Samuël, een zoon der Wet
FEUILLETON
EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA
126)
„Ik hoopte zo, dat de waarheid eindelijk voor aller ogen verschijnen zou, — en dat jij zelf.... jij zelf Maar nu wijs jij op iemand anders ~ en nu buig jij voor een ander — en de hoop dwaalt, zo kort vóórdat het doel is bereikt, toch nog van de rechte weg af, — en alles raakt nu opnieuw in de war !
Waarom komt Hij dan niet en maakt Hij een einde aan al die verwarring ?
Ik kan niet lang, meer wachten — denk daar toch aan !"
Samuel streed met zichzelf. ,,Moeder, wij willen niets dan de waarheid, — wij willen ook niet onszelf bedriegen. En u weet niet half, hoe groot Hij moet wezen ! Denkt u nog wel eens aan uw wens van vroeger en aan dat huis daar in Haïfa ? Laat mij naar die mensen eens gaan. Zij hebben over de Messias gezongen ; misschien weten zij nog wat meer van hem af".
„Ga dan vooral gauw, want je weet, ik ben oud !" Haar gelaat was, toen zij zich afwendde, zó vol diepe verslagenheid, dat het hem door zijn hart sneed.
Tulpenbloesem zat iedere dag aan z'n schrijfwerk, dat hem met zijn strenge regels alle onrustige gedachten.verdreef. Maar de blinde had niet één zo'n middel tot afleiding. Alles had daarom op haar veel meer invloed. Alles, wat zij zich voorstelde, werd tot een innerlijk zien en haar gedachten namen altijd weer vormen aan. Uitwendige toestanden versmolten voor haar met haar verwachtingen en vreesvoorstellingen en kregen dan onder de invloed van haar godsdienstig gevoel vaak profetische kracht. In het bijzonder gebeurde dat, met betrekking tot Samuels aangelegenheden. Toch bleef zij voor het vervolg verstandig genoeg, om hem door de mededeling van zulke ideën niet meer al te sterk te beïnvloeden. En ondanks dat alles waren haar gedachten als een bijenzwerm, die zich om dat ene middelpunt tot een grote tros vormde. Alles wat zij beleefde en ondervond, bezag zij vanuit deze gezichtshoek, en óók alles wat zij vroeger had ondervonden.
Zo leefde ook weer haar wens op om de sluier te lichten, die nog steeds hing over die gebeurtenis te Haïfa. Want terwijl zij verder rondtastte om tot klaarheid te komen, wilde zij niets onopgehelderd laten, dat op een of andere wijze met het grote doel in verband stond.
Zij hadden de bittere kruiden van het Paasfeest gegeten, en de graanoogst was voor het merendeel afgelopen. Toen ging op een morgen Samuel met deze opdracht en ook nog om enige andere boodschappen te doen, naar de stad. De nodige inkopen waren spoedig gedaan. Vroeg in de middag begaf hij zich al naar de straat en het huisje, dat zijn pleegmoeder en Mannia hem hadden aangeduid. Want ook op Mannia had die gebeurtenis een onuitwisbare indruk gemaakt.
Na enig dwalen ontdekte hij al de kentekenen : het bord van de schoenmaker, — de open poort, de cypres en de bank op de voorplaats tegen de huismuur. Hij trad de kleine plaats over en klopte aan : een meisje en twee jongens, die in het tuintje hadden gespeeld, sloten zich dadelijk vriendelijk en nieuwsgierig bij hem aan.
Een vrouw deed open en liet hem binnenkomen, nog voordat zij gevraagd had, wat hij wenste. Met zijn eerste oogopslag zag hij reeds dat hij tegenover volksgenoten stond. De kin-i deren waren ook met hem mee naar binnen gekomen.
Onzeker er van, wat voor taal zij op een gewone dag spraken, zei hij met de oud-Semietische groet: „Scholeem aleichem !"
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 november 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's