De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE VROUW EN HET AMBT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE VROUW EN HET AMBT

10 minuten leestijd

Wie het ontwerp-kerkorde nagaat, zal kunnen opmerken dat dit, uitgaande van het drievuldig ambt van de Christus, het ambt van de Dienaar des Woords, van de ouderling en van de diaken onderscheidt. In de bedieningen is een middel aangegrepen om onder de leiding der ambten in verschillende takken van de arbeid bijzonderlijk te kunnen voorzien. Personen, die door gaven, aanleg en toewijding daartoe geroepen zijn, kunnen op die wijze gelegenheid vinden deel te nemen aan het werk.

Verder kan hij opmerken, dat het ontwerp het standpunt inneemt, dat de vrouw niet tot het ambt is geroepen.

Wij zijn dan oordeel, dat dit een juist standpunt is, hetwelk behoort gehandhaafd te blijven en in het ontwerp nog wel wat strakker mocht worden gehandhaafd. Candidaten in de Godgeleerdheid kunnen hulpprediker worden. Het ware juister geweest hier alleen te spreken van mannelijke candidaten.

Dan raken wij nog niet aan het kiesrecht der lidmaten, waarover ook nog wel een en ander te zeggen valt.

Intussen is de discussie over de vrouw en het ambt nog gaande. Uit de verslagen kan gebleken zijn, dat ook in de Wereldraad te Amsterdam deze vraag aan de orde is geweest.

De onderhavige vraag raakt een principiële kwestie. In de grond der zaak wordt zij beslist door het standpunt, dat men inneemt aangaande het goddelijk gezag der Heilige Schrift. Wie met de confessie der kerk, neergelegd in de Nederlandse Geloofsbelijdenis, het goddelijk gezag der Heilige Schrift belijdt, en deze als de enige regel voor geloof en leven erkent, heeft daarin geen twijfelachtige aanwijzing voor zijn oordeel over de vraag, of de vrouw geroepen is tot het kerkelijk ambt, inzonderheid tot het ouderlingschap in de Dienst des Woords en in de regering der gemeente!

Zo klaar en duidelijk spreekt de Heilige Schrift over de onderscheiden roeping van de man en de vrouw, dat daaromtrent — het zij nog eens met nadruk gezegd — geen twijfel kan bestaan. Niemand zal dat trouwens ontkennen.

Dit feit op zichzelf werpt reeds een eigenaardig licht over het streven van hen, die desniettegenstaande ijveren voor de toelating van de vrouw in het ambt. Daarin toch verraadt zich een miskenning van het goddelijk gezag der Schrift en een bewuste poging tot verburgelijking van het kerkelijk levert.

Het is dan ook opvallend, dat men burgelijke argumenten aanvoert. Zoiets als, de vrouw, die in de burgelijke saamleving allerlei functies waarneemt, welke voorheen slechts aan mannen werden toevertrouwd, zou in de kerk worden achtergesteld ? Veelal wordt het als een soort conservatisme gelaakt, als men het met zulke uitingen van humanisme niet eens is, hetwelk in de tegenwoordige tijd als een achterlijkheid op de kerkelijke saamleving zou drukken.

Veel is er gesproken en geschreven over de verburgelijking van de kerk onder de synodale organisatie van 1816, doch, hoe wil men de verburgelijking bestrijden, zo men niet radicaal uitgaat van de normen, door God in Zijn Woord geopenbaard ?

Zo men dat niet doet, zoekt men de verburgelijking door verburgelijking uit te drijven. Daarentegen zou de roeping der vrouw ten aanzien van de ambten in de burgelijke saamleving niet minder dan in de kerk onder de critiek des Woords vallen, indien men zich daarnaar richtte. Het zou blijken, dat de vrouw ook in de burgelijke saamleving op plaatsen wil staan, die buiten haar roeping vallen.

Zulk een oriëntatie zou ook het oog ontdekken voor de verantwoordelijkheid van de man voor de wanverhoudingen, die zijn ontstaan door de veronachtzaming van Gods ordeningen en geboden.

Wat nu voor de burgelijke saamleving geldt, krijgt uitteraard nog grotere betekenis voor de kerk. Hoe zal de kerk kunnen verantwoorden, dat zij tegen het duidelijk neen der Heilige Schrift ingaat ? Hoe kan zij kerk willen zijn, als zij zo doet ? Zij zou daarmede slechts te kennen geven dat zij met de kerk, die in haar confessie aan het woord is, geen gemeenschap heeft in het allervoornaamste stuk, n.l. de belijdenis des geloofs aangaande de Heilige Schrift. Zij zou ons willen diets maken, dat, waar de Schrift neen zegt, Christus ja zou gezegd hebben.

