar geloof in de drieenige God, gelijk Hij zich ons in Zijn Woord geopenbaard heeft. De spreker komt nog speciaal op voor de term : „telkens opnieuw", het is niet absoluut nieuw wat wij belijden, maar de belijdenis wordt telkens weer verlevendigd.

De Voorzitter van de Centrale Commissie doet mededeling van de arbeid der Commissie. Na bestudering kwam men tot de conclusie, dat dit artikel wel overwogen is en in deze vorm aan de Kerk moet worden aangeboden. De een wil dit anders, de tweede weer dat, maar samen als Hervormde, belijdende, Gereformeerde, Katholieke Kerk, moeten en mogen wij optrekken. Geen belijdeniskerk in de zin van een gemeenschap van gelijkdenkenden, maar een Kerk, die in gemeenschap met de belijdenis der vaderen, voortleeft en voortbelijdt. Veel zal nog afhangen van de uitwerking in de ordinantiën en van de vraag, in hoeverre de Kerk gewillig zich onder de leiding van de Heilige Geest zal stellen. Moge daarvoor niet eerst het lijden nodig zijn.

De Voorzitter van de Commissie voor de Kerkorde geeft iets weer van de achtergrond en van de totstandkoming van dit artikel. In het lijden van de oorlogstijd werd de houding en de beslissing geboren, waaruit het mogelijk werd, dat Severijn en Boonstra met hun eigen bindingen en verantwoordelijkheid in de kerkelijke situatie het ontwerp ondertekenden. Het is alles in worsteling weloverwogen geformuleerd en daarom is het voor de Commissie moeilijk om kleine veranderingen, om knutselarij te aanvaarden. Elke precisering is nog geen versterking. Is gehoorzaamheid geen gezag ? Is de Bijbel en de Schrift en het Woord niet zó nauw verbonden, dat men ze alleen onderscheiden, maar niet scheiden kan ? Is er vaster en geestelijker binding dan in de gemeenschap, d.i. in de gemeenschap van het Avondmaal ? Overeenstemming, binding, ondertekening, het is alles minder sterk. Verder : God openbaart zich zoals Hij is. De openbaring raakt ons, maar God is, zoals Hij zich te kennen geeft. God is betrouwbaar en eerlijk. En dan: de drie symbolen zijn niet precies door alle Kerken aanvaard, maar wij zijn hier in de lijn van de Nederlandse geloofsbelijdenis. Spr. pleit bijzonder voor het belijden, dat toch enkel is een opnieuw belijden, het is één geheel in de Heilige Geest en daarom niet los van de belijdenis der vaderen. Wat zijn nu de fundamenten der Kerk (fundamenta ecclesias bij Calvijn) ? Het eenvoudige antwoord: Jezus Christus, moet door ons worden beleden en zo verder uitgelegd. Wanneer het gaat om deze fundamentele belijdenis, gaat het bij de verantwoordelijkheid der Kerk vooral om de regeertaak, die het ambt heeft te vervullen. Tenslotte doet spreker een beroep op allen, om de vrees uit te drijven en dankbaar te zijn, dat wij nu mogen en moeten beslissen.

Amendementen.

Na deze woorden komt de vraag op : Zullen wij maar niet ineens en zonder amendementen aanvaarden ? Enkele leden spreken zich voor en tegen uit. Het blijkt toch beter om, wat men aan de Classicale Vergaderingen aanbiedt, voor de volle verantwoording der Synode te nemen en niet eerst eens ter kennismaking toe, te zenden. Daarom minitieuze behandeling.

Aan de orde wordt achtereenvolgens gesteld de ingebrachte amendementen.

Meer dan één wordt ingetrokken. Andere worden verworpen. Bij de inhoud van de amendementen gaat het o.a. om de verhouding van de Schrift als boek en de inhoud en boodschap van die Schrift; verder over de Schrift, als bron „en maatstaf" der prediking en als „enige" regel des geloofs. Aangenomen wordt de lezing : de H. Schrift als de bron der prediking en enige regel des geloofs. Verworpen wordt daarentegen het voorstel: in overeenstemming met de belijdenis. Wat er nu staat, is rijker en voller en minder intellectuahstisch : in gemeenschap met. Wanneer men over het belijden spreekt, zijn de Schrift en de belijdenis der Vaderen en het actuele getuigenis, alle drie, aan de orde. De weg van het belijden gaat ook vice versa, heen en terug van de Schrift via de belijdenis naar ons belijden. Dus de belijdenis der Kerk is identiek met de belijdenis der Vaderen. De Kerk is het geheel en de samenhang der geslachten. De vergadering blijkt de oorspronkelijke formulering met algemene stemmen te willen handhaven, gehoord de discussie en zich verenigend met de gegeven uitleg.

Aanvaard wordt de toevoeging : zich strekkende naar de toekomst van Jezus Christus, en dat achter het woord „Leden" in de eerste alinea.

