Naar de Generale Synode
Korte samenvatting van onze bezwaren tegen Ordiantie IX en voorstellen van wijziging.
Art. 1. In overeenstemming met art. 17 der Kerkorde, zoals dat in uw Juli-vergadering gewijzigd is, stellen wij voor te lézen inplaats van: ,,daardoor te brengen", , , daardoor toe te laten tot het H. Avondmaal".
Art. 2. Om te voorkomen dat de Kinderkerk en het Zondagsuur een ontwikkeling buiten de gewone samenkomst der Gemeente zou bevorderen, wordt voorgesteld te lezen : „Kindersamenkomst en Zondagsschool".
Art. 5. Voorgesteld wordt in al. 1 te doen vervallen : ,,en het milieu, waarin wij leven". Dit is een te burgerlijke bepaling, terwijl de bedoeling reeds opgesloten ligt in het woord „methode".
In al. 2 worde gelezen : „de Heidelbergse Catechismus c.q. de Catechismus van Geneve en het Kort Begrip".
Aangezien de Commissie van oordeel is, dat de predikanten een zekere vrijheid in de keuze van leerboeken moet gelaten worden, wordt voorts voorgesteld de woorden na ,,Geneve" te doen vervallen.
In verband met voormelde vrijheid vervalle in al. 3 : „en de methode". Gelet op de verscheidenheid van de plaatselijke omstandigheden worde volgende redactie van al. 5 voorgesteld : „Aan het Consistorium is ook opgedragen de gelegenheid te zoeken en te gebruiken om aan de leerlingen van de binnen de grenzen der kerkelijke Gemeenten gelegen scholen en inrichtingen van onderwijs wekelijks catechetisch onderwijs te doen geven".
Art. 6. De Commissie is van oordeel, dat de uitdrukking: ,,onder de belijdende leden der gemeente opgenomen" niet juist is, aangezien degenen, die gedoopt zijn, reeds lidmaten der gemeente zijn, en stelt voor al. 1 aldus te lezen : „Zij, die door de Kerkeraad tot openbare belijdenis des geloofs zijn toegelaten, leggen deze af in een kerkdienst, bij voorkeur op Palmzondag. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het daartoe bestemde Formulier uit het dienstboek der Kerk".
Aangezien in art. 6 niet gesproken wordt over de overgang van belijdende leden van andere Kerken naar de Ned. Hervormde Kerk, worde een 4e alinea toegevoegd: „In geval iemand, belijdend lid van een andere Kerk, wenst opgenomen te worden in de gemeenschap van de Hervormde Kerk, is het aan de beslissing van de Kerkeraad, of van een commissie uit zijn midden, overgelaten op welke vragen van het Formulier, bedoeld in al. 1, bevestigend geantwoord zal moeten worden".
In verband met deze veranderingen in het artikel, komt het de Commissie gewenst voor, dat het opschrift luide : ,,Het doen van belijdenis en de opneming in de Gemeente".
Art. 7. De Commissie is van oordeel, dat het geven van een toestemming, als in dit artikel voorgeschreven, aanleiding zal geven tot veel moeilijkheden in verband met de in de Kerk heersende richtingen.
Daarom wordt voorgesteld dit artikel zo te wijzigen, dat alleen een bewijs van zedelijk gedrag gevraagd wordt.
Art. 9. In verband met de reeds geopperde bezwaren tegen het gevaar van de grote macht der Raden wordt voorgesteld : In al. 1 te schrappen: „en in gemeenschap met de Raad voor de Catechese". Al. 2 en 3 te doen vervallen..
Al. 5 te lezen : „Indien het belang van het werk dit vordert, kan de Kerkeraad een aanstelling ook tussentijds beëindigen".
Al. 6 en 7 vervallen.
