MEDITATIE
Zoekende liefde
Zo wie Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik; wees dan ijverig en bekeer u l Openb. 3 : 19.
De Heiland is aan Johannes op Patmos verschenen en heeft hem opdracht gegeven om wat hij ziet aan de zeven gemeenten van Klein- Azië te schrijven. Hier ligt nu voor ons wat Johannes aangaande Laodicea heeft „gezien" en geboodschapt. Johannes is dus slechts de schakel tussen Christus en de gemeente van Laodicea.
Als boodschapper van Christus brengt hij aan de gemeente over al de woorden, die tot hem gesproken zijn. Het getuigenis van Christus over deze gemeente strekt niet tot haar eer. Hoort, wat Christus van haar te zeggen heeft: „Ik weet uwe werken, dat gij noch koud noch heet zijt". En verder : „Want gij zegt: Ik ben rijk en verrijkt geworden en heb geens dings gebrek; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, jammerlijk, arm en blind en naakt."
Ge ziet, dat Christus niet alleen tegen de buitenkant van deze gemeente aanziet maar integendeel precies weet, welke zonde in haar midden leeft.
Uiterlijk en door ons menselijk oog bezien kon Laodicea misschien een bloeiende gemeente genoemd worden. Want het mag een zegen heten als er (en dit is waarschijnlijk in Laodicea het geval geweest) rust heerst, zodat verdeeldheid en twist daar niet gevonden worden.
En toch is haar zonde groot in Christus' oog. Hij richt een zeer ernstige bedreiging tot haar : "Ik zal u uit Mijn mond spuwen". Al werd dit nu gezegd tot een gemeente die bijna 19 eeuwen geleden bestond en waar geen spoor meer van te vinden is, toch behoudt dit woord van Christus zijn waarde. Ja, moeten wij juist in haar ondergang niet de vervulling van Christus' woord zien ?
Het is dan een waarschuwing voor iedere Christelijke gemeente uit welke eeuw dan ook. Waar deze zonde gevonden zal worden, hetzij tenslotte in het geheel der Kerk, in een gemeente of in een lidmaat, daar volgt deze straf van Christus er op n.l. zij zullen buitengeworpen Worden. Een verschrikkelijke straf ; dan moet ook die zonde heel ernstig zijn.
Waarin bestaat dan die zonde van Laodicea? Deze ligt blijkbaar niet hierin, dat één lid of enige leden der gemeente afgeweken zijn van de rechte paden des geloofs. Neen, Christus spreekt de overste der gemeente en de gehele gemeente aan. Haar zonde rust op allen. Haar gerustheid en onbezorgdheid worden haar als schuld aangerekend. Daarom roept Christus door middel van Zijn scherpe bedreiging deze gemeente wakker uit de rust, die gelijkt op de slaap des doods !
Voor hoevele gemeenten van deze tijd zou het nuttig zijn, als ze ook eens zo'n brief van Christus ontvingen! Zou het niet goed zijn als ze eens daadwerkelijk gewaar werden, dat Christus van uit de Hemel haar werken gadeslaat en tot haar deze bedreigingen richt ?
Maar gebeurt dit dan niet ? Gevoelen wij dan niet meer, dat iedere Zondag de gemeente met Christus in contact gebracht wordt en dat zij zich dan schuldbewust heeft te buigen onder Zijn vermaningen ?
Wij houden het er werkelijk voor, dat menigmaal het Woord des Heeren niet met passende ernst wordt ontvangen. Dat Johannes de overbrenger van de brief aan Laodicea was en dat een ander mens die boodschap van Christus' wege brengt aan een gemeente van deze tijd, dat verschil heeft niet veel te betekenen. Wij moeten steeds onszelf voor ogen houden, dat wij langs de boodschapper, langs Gods werktuig heen moeten letten op Hem, die in ons geestelijk leven nog te veel op de achtergrond wordt gelaten, n.l. Christus, het Hoofd der Kerk, en dus ook voor iedere gemeente. Hij alleen weet al uw werken en oordeelt ze ! Wij hebben de zonde van Laodicea aangeduid als gerustheid en zorgeloosheid, daarmee blijft het echter voor ons nog verborgen, hoe ernstig dit was. De oorzaak hiervan was te vinden in het feit, dat de gemeente Christus was kwijt geraakt; ze gevoelde niet meer de band, die haar met Hem verbonden hield en daardoor was haar liefde en ijver voor de Heere bekoeld !
Bemerkt ge soms, dat dit ook de afdwaling van uw eigen gemeente en van uzelf is ? Als ge dat in uw hart moet toestemmen, leg er u dan niet rustig bij neer, want daarin schuilt juist uw zonde! Wij mogen deze verkoeling van de liefde tot Christus, als wij die in onszelf gevoelen niet gering schatten; Christus zelf immers veroordeelt de verkoeling der liefde scherp !
Doch daarbij laat Christus het niet! De gemeente die weg dreigt te zinken en verloren te gaan, roept en nodigt Hij om opnieuw tot Hem te komen.
Vol liefde spreekt Hij haar nog toe en geeft haar goede raad. Hij zegt duidelijk, hoe Hij met dezulken handelt: „Zo wie Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik; wees dan ijverig en bekeer u."
