Het goddelijk geheim
In „Het Zoekhcht" van 11 Sept. 1948 stond een artikel met bovenstaande titel.
Neen, het is niet mijn bedoeling om iets te schrijven aangaande de ideeën en meningen van de kring rondom het tijdschrift „Het Zoeklicht".
Dat laat ik thans rusten.
Alleen wilde ik iets schrijven over een uitspraak in het genoemde artikel, een uitspraak over Gods liefde, iets; wat ons allen beroert.
Volgens de toelichting is ,,Het goddelijk geheim" de titel van een toespraak, die door Br. Bauman, vertegenwoordiger van de China- Inland Mission, werd uitgesproken op de Brantpunt Zomerconferentie te Doorn.
Br. Bauman sprak over de onnaspeurlijke rijkdom van Gods liefde naar aanleiding van de Efeziërsbrief.
In die toespraak werden mooie dingen gezegd ; echter kwam ik ook een zinsnede tegen, waarmede ik het minder eens was, en waar ik graag iets over wilde schrijven, omdat deze zinsnede een probleem te voorschijn roept, waar de mensen vaak mee ,,zitten".
Het Zoeklicht schrijft:
,,God heeft de mens een wil gegeven. De mens is gevallen, maar heeft zijn wil behouden. Daarom is zowel onze bekering als onze heiligmaking een vraag van de wil.
In Nederland wil men daar in vele kringen niet aan. Dan zegt men : „Op Gods tijd zal ik wel tot bekering komen, zodra Hij mij het geloof schenkt", of men zegt, ,,het geloof is een genadegift, daar kan ik nu eenmaal uit mijzelf niets aan af of toedoen. Daarom wacht ik het maar af, want ik kan op grond van de Schrift toch alleen maar door het geloof zalig worden".
Men vergeet hierbij, dat de grondslag van dat zaligmakend geloof juist bestaat in gehoorzaamheid, d.w.z. de gehoorzaamheid des geloofs, en deze gehoorzaamheid is afhankelijk van de wil om het hart voor Christus te openen en Christus als Zaligmaker aan te nemen. Dit aannemen is een vrijwillige, persoonlijke daad, die God van de mens verwacht. God heeft de mens een wil gegeven om Christus aan te nemen".
Tot zover Het Zoeklicht.
Kort gezegd ziet dus dr. Bauman en met hem de Zoeklicht-kring het heil van Christus in de mens als volgt: God heeft de wereld lief, de mens heeft de wil om God al of niet lief te hebben, God lief te hebben hangt van de mens af.
Door deze uitspraak wordt weer de oude strijdvraag opgehaald, waar de Kerk eeuwen mee heeft geworsteld: de strijdvraag tussen Augustinus en Pelagius, Luther en Erasmus, Gomarus en Arminius.
De onwederstandelijke werking van Gods Geest, die 's mensen wil buigt, enerzijds en de vrije wil tot het goede en het kwade anderzijds.
In ,,Het Zoeklicht" onderkennen wij de Pelagiaanse, humanistische, Arminiaanse opvatting in een orthodoxe terminologie.
Het lag niet in mijn bedoeling de Calvinistische opvatting tegenover de humanistische dwaling weer te geven, dat is meermalen in dit orgaan gebeurd.
Alleen stel ik ditmaal de vraag : Welk geheim van Gods liefde is dieper ? Wat is dieper, dat God liefheeft en dat de mens die liefde met zijn eigen wil beantwoordt en zijn hart voor Christus door eigen wil opent,
óf dat God vijanden liefheeft, die niets van Hem moeten weten, die zich zelfs tegen Hem stellen en wier wil door Gods liefdewil gebogen moet worden ?
Wat is dieper : Een liefde Gods jegens hen, die de wil hebben tot wederliefde, of een liefde Gods jegens vijanden ?
Hoeveel men ook over de liefde Gods schrijft en spreekt, men zal nooit die diepte raken, als men de laatste mening als zijn geloofservaring niet huldigt. Paulus schrijft in Romeinen 5 vs. 10 : „Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood Zijns Zoons".
Dat zal de Kerk altijd als het diepste geheim van Gods liefde uitspreken, dat, waar wij niet naar Hem gevraagd hebben. Hij Zich nochtans tot ons heeft gekeerd en Zich over ons heeft ontfermd, ja, onze wil gebogen heeft om Hem te dienen.
Deze schat van het goddelijk mysterie der liefde jegens vijanden wensen wij te behouden, ook al wordt ons, ten onrechte, de lijdelijkheid, zoals ook in „Het Zoeklicht", verweten.
Immers wij keren ons even scherp tegen de lijdelijke opvatting van de Uitverkiezing als tegen de mening van de vrije wil, omdat beiden, de een aan de ene zijde, de ander aan de andere zijde, het mysterie van de Praedestinatie scheef trekken.
Naar bijbelse uitspraken is de Uitverkiezing (zie Dordtse Leerregels) zowel verantwoordelijkheid des mensen als goddelijk Welbehagen.
Geen verantwoordelijkheid alleen, dit tegenover de „vrije-wil mensen".
Geen goddelijk Welbehagen alleen, die tegenover de lijdelijke gelovigen.
Maar beide.
Zeker, logisch een tegenstelling.
Maar ons verstand mag en kan geloofsstukken niet be- en veroordelen.
Toch door Gods Woord, boven het verstand uitgaande, geleerd.
En door het geloof omhelsd.
En wie de ware diepte der Praedestinatie enigermate heeft gepeild, heeft tevens de diepte van Gods liefde gepeild, dieper dan zij, die, hoewel steeds sprekende over Zijn liefde, deze relativeren naar des mensen wil.
De liefde, die vijanden liefheeft en tot liefde dringt door Zijn eigen kracht, is, Gode zij dank, ondoorgrondelijk.
Dat is het goddelijk geheim.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's