Art. 11. Onder heenwijzing naar bovengenoemde bezwaren is de Commissie van oordeel dat in al. 1 worde geschrapt: „en in het bezit van een testimonium enz. tot der Kerk". Het vervolg der alinea luide : „Deze hulpkrachten moeten "
Al. 2 worde geschrapt. Art. 12. Met de ontwerpers overtuigd van het grote belang der catechese, zagen wij toch liever een Commissie van advies hiervoor benoemd. Deze Raad zou een veel te grote bevoegdheid krijgen. Daarom stellen wij voor, dit artikel te schrappen.
Bezwaren tegen voorgestelde oplossing van vraagstuk Bestuur en Beheer, en voorstellen, vooral inzake Ordinantie XIV en XVI.
Het beheer der kerkvoogden over de kerkelijke goederen heeft zijn oorsprong in de fundaties tijdens de Middeleeuwen. Voor de stichting van een parochie werden vermogenscomplexen afgezonderd, van welke het beheer in handen van kerkvoogden werd gelegd. Deze vermogens behoorden niet aan „de" Kerk in haar geheel. Het waren goederen, die geschonken waren met een bepaalde bestemming voor de plaatselijke gemeente. Ze werden niet in eigendom overgedragen, maar afgezonderd tot een bepaalde bestemming. Het is aan deze goederen, dat de kerkvoogden verbonden zijn.
Met de Reformatie verschenen de kerkeraden, aan wie het bestuur of de regering der gemeente was opgedragen. De Staten brachten de goederen der Kerk onder geestelijke kantoren en aan predikanten werd daaruit een tractement toegelegd. Als de Staat zich heeft teruggetrokken inzake het onderhoud der predikanten, rust dit onderhoud voor het vervolg op de gemeente en het „levende" geld uit de gemeente komt ook in handen der kerkvoogden, die rekenplichtig zijn aan het college van notabelen, die door de gemeente gekozen, ook als haar vertegenwoordigers moeten beschouwd worden.
In vele gemeenten hééft de aanwezigheid van twee colleges, kerkeraad én kerkvoogdij, dikwijls wrijving veroorzaakt. Over de kerkvoogdij heeft de kerkeraad of de Synode geen, rechtstreekse macht. De Synode heeft geen recht om in te grijpen in het beheer der plaatselijke kerkvoogdijen. Ook de Staat erkent de rechten der gemeenten op de goederen. De afgescheidenen konden geen erkenning als Kerk vanwege de overheid verkrijgen, of ze moesten vooraf afstand tekenen van hun recht op de kerkelijke goederen.
Om nu zoveel mogelijk de wrijvingen tussen kerkeraad en kerkvoogdij te voorkomen en de kerkvoogdijen te binden aan de centrale leiding der Kerk, is de figuur van de ouderling-kerkvoogd voorgesteld. Deze zal dan zitting en stemrecht hebben in de kerkeraad, maar op zijn verzoek vrijgesteld worden van de werkzaamheden als ouderling.
Tegen deze ouderling-kerkvoogd moeten velerlei bezwaren worden ingebracht. Er schuilt iets onwaarachtigs in deze figuur. De ouderling-kerkvoogd zal als ouderling worden bevestigd, maar als regel ontheffing van het werk als ouderling vragen, aangezien hij een overladen functie bekleedt. Hij blijft in zijn rechten als kerkeraadslid gehandhaafd, terwijl hij feitelijk kerkvoogd is. Tégen deze rechten van de kerkvoogd in de kerkeraad moeten toch wel grote bezwaren worden ingebracht. Het onwaarachtige van de gehele figuur is, dat hij op het bevestigingsformulier zijn ,,ja" zal uitspreken en in zijn ziel en in de practijk is het ,,neen". En dan blijft de grote vraag, of het beheer over de kerkelijke goederen onder een geestelijk ambt is onder te brengen.
Strikt genomen is het werk van de kerkvoogd niet geestelijk. De voorgestelde combinatie betekent een onnatuurlijk inwringen van de kerkvoogd in het koninklijk ambt. Maar waartoe is dit nodig ? De kerkvoogden kunnen toch een afzonderlijk college blijven.
