Samuël, een zoon der Wet
EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA
121)
Met schitterende ogen, waarin vreugdevolle hoop gloeide, richtten zij zich op, maakten een buiging voor de grot, die eens de kribbe had geborgen, en knielden voor het altaar neer. Bijna iedere belijdenis van het Christelijk geloof had in dit gebouw haar eigen hoekje tot zijn dienst, en had dat versierd, zoals liefde en fantasie het ingaf. Kostbare opschik was hier aan alle kanten ! Samuel had iets dergelijks nooit voor mogelijk gehouden.
Maar hij begreep, dat sedert vele eeuwen armen en rijken, ontwikkelden en onontwikkelden daar gebracht hadden, wat zij maar voor schoons en goeds bezaten. Ook al waren het soms maar prullen, zo was het alles toch een symbool van de liefde van hun hart.
Een hemels vrouwengelaat keek uit een lijst van edel metaal op de vromen neer, — óók op hem. Het was een weemoedige en enigszins moederlijke blik, zacht tot zich trekkend, troostend, raadselachtig ook. Een heilige was dat, — vast en zeker een heilige, ofschoon Samuël van geen enkele heilige vrouw af wist.
Wie zij ook mocht wezen, het kon geen zonde zijn om voor haar neer te knielen. De hoogheid, liefde en reinheid der zaligen verenigden zich in deze trekken met een geheiligde aardse droefheid, en wekten tegelijk met de hoogste verering en dankbaarheid een gevoel van medelijden, van het willen-goed-maken, van willen dienen en troosten, een verlangen om haar ook te beschermen ! „Maria! Ave Maria! Maria, gij genaderijke, gij diepbedroefde!" zo hoorde hij naast zich dan deze en dan weer gene bidden en zuchten.
Op de gelaatstrekken der neergeknielden las hij, bij het licht van de kaarsen, de geestdrift van de liefde en van een ootmoedig erbarmen tegelijk.
Bij een vluchtige blik op een man van middelbare leeftijd in Syrische kleding kwam als met bliksemsnelheid bij hem boven de herinnering aan de „man met de kruik", zoals die indertijd, kruipend bij een werk op de grond, tot Rea met haar kind had opgekeken. En bij deze voorstelling kreeg ook het vrouwenbeeld daar vóór hem enige gelijkenis met zijn zuster. Daar kwamen nog trekken bij, die zelfs aan de blinde Suze hadden kunnen behoren, gelaatsuitdrukkingen, die bij iedere ware moeder behoorden, en die dus heel zeker ook het bezit waren geweest van haar, uit wier omarming men hem vroeger, terwijl zij hevig bloedde, had losgemaakt. Onbewust hadden zich zijn gedachten van jongsaf een beeld van haar gevormd, en alles, wat in verloop van zijn kinderjaren zich aan hem had doen kennen als goedheid en schoonheid, had hij als ook bij haar behorend gedacht. In stille nachtelijke uren had vaak haar gestalte met dat gelaat, dat hem was toegekeerd, gezweefd voor zijn dromen, zo vol verlangen.
Alles, wat hij van der jeugd af aan, van moederzorg en moederlijden, van adel en zoetheid ooit met het begrip „vrouw" had verbonden, verenigde zich nu voor hem in dit wonderheerlijk gelaat, dat de ogen op hem gevestigd scheen te houden. Het dwong ook hem op de knieën te vallen, — hij kon geen weerstand meer bieden. Hij moest doen, wat zij allen deden, hij weende, en hij wist niet, of hij bad, of dat het alleen een verlangen was naar zijn overleden moeder.
Toen enigen opstonden, kwam ook hij overeind, en nog als in een droom sloop hij naar buiten. ,,Naar de Moeder Gods" hoorde hij in het Duits mensen fluisteren, die hij op de trap tegen kwam.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's