Saambinding en gemeenschap
Prof. Grosheide schrijft deze week in „Belijden en Beleven" over teleurstellingen. Hij ziet teleurstelling in een annonce van een vrijzinnig predikant, die een andere positie zoekt, teleurstelling bij de Gereformeerden in de Hervormde Kerk, teleurstelling bij anderen weer over de Wereldraad, en hij eindigt met een oproep tot eenheid aan het adres der gereformeerden van onderscheidene verbanden.
Over die ,,teleurstellingen" zullen wij niet veel zeggen. Het is verklaarbaar, dat vrijzinnigen geen lust hebben om zich te schikken naar de mannen van de doorbraak, die van geen richtingen meer wensten te weten, maar intussen, zoals prof. Grosheide het uitdrukt, ,,de kerk in één bepaalde richting wilden sturen en het land evenzo. Het zou Barthiaans- ,,Socialistisch zijn".
Uit dien hoofde reeds kunnen wij het protest van de Zwingli-groep plaatsen. Dit protest zou zich evenwel niet minder scherp laten horen, indien de Synode de gereformeerde belijdenis zou handhaven en met name haar waardering van de Heilige Schrift. In dat geval zouden de z.g. orthodoxe vrijzinnigen niet achterblijven en mogelijk tot het inzicht komen, dat men kerkelijk niet tegelijkertijd orthodox en vrijzinnig kan zijn.
Kerkelijk orthodox betekent in overeenstemming met de kerkelijke belijdenis, en vrijzinnig betekent, dat men daaraan niet gebonden wil zijn.
Daaruit blijkt reeds het onzuivere standpunt van de z.g. doorbraak-mannen. Zij staan alleszins welwillend en tegemoetkomend jegens de vrijzinnigen. Deze mogen zelfs hun richtingsadjectief zonder bezwaar blijven voeren. En 't is volstrekt niet in strijd met de vrijzinnigheid om daarmede genoegen te nemen. De yrijzinnige zal, als het voor hem om een principieel punt gaat, zeggen, en dat terecht, maar denk er om : ik ben vrijzinnig en ik heb dat ook altijd gezegd. Zelfs als hij de naam orthodox-vrijzinnig heeft aangenomen, zal hij in zo'n geval opmerken, dat een orthodox vrijzinnige een vrijzinnige is, en dat het bepalende orthodox alleen maar een zeker soort vrijzinnigheid aanduidt.
De ouderwetse vrijzinnigheid, die welbewust op een wijsgerige grondslag staat, en dat ook wil weten, gevoelt zich tegenover de drijvende richting niet veilig. Dat wil nog volstrekt niet zeggen, dat hij met meer critisch vermogen tegenover deze staat dan de z.g. orthodox-vrijzinnigen, mogelijk is hun protest een gevolg van minder critisch vermogen. Zij weten alleen heel goed, wat zij zelf willen, en daarom ook wat zij niet willen. Tot geen prijs willen zij enige confessionele gebondenheid, en hoezeer de teugel gevierd wordt in art. 10 van het ontwerp-kerkorde, zijn de Zwingli-mannen toch beducht voor belijdenis-dwang. Hoewel de z.g. orthodox-vrijzinnigen een ietsje meer kerkelijk denken, zijn zij niet minder afkerig van belijdenis-dwang, begrijpen er iets meer van dat er toch sprake kan zijn en sprake is van een objectieve belijdenis der kerk, doch zij eisen voor zich zelf de vrijheid ener individuele interpretatie op.
Nu is het waar, dat ook de waarlijk gereformeerde kerk aan zijn leden nimmer de belijdenis der kerk oplegt. Ook bij een gereformeerde kerkorde is geen sprake van belijdenisdwang. De kerk dwingt niemand om te geloven wat zij gelooft. Daarom is heel die vrijzinnige vrees kerkelijk misplaatst. Maar de kerk kan geen andere belijdenis handhaven dan de hare, zij kan geen andere belijdenis naast de hare in prediking en onderwijs toelaten. Zij kan naar recht en behoren ook niemand als lidmaat aannemen dan op haar belijdenis.
Uit dien hoofde is alleen de erkenning van zulk een belijdenis voor een vrijzinnig man reeds te veel. En het is begrijpelijk, dat dit voor hem, die in zijn vrijzinnigheid zoekt te volharden, aanleiding kan zijn om zich bij een congregatie aan te sluiten, waar men niet-kerkelijk over zulke dingen denkt en er van uitgaat, dat ieder zijn eigen opvattingen voor de beste houdt.
Anderzijds kan men ook verstaan, dat de vrijzinnigen daarmede niet zo'n haast maken, omdat de reformbeweging in de kerk zo streng kerkelijke allures niet vertoont.
De gereformeerden in de Hervormde kerk ook niet tevreden, meent prof. Grosheide.