Als wij opmerken, dat Christus toch voortreffelijke vrouwen onder Zijn discipelen telde, maar nochtans twaalf mannen tot het apostelambt riep, schijnt de kracht van dit argument geen tegenweer te verdragen. Dit voorbeeld moest afdoende zijn.

Dat schijnt wel zoo, en voor de Schriftgelovige is het ook zo, maar de voorstander van de vrouw in het ambt zegt: Ja, dat was in die tijd. Jezus  — veelal spreken dezulken van Jezus — Jezus was een kind van Zijn tijd, maar als Hij in onze tijd zou geleefd hebben, zou Hij anders hebben gehandeld.

Ziedaar een argument, waarmede de ganse Schrift als regel des geloofs krachteloos kan worden gemaakt. Men kan dat ook toepassen op het woord des Heeren : „daar staat geschreven". (Lukas 4 vers 1 v.v.). Zijn voorbeeld bij de verzoeking in de woestijn, waar Hij de duivel bestrijdt en afwijst met het Woord, zou dan zijn betekenis missen. Als kind van Zijn tijd zou Hij gesproken en gehandeld hebben.

Op die wijze kan men wel beweren, dat het Evangelie van Jezus in onze tijd een geheel ander zou geweest zijn.

Dergelijke redeneringen passen weliswaar in de stijl van de negentiende eeuw met zijn evolutie-leer, maar op generlei wijze kan men de Christus een kind van Zijn tijd noemen.

Jezus wordt ons door de engelen aangekondigd als Christus, de Heere.

Hij is niet onderworpen aan de tijd, maar alle machten in de hemel en op de aarde zijn Hem onderworpen. Hij is een Heere van de Sabbath, en een Heere van de tijd. Wie voor ogen houdt, dat Jezus is de Christus, zal de ijdelheid van zulke menselijke argumenten inzien en gevoelen, dat Hij niet spreekt met het gezag der Schriftgeleerden van Zijn tijd, maar met goddelijke Autoriteit. En hoe anders zullen wij Zijn goddelijke Autoriteit erkennen dan door gehoorzame onderwerping aan het geschreven Woord, van welks goddelijk gezag Hij getuigenis geeft. „Zij hebben Mozes en de profeten, dat zij die horen".

Anderen zoeken hun ongelovig drijven met een beroep op de Schrift te staven : „In Christus is noch man, noch vrouw". Alsof daarin een vrijbrief stak voor hun onchristelijk streven, terwijl het woord van de Christus tot de Sadduceërs gesproken over de opstanding, wel heel duidelijk maakt, dat de opstanding eerst die nieuwe orde zal brengen. (Vgl. Matth. 22 vs. 23 v.v.).

Zo waar de huwelijksorde in deze bedeling voortgang vindt, zo waar blijft ook de goddelijke orde voor de aardse verhoudingen van man en vrouw van kracht, tot dat Hij wederkomt. Derhalve is ook dit beroep volkomen misplaatst.

Het ware beter, dat meer acht werd geslagen op de orde des huwelijks en zijn verborgenheid, gelijk ons door de Heilige Schrift wordt geleerd. Het huwelijk is een wondere ordening Gods, welker verachting een der ver­derfelijkste verschijnselen is van onze tijd. In het huwelijk ligt een leven van openbaring, welke door het geloof kan worden opgemerkt, omdat het door de Heilige Schrift wil geleerd zijn.

Het huwelijk dienstbaar gemaakt aan het goddelijk scheppingswerk door de procreatie, wordt door het profetische Woord ook dienstbaar gemaakt aan het werk der herschepping. Die de beloften Gods ontvangen hebben, Adam en Eva, Abraham, Izaak en Jacob, hebben de mond Gods ook van hun zaad horen spreken.

Zou Hij, die de mens geschapen heeft man en vrouw, geen macht en gezag hebben om te bepalen en te ordineren, waarin man en vrouw zullen onderscheiden zijn, wat Hij van de man en wat Hij van de vrouw eist, waartoe Hij de man en waartoe Hij de vrouw zet?

Inderdaad komt het bij de beantwoording van de vraag over de vrouw en het ambt neer op de erkenning van de Majesteit van de Schepper en van Zijn hoog gezag.