Sommigen vertalen het begin van deze tekst aldus : „Zovelen als Ik hefheb". Dit is wel nauwkeuriger maar het verandert niets aan de zin van deze woorden.
Als ge verder nauwkeurig oplet bij het lezen van deze tekst, dan zult ge wellicht vragen : "Waarom zou Christus twee woorden gebruiken, die ongeveer dezelfde betekenis hebben n.l. bestraffen en kastijden ?
Zou dat zijn om er de nadruk op te leggen dat Christus juist degene, die Hij lief heeft met Zijn straffen bezoekt ? Neen, zo is het niet. Christus slaat niet willekeurig Zijn geliefden met kastijding, terwijl Hij aan de zonden van anderen voorbij ziet. Juist Zijn geliefden gevoelen en moeten gevoelig zijn voor Zijn kastijdingen en bestraffingen. Deze laatste heeft Hij reeds aan de gemeente van Laodicea doen toekomen, want deze liggen in de terechtwijzing en de scherpe berisping, die in het begin van deze brief tot haar is gericht.
Bestraffen van de gemeente wil dus zeggen : haar wijzen op haar zonde zonder iets te verbergen en haar tot verootmoediging brengen, opdat zij, haar schuld belijdend, naar vergeving leert vragen. De gemeente bestraffen is : haar stellen onder de tucht van het Goddelijk Woord !
Nog geen kastijding had zij echter ondergaan. Met werkelijke slagen zal de gemeente eerst geslagen worden, als ze blijft voortgaan op de ingeslagen weg, die van Christus afvoert. Nu wij de afzonderlijke woorden goed hebben aangezien, moeten we nog een enkele opmerking hieraan toevoegen. Tot wie richt Christus zich ? Spreekt Hij deze woorden tot een kleine groep mensen, die zoals bijna in iedere gemeente het geval is, de kern er van uitmaken ?
Neen, onze tekst heeft een ruimer uitzicht. Christus heeft zich tot de gehele gemeente van Laodicea gewend, zonder te letten op meerdere of mindere waardigheid van haar verschillende leden.
Aan hen allen wordt gelijke onwaardigheid verweten ! En daarmede wordt deze tekst ruim. Christus richt zich niet tot wie Hém liefheeft (de kleine groep van getrouwe Christenen, zoals wij die zien) maar tot degene, die door Zijn Goddelijke beschikking tot de uiterlijke gemeente gerekend worden. Tot hen richt zich Zijn liefde.
Ge hebt er dan allen rekening mede te houden, dat ge uzelf niet kunt buitensluiten, dat ge niet moogt zeggen : ik behoor maar tot de uiterlijke gemeente. Een gemeente met een kern van getrouwen en een grote massa van tragen, van mensen, die noch heet noch koud zijn en in wie het zaad des Woords valt als gezaaid tussen distelen en doornen, voldoet niet aan Christus' eis. Hij wil dat de gehele gemeente brandende is van liefde tot Hem.
En dan valt het ons vervolgens op, dat het middel waarmee Christus Zijn geliefden tot zich trekken wil naar onze aardse denkbeelden wel een weinig vreemd is. Is het niet heel moeilijk om met bestraffing en kastijding liefde voor zich te wekken ?
We hebben gezien dat wij het zo niet moeten opvatten. De bestraffing van Christus is ernstige vermaning, die moet leiden tot zelfontdekking. Tot wie rijk is in zichzelf zegt Hij: „Gij weet niet, dat gij arm en ellendig zijt". Alleen onder de tucht van het Goddelijk Woord leert ge uw eigen ellendigheid kennen. Verzuim dan niet u geregeld onder de tucht van het Woord te stellen.
Daar immers wordt uw zonde u voor ogen gesteld en de eigengerechtigheid afgebroken, want de Geest Gods werkt aan de afbraak van het leven in de zonde en aan de opbouw van het Gode welgevallig leven. De tucht van Christus leert u vragen wat er te doen is om voor Zijn aangezicht niet als een jammerlijk en naakt mens te moeten verschijnen. Als dan deze verootmoediging in u is en ge met deze bede op de lippen in uw eenzaamheid tot Hem nadert:
Keer eindlijk. Heer, toch weder ; Mijn ziel buigt zich terneder; Ai, red haar van 't verderf: Sla mijn ellende gade. Tot roem van Uw genade En help mij, eer ik sterf.
dan komt Christus met Zijn goede raad ook tot u en zegt, wat gij doen moet: „Wees dan ijverig en bekeer u". Ge moet ijverig zijn. Zijn wij dan niet dood in zonden en misdaden ? Ja zeker, maar als ge onder de tucht van Christus Woord van uzelf weet dat ge een zondaar zijt voor God, dan wordt ge ook geroepen om niet in de zonde te blijven liggen maar om ijverig te zijn en te staan naar rechtvaardigmaking en heiligmaking.
Wees dan ijverig en bekeer u, wil dan zeggen : speur met ijver na, wat God in Zijn heilig Woord aan een arm zondaar belooft. Zoek Hem, die u al wat gij hebt misdreven, hoeveel het zij genadig wil vergeven.
(St. Philipsland (Zld.).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's