De kerk onder het Nieuwe Verbond
Er bestaat bij sommigen een eenzijdige voorkeur voor het Nieuw-Testamentisch karakter : zoiets van het oude is voorbij gegaan, ziet, het is alles nieuw geworden. Zij spreken van het Nieuw-Testamentisch lied en lopen zelfs gevaar de psalmen voorbij te gaan.
Zo hoort men ook met zekere voorliefde van de kerk spreken als van het nieuwe Israël.
Wat dit laatste aangaat, men kan dat zeer wel verdedigen. De kerk des Nieuwen Verbonds verschijnt onder het aspect van het nieuwe Israël, inzoverre met de oude mens ook het oude Israël in Christus is gestorven en in Hem een nieuwe mens, een nieuw Israël, is opgestaan. Hij is opgestaan als een eersteling onder vele broederen. (1 Cor. 15). In Hem is de kerk uit het graf der zonde verrezen en door de kracht van Zijn opstanding zullen zij allen geopenbaard worden in nieuwigheid des levens, die van Christus zijn.
Dit is alzo een geestelijk gezichtspunt. Het heeft betrekking op de heerschappij van een in Adam verloren en in Christus verkoren volk. Maar de zoeven genoemde spreekwijze heeft meer de historische verschijning der kerk op het oog, zoals deze eerst gestalte had verkregen in het oude Israël en na de verrijzenis des Heeren en de uitstorting van de Heilige Geest een nieuwe gestalte heeft aangenomen. In de kerk des Nieuwen Verbonds zou dus het nieuwe Israël openbaar worden. Wij vallen niet over een woord, maar dit kan toch ook worden misverstaan.
Zeker, er zijn veranderingen opgetreden in het Nieuwe Verbond en het is met name de apostel Paulus, die ons daaromtrent door de Heilige Geest onderricht. Wij denken inzonderheid aan de brief aan Efeze, het 2e en 3e hoofdstuk.
Hij richt zich tot de Christenen uit de heidenen en zegt: gedenkt, dat gij eertijds heidenen waart in het vlees, en die voorhuid genaamd werdt van degenen, die genaamd zijn besnijdenis in het vlees, die met handen geschiedt (vs. 11).
Hier wijst de apostel allereerst op het openbare onderscheid tussen Jood en heiden. Wij zeggen het openbare onderscheid. Zie n.l. hoe Paulus telkens herhaalt „in het vlees". Hij legt er de nadruk op, dat de Joden zich op de besnijdenis beriepen en de heidenen als „voorhuid" verachtten. De Joden heten zich voorstaan op de besnijdenis, die met handen geschiedt.
De apostel echter blijft daarbij niet staan. Hij ziet dieper, gedenkt, „dat gij in die tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende en zonder God in de wereld (vs. 12)
De Jood beroept zich wel op de besnijdenis, die met handen geschiedt, op dat uitwendige teken, maar, gij, heiden!, sta er eens bij stil, dat gij in die tijd zonder Christus en zonder God in de wereld waart. De besnijdenis, die met handen geschiedt, doet niets, maar zij is een teken van grote dingen, die gij, heiden !, miste. Gij waart buiten Israël ook buiten de verbonden der belofte, zonder hope aan u zelf overgelaten. Het burgerschap van Israël heeft wel een heel bijzondere zin. Gij verlangdet als heiden dat burgerschap niet, want gij verhieft u op uw heidens burgerschap en de Jood was bij u niet geacht. Het burgerschap van Israël is echter een symbool van het hemels burgerschap en als gij schuilt onder Israëls vleugelen, schuilt gij onder de beloften van Israëls God.
Niet het Israëlietische bloed heiligt, alsof dat bloed enig voordeel boven de heiden had, maar het bloed van Christus Jezus. Hij heeft die muur verbroken, welke daar was tussen Jood en heiden. Hij heeft in zich zelven de Jood en de heiden tot een nieuwe mens geschapen en Hij heeft door het evangelie vrede verkondigd aan die twee. (vs. 15 v.v.).
Zo zijt gij, heidenen, dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen, en huisgenoten Gods, gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen, (vs, 19 v.v.).
Als men dus van een nieuw Israël wil spreken, kan dat, ziende op de nieuwe mens in Christus, aan welke nieuwe mens Jood en heiden in Hem naar Gods verkiezing deel hebben. In de kerk op aarde, zijnde openbaring van het lichaam van Christus, wordt iets van die nieuwe mens openbaar.
Er dient echter gewaarschuwd tegen het euvel der Joden, die zich op de openbare besnijdenis lieten voorstaan, alsof daarin de rechtvaardigheid ware gelegen. Wanneer men tot de kerk behoort, beroeme men zich niet, alsof die openbare band met de kerk ons het burgerschap van het nieuwe Israël verzekert. Dat ware een gevaarlijk misverstand. Want niet door tot de kerk te behoren, maar door één Geest hebben Jood en heiden toegang tot de Vader. Niet de kerk, maar de Geest is het die levend maakt.