Dan blijft er over, de verhouding jegens de kerkeraad te bepalen. Het Ontwerp-Kerkorde stelt voor om de notabelen te laten vervallen als college, waaraan de kerkvoogdij rekenplichtig is. De kerkvoogdij moet voor vaststelling van de begroting overleg plegen met de kerkeraad. Het is ook mogelijk, dat dit overleg niet tot overeenstemming leidt en dan grijpt de provinciale kamfer van toezicht in voor de eindbeslissing. Deze kamer heeft het recht om posten af te voeren en daarop aan te brengen, hetgeen toch een ontoelaatbaar ingrijpen in het recht van de plaatselijke gemeente is. Aangezien er nu steeds meer levend geld uit de gemeente in handen van de kerkvoogdij komt en de kerkvoogden toch oorspronkelijk alleen verbonden zijn aan de goederen van de fundaties, is het alleszins redelijk, dat de kerkeraad ook mede te beslissen heeft over de begroting, dus over het geld dat van de gemeente gevraagd wordt. De kerkeraad is toch de vertegenwoordiging van de gemeente en heeft in grote lijnen daarom ook het recht op medezeggingsschap bij de vaststelling van de begroting. De kerkvoogden behoren op dezelfde wijze verkozen te worden als de kerkeraad. Als het college van notabelen wegvalt, behoort de kerkvoogdij rekenplichtig te zijn aan de kerkeraad. 't Zal aan de verhoudingen in de gemeente ten goede komen, als de kerkeraad mede verantwoordelijk is voor de begroting.
Het Ontwerp wil voorts de pastoralia onder beheer van de kerkvoogdij brengen. Dit is een direct ingrijpen in het beheersrecht van de pastor en juridisch onrechtmatig.
Bezwaren moeten ook worden ingebracht tegen de macht, die aan de bredere kerkvoogdij-organen wordt toegekend in art. 12, n.l. uitvoering te geven aan hetgeen hun verder bij of krachtens de ordinantiën der Kerk tot taak zal worden gesteld. Hier is het gevaar, dat bij delegatie grote macht aan deze organen zal worden toegekend.
.Conclusies.
Ord. yoor het Presbyteriaat no. XIV.
Art. 1 : „de verzorging van de stoffelijke belangen" enz. vervalt.
Art. 4 : Alinea 1, 2 en 3 vervalt.
Ord. fvor de kerkelijke financiën no. XVI. In plaats van : „ouderling-kerkvoogd" moet gelezen worden : „kerkvoogd".
Art. 1 : „het beheren van de pastoriegoederen" worde gewijzigd in : ,,het toezicht op het beheren der pastoriegoederen".
,,het bijhouden van de boeken, en registers der gemeente...." vervalt.
Art. 3 : vervalt geheel.
Art. 8 : alinea 2 en 3 moeten vervallen.
Art. 9 : achter al. 2 toe te voegen : „en vastgesteld". Volgende alinea's vervallen.
Art. 10 : achter al. 2 toe te voegen : , , nagezien en goedgekeurd".
al. 3 en 4 vervallen.
al. 5 : ,,ter goedkeuring" te wijzigen in : „ter controle". Zelfde wijziging in al. 6.
Art. 12 : ,,uitvoering geven aan hetgeen hun verder bij of krachtens de ordinantiën der Kerk tot taak wordt gesteld". Dit is een zeer ruim gestelde opdracht en nog wel met delegatie en daarom gevaarlijk.
Art. 14 : ,,uitvoering enz." Zelfde opmerking als over art. 12.
Art. 15 : Volgens al. 3 kan een generale kas of fonds rechtstreeks verplichte betalingen vragen zelfs van de leden. Hier wordt toch wel sterk ingegrepen in de zelfstandigheid van een gemeente.
Ord. voor het toezicht, no. XVIII.
Deze ordinantie is zeer ingewikkeld door zijn commissies en sub-commissies. Een zeer uitgebreide administratie zal nodig worden voor elke beheersdaad. De bureaucratie is hier ten top gevoerd. Dat wordt oorzaak van een zeer langzaam tempo. En . . . . . wie zal dat betalen ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's