MEDITATIE
GELIJK DE ARENDEN
Zij zullen opvaren met vleugelen gelijk de arenden. Jesaja 40 vers 31 m.
Meermalen wordt in Gods Woord het beeld van de arend gebruikt om het leven der kinderen Gods te tekenen. Psalm 103 spreekt er van, dat de Heere hun jeugd vernieuwt als eens arends. Bij monde van Jesaja wordt in het laatste gedeelte van Jesaja 40 gezegd, dat Gods kinderen zullen opvaren gelijk de arenden. Het ligt in de natuur van de arend om in de hoogte te zweven. Hij heeft zijn nest op de hoge bergen. Daar gevoelt hij zich in zijn element. Op de stilte ongenaakbare rots heeft hij zijn jongen en rust hij uit van zijn vermoeienissen op de lange zwerftochten. Ja, menigmaal ziet men, de arend zich nog hoog verheffen boven de hoogste bergen. Vooral wordt dit aanschouwd, als hij weer na verwisseling der slagpennen met nieuwe vederdos prijkt. Dan stijgt hij op naar de hemelbogen tot hij in het oog van de mens slechts is als een stip.
Deze trek om omhoog te stijgen en in de hoogte te willen zweven, heeft het kind Gods gemeen met de arend. Naar zijn herboren natuur zou een kind des Heeren niets liever doen dan verkeren in de geestelijke hoogten in de gemeenschap met zijn Heere ; want de schat van zijn hart is boven. De vreugd, de ware vreugd voor zijn leven is immers niet in de schatten dezer wereld, maar daar, waar hij de verborgen gemeenschap met zijn God en Zaligmaker geniet. Daar boven is zijn toekomstig vaderland en zijn eeuwige woning met de zalige lust en vrede des hemels. Hier is het menigmaal een moeizame strijd, maar in de hemel wordt zijn onverderfelijke erfenis bewaard. Hun burgerschap is in de hemelen. Hier voelen ze zich vreemdelingen en pelgrims op weg naar een beter vaderland. En op de reis naar dit vaderland verblijden ze zich vaak in het blij vooruitzicht, dat hen streelt. Dan varen ze op en zweven in de hoogte gelijk de arenden. Nu is het door de kracht van zijn machtige vleugelen, dat de arend zich verheft in de hoogte. Door welke kracht is het nu, dat de christen opstijgt en zweeft in zijn geestelijke hoogten? Wat is de kracht, die hem naar zijn God heen trekt ? Hoor, wat Christus over deze dingen zegt: Zo, wanneer Ik van de aarde verhoogd zal zijn, zal Ik ze allen tot Mij trekken. Dat is het geheim van de opvarende kracht van de christen. Dat is de onwederstandelijke kracht, waardoor ze zoeken de dingen, die van boven zijn en niet die van beneden zijn.
Maar nu spreekt de profeet Jesaja niet van een opgetrokken worden, doch van een opvaren door de vleugelen te reppen. Het is een waarheid, dat God aan de arend zijn machtige vlerken heeft gegeven, en de kracht om deze te bewegen, maar de arend moet deze vleugelen ontplooien en al roeiend daardoor opvaren in de hoogte. Zo geldt het ook van de christen, dat het God is, die alles in allen werkt, maar de christen moet ook werkzaam zijn met het geloof dat hem uit genade gegeven is en met de liefde, die in zijn hart is uitgestort. Het is aan Gods kinderen uit genade gegeven in Christus te mogen geloven. Als dat geloof nu levendig mag zijn. dan weet de zondaar zich het eigendom van Jezus Christus en een kind Gods. Dan is hij verzekerd, dat hij in beginsel uit alle geweld en heerschappij des duivels verlost is en deel zal hebben aan het eeuwige zalige leven. Door dat geloof weet hij, dat zijn burgerschap in de hemelen is en zal hij zijn hart menigmaal opheffen in de hemel, waar Christus is. Het geloof geeft ons wandelingen in de hemel. En eens zullen Gods kinderen door hun geloof ingaan in de rust van het hemelse Kanaän. Het geloof heeft van nature een opvarende kracht.
Doch er is nog een andere kracht, waardoor de ziel vleugelen zal willen aanschieten en zich opwaarts in de hemel zal willen verheffen, n.l. de liefde. Het is juist de liefde, die het leven van de nabije gemeenschap met God wil genieten. De liefde, die God in de harten heeft uitgestort, is gelijk een magnetische kracht. De liefde wordt heengetrokken naar het voorwerp van haar liefde. Daarom zegt David, die verstoken was van de gemeenschap met zijn God: Eén ding heb ik van de Heere begeerd, dat zal ik zoeken, dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de lieflijkheden des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel. Geen plaats is een kind van God zó goed, als daar, waar het nabij zijn God is. Dat is hem het zaligst lot. Het is een kind van God wonderlijk te moede, wanneer het de liefde des Heeren mag smaken. De liefde Gods toch komt met vergeving van zonden, indien deze maar van harte leed zijn geworden. Ze neemt de zielsonrust en zielesmart weg en troost het verslagen hart, zoals een moeder troost. Geen plaats op aarde was voor de Psalmist zo dierbaar als Gods woning, waar hij de lieflijkheden en de vrije gunst van zijn God ervaren mocht. Het is daarom. dat hij ook in zijn Psalm belijdt: Mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen, mijn hart roept uit tot God, die leeft en aan mijn ziel het leven geeft. En wie deze lieflijkheden eenmaal heeft gesmaakt, zal gedurig de opwaarts trekkende kracht in zijn ziel gevoelen. Dat is het opvaren op vleugelen eens arends, waarvan Jesaja spreekt.