Hij heeft de mens geschapen, man en vrouw. Man en vrouw hebben alzo volkomen gemeen, dat zij mensen zijn. Zij delen beiden in het menselijk wezen. Al wat God over de mens heeft gesproken en omtrent die mens heeft geordineerd, geldt zowel voor de man als voor de vrouw. Ook de heerschappij, waarvan Genesis 1 vers 26 gewaagt, want het gaat daar over de mens. En toch staan man en vrouw niet in dezelfde verhouding tot die heerschappij.

De man is de drager van de kracht. Hij is het, die genereert. Daarom is hij ook de drager der heerschappij. In Genesis 2 vs. 20 staat, dat de mens geen hulpe vond, die als tegen hem over ware. In de huwelijksorde liggen de verhoudingen klaar en duidelijk en vanuit die orde worden die verhoudingen voor het leven bepaald. In alles is de vrouw van de man onderscheiden door hetgeen niet anders of beter kan worden uitgedrukt dan dat hij man en zij vrouw is.

Het vaderschap is bij de man en het is bij hem, omdat hij een drager is van de kracht. En, omdat het vaderschap bij hem is, is hij drager der heerschappij.

Om de macht van het vaderschap draait het. Hoe nauw de band der liefde in het gezonde huwelijk ook wezen kan, hoe eensgezind in de gemeenschap van stoffelijke en geestelijke goederen delend, het vaderlijke van de man blijft onderscheiden van het moederlijke der vrouw. Dat kan niet worden uitgewisseld. Een vader kan zijn vaderlijke roeping verzaken en een moeder haar moederlijke, doch ook zulk een ontaarding heft het feit der onderscheiding niet op.

Als de Heilige Schrift de heerschappij aan de man opdraagt en hem onder ambtelijke roeping in de vervulling dier heerschappij stelt, wordt daarin als goddelijke ordening bevestigd, wat uit het werk der schepping kon worden verstaan, als de mens niet zo blind en weerbarstig ware. Zelfs in de burgelijke saamleving komt aan de vrouw het regeerambt niet toe.

Wat wil men dan in de kerk? Deze is geroepen het Woord Gods te bewaren en de geboden Gods te onderhouden. Bovendien heeft zij nog een openbaring omtrent de verborgenheid van het huwelijk, die boven de genoemde zaken uitgaat. De huwelijksorde grondslag voor deze aardse saamleving, wordt ons door de Heilige Schrift ontdekt als een heilige symboliek, waarin de verhouding van Christus tot Zijn gemeente wordt voorgesteld : Christus de Bruidegom en de gemeente Zijn bruid.

De bruid zal Zijn heerlijkheid delen en met Hem zitten in Zijn troon.

Wie zal regeren ? Christus of de bruid ? Bij wie is de kracht en de heerschappij ? Bij Christus of bij de bruid ?

En nu op aarde. Wie regeert Zijn kerk, de Bruidegom, of zal del kerk, als een wederhorige bruid zeggen, hoe het moet ?

De kerk vertegenwoordigt het vrouwelijke, het moederlijke, het een hulpe zijn, de dienende liefde. Maar als het Christus behaagt Zijn kerk op aarde te regeren door ambtelijke dienst van de mens, dan regeert het ambt in de Naam van Christus, de man, die het ambt draagt, regeert ex officio.

Dat wil dus zeggen, dat het regeerambt aan de kant van de Bruidegom staat, een mannelijke roeping is, en een mannelijk karakter draagt. Oude en Nieuwe Testament roepen dan ook alleen mannen tot deze heilige dienst. Het regeerambt komt der vrouw niet toe.

Over de dienst der diacones valt te spreken, maar dan als een dienst buiten de kerkeraad. De regering en het opzicht der gemeente zijn aan de kerkeraad. Voor de vrouwelijke diaken kan in de Raad der kerk geen plaats zijn. De kleine kerkeraad bewijst reeds, dat de diakenen deelnemen aan de regering der gemeente en het ontwerp-kerkorde breidt dat zelfs uit over de grotere kerkeraden en, wat ons ongewenst voorkomt, over de meerdere vergadering. Het ware beter de diakenen daar als adviseurs toe te laten.

Het diaconaat is trouwens vatbaar voor een differentiatie, welke op zich zelf aanleiding geeft tot een organisatie, die onderscheid maakt tussen een algemene leiding der werkzaamheden van verschillende diensten in de gemeente en de classis, en die diensten zelf. Daarin ligt weer een leidende en een dienende taak.

Wat van de regeertaak geldt, is ook van kracht voor deze leidende taak. Deze behoort aan het ambt, waartoe de man en niet de vrouw geroepen is.

Een kerk, die de gehoorzaamheid aan de Christus der Schriften zoekt, zal deze dingen in acht nemen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

DE VROUW EN HET AMBT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's