Wat de kerk heeft, heeft zij alleen in Christus en zij heeft daaraan deel door het geloof. Dat nu is een persoonlijke zaak.
Daarom spreekt de apostel van medeburgers der heiligen. (Efeze 2 vs. 19). Wij verstaan onder de heiligen de van de heidenen afgezonderden, de Joden dus. Zij zijn de burgers, terwijl de anderen medeburgers worden genoemd. Zo ligt het in de historische openbaring der kerk.
Doch als de apostel dan verder spreekt van „huisgenoten" Gods en van een woonstede Gods in de Geest, dan blijven wij bij de historische openbaring niet staan, maar worden bepaald bij de geestelijke werkelijkheid, die voor het natuurlijk oog verborgen is. Dan gaat het om de Joden, die het in het verborgen zijn, om de kinderen Gods in Christus.
In deze verborgenheid heeft de apostel een blik gehad, zoals hij in het volgende hoofdstuk (Efeze 3) mededeelt, zie vs. 4, n.l. dat de heidenen mede-erfgenamen zijn, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten Zijner belofte in Christus, door het Evangelie. Het Evangelie des Kruises alzo maakt de heidenen tot mede-erfgenamen en mede-deelgenoten. Straks werd gesproken van medeburgers. Letten wij op dat mede-.
De apostel Paulus drukt daarmede uit, dat de Joden de erfgenamen, deelgenoten en burgers zijn. Doch God de Heere heeft ook de heidenen aangenomen en wel tot hetzelfde lichaam. In Christus is geen Jood en Griek. In Christus zijri zij tot een nieuwe mens herschapen, en daarom zijn de heidenen mede-erfgenamen en mede-deelgenoten der belofte door het Evangelie.
Daaruit volgt, dat op aarde Joden en Grieken blijven, en dat zij alleen in de gemeenschap des geloofs ontdekt worden aan deze verborgenheid, dat er in Christus geen Jood en geen Griek is. Verenigd in de uitnemende kennis van Christus Jezus en geleid door de Geest des Heeren, leren zij verstaan, dat zij in het geloof deel hebben aan de erfenis der heiligen, welke als een eeuwige schat bewaard wordt in de hemelen.
Het nieuwe Israël is een Israël in hope, een hope, die niet beschaamt, wijl zij wordt bevestigd door de Geest der aanneming tot kinderen. Daarop ziet ook de apostel Johannes, als hij zegt: Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar, wij weten, dat. als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen, want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. En een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is. (1 Joh. 3 : 2 en 3)
Tussen het oude en het nieuwe Israël staat de vleeswording des Woords, het lijden en sterven en de opstanding van de Heere Jezus Christus.
De oude kerk leefde uit de belofte Gods aangaande de verlossing, welke de Heere in de Beloofde had toegezegd. Ook zij leefde op hope.
De kerk onder het nieuwe Verbond leeft uit de kennis van de verborgenheid van Gods wil, welke Hij in de Christus heeft geopenbaard. Voor de kerk onder het Oude Verbond was de schat der hemelse genade weggelegd in de Messias, die komen zou, voor de kerk in het Nieuwe Verbond in de verhoogde Messias aan de rechterhand Gods, die komen zal om te oordelen de levenden en de doden, en in Wiens hand alle dingen zijn.
Zo blijft het zowel voor de kinderen des Ouden als des Nieuwen Verbonds : „Wij zijn in hope zalig geworden". Die hope is echter geen dode verwachting, maar een levende hope. Zij houdt de ziel bezig, zij heeft een voorsmaak van de heerlijkheid, die zijn zal, zij verheugt zich in het licht en wordt geoefend in de gemeenschap des geloofs door de verborgen omgang des Heiligen Geestes.
Het geloof is geen toekomstverwachting zonder meer, maar een levende betrekking tot de dingen, die boven zijn. De vernieuwing des levens neemt een aanvang in dit leven en het draagt daarvan de tekenen in de vruchten des geloofs. Maar die moeten er dan ook gevonden worden in ons leven, zullen wij delen in de hope van het nieuwe Israël, opdat wij niet drijven op een aangenomen stelling en ons sterken in een ijdele hoop. Al te gemakkelijk worden Schriftuurlijk klinkende leuzen aangegrepen zonder iets te verstaan van de verborgenheden des geloofs, waarin alleen de Heilige Geest ons leiden kan.
Daarom niet dat is het nieuwe Israël, hetwelk het openbaar is (zeg de kerk), maar dat is het nieuwe Israël, hetwelk het in het verborgen is.
Nochtans, waar de kenmerken der ware kerk gevonden worden, wordt er ook iets van het nieuwe Israël openbaar.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's