Over het slot van de eerste alinea ontstaat nog een uitvoerige en belangrijke discussie. Naar voren gebracht wordt de binding aan het Griekse denken in het spreken ovef de triniteit, in het bijzonder de wezenstriniteit. Er moet mogelijkheid zijn voor een gevarieerd denken over deze zaak.

Een volgende spreker meent, dat men belijdenis doen moet niet van de openbaring van de drieënige God, maar rechtstreeks van de drieënige God. Wij doen belijdenis van geloof en wij belijden de drieënige God. De moeilijkheid, dat men in de Kerkorde geen belijdenis heeft en toch een duidelijke heenwijzing naar de belijdenis en de inhoud van de belijdenis, wordt in de discussie wel sterk gevoeld. Men moet hier toch iets van de inhoud zeggen, anders is het zeer onbevredigend.

Voorgesteld wordt nu het slot van deze alinea aldus te lezen : „De Kerk doet belijdenis van de drieënige God, gelijk Hij zich in Zijn Woord geopenbaard heeft".

Allerlei formuleringen worden nog aan de hand gedaan. Tenslotte wordt het: „de Kerk doet belijdenis van zelfopenbaring van de drieenige God".

Een voorstel om de catechismus van Geneve, die ook in ordinantie 9, artikel 5, voorkomt, op te nemen in de opsomming van de door de Reformatie aan de Kerk geschonken belijdenisgeschriften, wordt aanvaard. Men zal dan lezen de Heidelbergse catechismus en die van Geneve.

De derde alinea komt aan de orde. Een der leden stelt voor, om door een ietwat uitgebreide formulering te zeggen, dat de Kerk niet alleen opnieuw, maar ook nieuw heeft te belijden. Een ander wil hier duidelijker uitkomen tegen Rome en het nihilisme en stelt met dat doe! een uitbreiding voor, waardoor Jezus Christus in Zijn enigheid en algenoegzaamheid wordt beleden. De Commissie voor de Kerkorde wijst bij monde van een harer leden er op, dat door het noemen van leerboeken en belijdenisgeschriften in de derde alinea toch wel heel open wordt gezegd, dat ook in de nieuwe geschriften van die aard een nieuw belijden zich kan openbaren ; maar dan wordt het ons geschonken, men kan in de Kerkorde daartoe niet commanderen.

Aangenomen wordt, dat men de woorden „telkens opnieuw" zal plaatsen achter de woorden : „belijdt de Kerk" en dus naar voren brengen, waardoor enigermate aan de bedoeling van de voorstellen wordt tegemoetgekomen.

Om de ambtsgedachte niet te overspannen en de plaats en functie der leden naar voren te brengen, wordt voorgesteld in de vijfde alinea de gemeenteleden eerst te noemen en ook het opzicht te vermelden over de leden, vóórdat het over de verkondiging gaat. Het laatste wordt aanvaard.

Terloops wordt gehandeld over het recht, de plicht en de mogelijkheid tot opzicht over de opleiding en vorming van de dienaren des Woords.

Ingebracht is een amendement van deze inhoud : „Bezwaren inzake het belijden der Kerk kunnen door lidmaten — onder beroep op Gods Woord en de belijdenis — worden voorgelegd aan het oordeel der Kerk, die zich daarover uitspreekt. Bezwaren tegen de belijdenis kunnen worden ingediend met beroep op Gods Woord". Bij de formulering van dit amendement is men er van uitgegaan, dat het actuele belijden min of meer los zou kunnen gedaan worden van de belijdenis. Volgens het opschrift is echter in het belijden zowel het actuele belijden als de belijdenis begrepen ; dit blijkt duidelijk uit de inhoud van het artikel. Het amendement wordt door de voorsteller ingetrokken.

Eindstemming artikel 10.

Bij de eindstemming over artikel 10 wordt door een der ouderlingen voorgesteld geen hoofdelijke stemming te houden. De behandeling is van een dergelijk karakter geweest, dat wij alleen maar dankbaar kunnen zijn over de ernst, de eerlijkheid en de saamhorigheid ; deze dankbaarheid zouden wij tot uiting kunnen brengen.in een andere wijze van eindconclusie. Er rijzen toch enige reglementaire bezwaren. Zo wordt dan op de gewone wijze het artikel in zijn geheel in stemming gebracht.

De handen van op een na alle Synodeleden gaan omhoog. Het artikel zal in deze nieuwe vorm aan de Kerk worden aangeboden. In tweede aanleg, gehoord de consideraties, zal ieder zijn stem dan definitief hebben uit te brengen. Maar de Synode aanvaardt het nu met deze formulering in eigen verantwoordelijkheid.

Enige eindredacties van voorgaande artikelen worden goedgekeurd.

In de avondvergadering wordt namens het ene lid, dat tegenstemde bij artikel 10, verklaard, dat hij wil geacht worden voorgestemd te hebben ; er was bij hem, naar achteraf bleek, enig misverstand ontstaan, toen het om de eindstemming ging.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Uit het Verslag

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's