Neen, voor tevredenheid is weinig aanleiding. Weliswaar heeft geen onzer gedacht, dat de Ned. Hervormde kerk zo maar in een paar jaar een toonbeeld van een gereformeerd kerkelijk leven zou vertonen. Zelfs, dat de leiding bij haar handehngen zulk een beeld voor ogen zou houden, kon moeilijk worden verwacht door wie op de ontwikkeling der zaken acht sloeg en wist, dat de erfenis der negentiende eeuw geenszins wordt gekenmerkt door rijkdom aan echte theologische kennis.
De nieuwe theologie vond buitengewoon gunstige omstandigheden, de algemene druk van de crisis, een toebereide bodem, omgewoeld door crisis, scepsis en teleurstelling, een ontkerstende massa, een van de ware theologie vervreemde prediking, krachteloos, zonder objectieve norm, zonder beroep op goddelijke Autoriteit, en daarom zonder verweer tegenover het heersend individualisme.
Geen wonder, dat de nieuwe leer door de middengroepen werd aangegrepen, wier theologie, sedert generaties reeds verlutheraniseerd, was verstikt in het moeras van historisme en psychologische grondboringen.
Voor de vrijzinnigheid had zij niet zoveel bekoring, hoewel de doodsteek, welke haar door deze nieuwe leer zou zijn toegebracht, niet zo dodelijk bleek te zijn. De bekeringsgezindheid naar het Barthianisme komt ons dan ook voor bij lange na niet evenredig te zijn aan de vriendelijke bejegening van de naar heerschappij drijvende middengroepen.
Zekere nieuw-kerkelijke politiek speelt daarbij een rol. Intussen bewijst de tegemoetkomende houding jegens de vrijzinnigheid, dat de aanhangers van de nieuwe leer bewust of onbewust meer neiging vertonen naar links dan naar rechts, hetzij zij onder, ethische of confessionele vlag varen. Hun afkeer van de gereformeerde doctrine schijnt dan ook overeen te komen met de bij uitstek critische en afwijzende houding der gereformeerden van de Barthiaanse theologie. Het een met het ander wijst op een conflict, dat zijn oorzaak heeft in tegenstrijdige principiën.
En zo staan wij voor de eigenaardige situatie, dat de voorbereiding ener gereformeerde kerkorde wordt geleid door een anti-gereformeerde geest. Uiteraard kan niemand verwachten, dat dit bij de gereformeerden aanleiding kan zijn tot bijzondere tevredenheid of tot versterking van het vertrouwen.
In de Hervormde kerk treedt in deze verschijnselen een geestelijk conflict aan de dag, dat niet ten onrechte als een afschaduwing kan worden gezien van een veel algemener, hetwelk zich in de tegenstelling tussen de Wereldraad en de gereformeerde gezindheid over de wereld vertoont.
Men kan dit betreuren, maar de Wereldraad heeft weinig gedaan om de medewerking der gereformeerden mogelijk te maken. Veeleer is er aanleiding om het tegendeel te beweren.
Men kan deze verschijnselen onder verschillend aspect beoordelen. Historisch is het niet nieuw, dat de gereformeerde religie op humanistische weerstanden stuit. De Lutheranen, van meet af niet ongenegen om Christendom en humanisme aan elkander uit te huwelijken, hebben nimmer grote genegenheid voor de gereformeerden getoond. Voorts wordt de gereformeerde religie bij haar tegenstanders veelal door de bril van anderen bekeken, terwijl de historicus niet zelden een onzuiver beeld van het Calvinisme geeft.
Wij mogen echter niet eenzijdig over het verschijnsel oordelen. Er is ook oorzaak om de gereformeerde gezindheid bij haar oecumenische roeping te bepalen. De grote voortrekkers zijn zich daarvan meer bewust geweest. De gereformeerde gezindheid heeft echter — gelet op haar verbreiding in de wereld — in menig opzicht weinig van haar oorspronkelijke kracht getoond, omdat zij verteerd wordt door onderlinge twist en sectarisme.
Daarom is het een gelukkig teken, dat er blijken zijn van ontwaken en van elkander zoeken, hier en elders in de wereld, in Amerika en Zuid-Afrika.
Zien wij op de ontwikkeling van het kerkelijk leven van de gereformeerde gezindheid hier te lande, dan is het duidelijk, dat allen, die zich tot haar willen gerekend zien, zullen hebben mede te werken om allereerst de door haar zelf opgeworpen scheidsmuren en staketsels op te ruimen, opdat alleen het Woord Gods heerse. In de samenwerking en hereniging van allen, die krachtens belijdenis bijeenbehoren, zou niet alleen een vrucht van het gemeenschappelijk geloof openbaar worden als een overwinning der wereld van binnen, maar zij zou in haar doorwerking ook naar buiten zegen verspreiden.
Inderdaad hebben wij veel genade en een groot geloof nodig om eigen kring en eigen standje achter te stellen bij de gemeenschappelijke roeping.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's