Er zijn tijden, waarop de ziel een bijzondere opvaart tot God kent. Ons Avondmaalsformulier spreekt er van, dat wij bij het aanzitten aan de dis der genade onze harten opwaarts in de hemel zullen verheffen, waar Christus is, onze Voorspraak, ter rechterhand Zijns hemelsen Vaders. Als we in die heilige stonde, wanneer we met verslagen harten vanwege onze zonde aanzitten aan des Heeren dis en Zijn uitnemende liefde, die Hij in Zijn lijden en sterven heeft bewezen, mogen ervaren, dan kunnen er ogenblikken beleefd worden, waarbij de ziel overstelpt wordt van liefde en lof en opvaart in de hemel, waar Christus is. Dan worden in de geest offers van liefde en lof gebracht aan die Borg en Zaligmaker, die haar gerechtigheid, haar vrede, haar troost en kracht en vreugde is geworden.
Maar het mag ons niet genoeg zijn zulke bijzondere tijden van opvaart te kennen, terwijl we overigens dan op zouden gaan in de dingen, die van beneden zijn. Zal een christen in zijn geestelijk leven wèl varen, dan behoort hij een dagelijkse opvaart te kennen. Dan moet er zoeken van God zijn vóór alle dingen, gelijk dat ook het geval was bij de Psalmist, die in zijn Psalm beleed: Ik zoek U, o.mijn God,
in de dageraad. Mijn ziel en mijn lichaam hijgen naar U. En God zal zich laten vinden door zielen, die Hem alzo zoeken. En als David ter ruste ging, deed hij dat ook in de gemeenschap met zijn God. Hij gedacht aan Hem op zijn legerstede en peinsde aan Hem in de nachtwake. Des nachts was zijn lied bij Hem en het gebed tot de God zijns levens. Dit zijn de beginselen van het eeuwige leven. Als we daaraan geen vreemdeling zijn, zal ons bij het sterven een hemelvaart gegeven worden. Dan zal de ziel tot Christus, haar Hoofd, opgenomen worden om dan in eeuwige zaligheid met Hem te leven.
Menige ziel zal zeggen : Kende ik zulk een opvaart! Dat zou ik dan in heerlijke vertroosting leven. Welnu, ge ziet misschien bij uzelf geen opvaart en toch kan er opvaart tot God zijn. Wanneer van u gezegd kan worden, gelijk van Saulus : zie, hij bidt, dan is er reeds een opvaart tot God. Een gebed uit ware zielenood tot God opgezonden, is opvaart tot God. Laat dit uw troost zijn, dat een waar gebed wordt gehoord. Volhardt in het gebed. De Heere laat zich vinden door zulken, die Hem van ganser harte zoeken.
Anderen moeten misschien erkennen, dat ze in vroeger dagen wel zulk een opvaart hebben gekend, maar dat ze al sedert lang slechts omvliegen in de dingen, die van beneden zijn. Laten zulken ook bedenken, dat een arend zijn tijden heeft, dat hij zich niet hoog in de lucht verheft. Er zijn dagen, dat ook deze koning der vogelen machteloos en schier stervend in zijn nest neerligt. Dat is het geval, wanneer hij van slagpennen zal verwisselen. Dan mist hij de vleugelen om zich omhoog te verheffen. Doch, als zijn slagpennen weer zijn aangegroeid, dan komt er een ogenblik, waarop hij weer vernieuwde kracht in zich voelt en stijgt hij weer omhoog. God heeft zijn jeugd vernieuwd. Zo zal de Heere ook de geestelijke jeugd en kracht bij Zijn kinderen vernieuwen. God doet hen ervaren, dat uit Hem en door Hem en tot Hem alle dingen zijn. Hij is de kracht van hunne kracht. Daarom moet Hem alleen de ere worden toegebracht. Geen kind des Heeren zal vreemd zijn aan deze tijden van inzinking, waarbij geen opvaart der ziel tot God wordt gekend. Dan wordt er geleefd zonder dat de gemeenschap met de Heere in waarheid gezocht wordt, en de dingen dezer lage aarde hebben de overhand. Doch er zal ook ervaren worden, dat de Heere het geestelijke leven weer doet opwaken en hun geest zal zich weer in God vermaken.
Dikwijls zal er ook de klacht zijn, dat er zo weinig wasdom is in het geestelijke leven. Ook voor zulke zieletoestanden is er troost in de wijze van de opvaart van de arend. Bij zijn opstijgen naar de hoogte volgt de arend toch. geen rechte lijn, maar hij vliegt al kringen beschrijvend omhoog. Een volgende kring ligt hoger dan een vorige. Niet anders is het zieleleven der kinderen Gods. Het gaat in hun leven niet langs een rechte weg naar het hemels Kanaän. De Heere leidt de Zijnen langs vele omwegen en beproevingen, doch er zal ook worden ervaren, dat dit wegen zijn, waarin ze mogen wassen en toenemen in de genade en de kennis van hun God en Zaligmaker. Laat de vraag op onze ziel gebonden zijn, of dat opvaren als van de arend ons niet vreemd is, want dan zouden we bij .ons sterven geen hemelvaart kennen, maar een hellevaart. Wèl hem, die het opstijgen van de arend kent. Hij zal bij het sterven van stonde aan tot Christus, zijn Hoofd, worden opgenomen.
(Loenen aan de Vecht)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 oktober 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's